Het aardvarken en het kwaad
( voor jong en oud )
Mrównik en Yrdumuzu waren de ouders van twee nakomelingen. De oudste, Dobby, was genoemd naar de gelijknamige figuur in de verhalen van Harry Potter. De jongste heette Heddae, zo genoemd naar de vlagstroom van de prikkeltijd waarin ook de moeder haar curriculum vitae had gedoopt. De wereld waarin de tijd rustig zijn rondjes draaide, was nog heel ver weg. Voorlopig moesten de ouders het zien te rooien zonder gedateerde beloftes op sterk water. Als Mrównik hardop droomde van een Groen Continuüm ( wat regelmatig het geval was ), was het Yrdumuzu die hem hardhandig uit de droom hielp.
Nee, over het algemeen was het een hard leven, overleven was voorlopig het hoogst bereikbare!
Mrównik en Yrdomuzu hadden nietsvermoedend gepaard onder de indruk als ze waren geraakt van elkaars lange tong. Dat was eens wat anders dan een portie mieren likken!
Maar die tijd leek lang geleden. Ze brachten inmiddels volijverig de dagen door met het foerageren voor de kinderen. Ze leken wel op vogels, die ze zo vaak van dichtbij aan het werk zagen. Daar konden ze nog een voorbeeld aan nemen, hoewel, over het algemeen leefden de vogels overdag en aardvarkens ’s nachts. Dat was immers de tijd voor Mrównik en Yrdumuzu om op zoek te gaan naar mierennesten en termietenheuvels .Dobby en Heddae bleven dan geduldig in het hol onder de grond.
Yrdumuzu had bij Mrównik op uitbreiding van het hol aangedrongen . Aanvankelijk had Yrdumuzu gezinsuitbreiding nog willen uitstellen, maar ze was tegen Mrownik’s paardrift niet bestand gebleken. Dobby en Heddae hadden inmiddels ieder hun eigen holletje, maar er was nog genoeg ruimte voor eventuele uitbreiding van het gezin of voor bezoek van familieleden.
Het hol bevond zich aan de rand van het bos.
In de verbeelding van Mrównik vormde de zoom een mysterieuze plek: dáár op de grens, daar kon je ervaren wat het betekende om écht te leven: van de ene kant was het een plek waar je heel ver kon kijken en wegdromen, van de andere kant was de plek niet zonder gevaar vanwege de roofdieren die ook in het bos woonden. Mrównik was nogal avontuurlijk ingesteld. Voor Yrdumuzu lag dat anders: zij was erg bezorgd om de veiligheid van hun kinderen, temeer omdat vlakbij het hol het bos overging in landbouwgrond van mensdieren en vanouds vormden die een groot gevaar voor de familie aardvarken. Mensen konden zomaar besluiten om, wanneer het hun uitkwam, op een goeie dag een stuk bos te annexeren voor hun eigen bedrijvigheid. Het waren eigenaardige dieren, die dachten dat de hele wereld van hen was. Yrdumuzu haatte mensdieren.
De veiligheid van de kinderen was haar voornaamste zorg, maar al vlug wist ze dat Mrównik’s verbeelding evenmin bevorderlijk was voor de veiligheid van haar gezin: die verbeelding ging nogal eens aan de loop met hem en dan wist je niet meer wat je aan hem had.
Mrównik droomde ervan samen met mensdieren van het Groene Continuüm ten strijde te trekken tegen de terreur van de blauwalg, dat was zijn ideaal. Toetreden tot het Leger van de Herstelde Orde, zoals de mensdieren dat noemden, dat leek hem het einde. Zittend aan de rand van het bos voorzag hij dat hij snel bewonderd zou worden om zijn moed. Hij droomde dat hij uiteindelijk werd toegelaten tot het Legioen van Eer wegens onsterfelijke verdienste in de strijd tegen alles wat een bedreiging vormde voor het Groene Continuüm. Dat ging binnenkort aanbreken, daar was hij zeker van, evenals veel mensdieren trouwens…
Ambities genoeg! Stiekem was hij uit op aandacht van de andere aardvarkens, die zich ook in de strijd verdienstelijk wilden maken, maar daarvoor in tegenstelling tot Mrównik niet werden onderscheiden zouden worden…Mrównik was een hele piet, vond-ie.
Speciaal voelde hij zich aangetrokken tot een bijzonder onderdeel, dat de strijd aan bond tegen de exorbitante groei van braam, brandnetel en bereklauw. Maar bramen waren stekelig, brandnetels vormden een verschrikking voor de dunne huid van aardvarkens en bereklauwen waren zijn ergste tegenstanders, alleen de naam al! Hij wist dat ie weinig kans maakte; bovendien zou hij sowieso worden afgekeurd vanwege zijn slecht ontwikkelde ogen. Daartegenover stond dat hij over een bijzonder goed ontwikkeld reukvermogen beschikte en op die manier kon worden ingezet in de strijd tegen de blauwalg. Mensdieren waren ook niet gek: een tot slaaf gemaakt aardvarken konden ze wel gebruiken. Hij mocht dan wel bang zijn van water, maar op grote afstand kon hij al ruiken waar zich dat goedje, de blauwalg bevond. Daarom, wist hij, zou hij nooit op zijn gezichtsvermogen alleen worden afgekeurd, hoewel dat in de meeste gevallen zeer gebruikelijk was. Mrównik hoefde alleen maar gebruik te maken van zijn uitzonderlijk reukvermogen: op grote afstand rook hij de blauwalg, ook al was in de verre omtrek geen water te bekennen. Meer zou hij niet te doen hebben. Hoe wilde je het hebben als aardvarken? Dit soort dromen en vergezichten haalde hij zich allemaal in het hoofd, als hij aan de rand van het bos voor zich uit zat te turen en weemoedig dacht aan de tijd die komen zou, wanneer het Groene Continuüm definitief was aangebroken.
Yrdumuzu hield van Mrównik, misschien ook wel vanwege juist zijn dromerig karakter, hoewel dat soms grensde aan onnozelheid. Maar de strijd aanbinden met de blauwalg!… Het idee alleen al! Mrównik kon nog niet eens zwemmen. Hij was bang voor water en ziin ogen waren al helemaal niet zijn sterkste kant! Ze moest er smakelijk om lachen en en als aardvarkens lachen, bewegen ze hun snuit enkele keren snel heen en weer.
Yrdumuzu kon dan wel eens op hem mopperen, maar van de andere kant: de dromen van haar partner vond ze ook wel schattig, zo was hij nou eenmaal, maar als ze goed bij zichzelf te rade ging en dat deed ze regelmatig, vond ze die dromen maar een waardeloze vorm van luchtfietserij; ook dat hij zich liet gebruiken door de mensdieren om rotklusjes op te knappen, waar zij zelf hun neus voor ophaalden, was haar een doorn in het oog. Ze vond dat ver beneden de stand van een aardvarken…
Dat hele gedoe rond het Groene Continuüm stond haar trouwens tegen. In het begin had ze Mrównik tot andere gedachten proberen te berengen, maar niets hielp, want wat Mrównik in z’n kop had, dat ging er moeilijk uit.
Dobby en Heddae gingen s‘nachts wel eens stiekem op pad, nieuwsgierig als ze waren naar de plekken waar hun ouders elke nacht naar toe gingen. Dat bezorgde Yrdumuzu veel slapeloze nachten en Mrównik maar dromen over zijn heldenrol in de gelederen van de Herstelde Orde…en dat allemaal ten dienste van het komende Groene Continuüm. Je begrijpt, dat gaf spanningen in het gezin en die werden niet altijd even vreedzaam opgelost. Het begon altijd met koeteren en tatewalen, maar vaak ging het van kwaad tot erger. Beide ouders gebruikten dan hun gespierde voorpoten om hun bedoelingen kracht bij te zetten. Ze krabten elkaar dan tot bloedens toe… Meestal zagen ze dan wel weer in, dat deze manier van ruzie maken weinig zin had. Bovendien vormden ze zo een gemakkelijke prooi voor roofdieren; vooral voor de gevaarlijke slangen, die overal in het bos leefden en zich soms ook via het land van de mensdieren in de buurt van het hol waagden. Het probleem was: slangen kon je niet zo goed ruiken als andere dieren. Het ruiken van mierennesten en termietenheuvels was geen probleem; zeker niet voor Yrdumuzu, die dat beter kon dan Mrównik, maar Mrównik had dan weer sterkere voorpoten en dat was weer gunstig voor het graven van holen.
Enfin…
Slangen, ja, dat was een heel ander verhaal.
Op een klaarlichte dag - iedereen lag lekker te slapen - gleed een duivelse gluiperd het hol binnen. Niemand had hem gehoord of geroken. Toen hij zijn grote goorbek opende in de richting van Dobby en Heddae, schrokken Mrównik en Yrdumuzu plotseling klaarwakker van zijn sissende geluid. Net op tijd! Ze krabden met hun lange en sterke klauwen de gemene gladaal het vel van z’n lijf en joegen hem het hol uit, ondertussen grommend en blatend dat horen en zien verging. Voor het schuwe aardvarken was de slang het pure kwaad. Vervloekt waren ze, die slangen, onder alle dieren op aarde; niet voor niets kropen ze hun hele leven op hun buik door het stof. Één van de mooiste verhalen over slangen staat in het beroemdste boek van de mensdieren, de bijbel. Ieder beest moest in ieder geval voor ze uitkijken. Zelfs grote roofdieren konden door slangen worden gewurgd en opgegeten. Stel je voor!
Straffen moest je ze eigenlijk, maar ja, hoe? Maar was daarmee het kwaad de wereld uit? Nee, natuurlijk niet!
Vanaf die dag bleven ze voor slangen op hun hoede en het is vooral aan Yrdumuzu’s lichte slaap, of beter gezegd, aan haar waakzaamheid te danken, dat het bezoek van de slang niet tot erger had geleid. Er was een orde hersteld, zeker, maar op een heel andere manier dan Mrównik in zijn hoofd had. Hij had zich het voorval erg aangetrokken en beloofde Yrdumuzu niet meer te gaan zitten dagdromen aan de rand van het bos. In plaats daarvan zou hij op zoek gaan naar slangennesten om korte metten te maken met het adderlijk gebroed. Yrdumuzu wilde het graag geloven, maar eerst zien en dan geloven! Ze stond erop dat hij zijn belofte nakwam en dan wist Mrównik wel hoe laat het was! Als je het met haar aan de stok kreeg, was ze niet voor de poes.
Intussen was het Mrównik ter ore gekomen, dat een grote groep mensdieren het voor de slangen opnam. Ze vonden dat er te weinig slangen waren om als soort te kunnen overleven en het Groene Continuüm zou niet compleet zijn zonder slangen. Voor- en tegenstanders van de slang gingen met elkaar op de vuist en mensdieren die met elkaar een conflict hadden moest je nooit onderschatten, mensen waren koppige dieren die een wrok jarenlang konden koesteren, zelfs nadat ze een conflict schijnbaar hadden uitgevochten. Zo ook in dit geval: de aanhangers van het Groene Continuüm deden er alles aan het leven van de tegenstanders zo zuur mogelijk te maken. Ze waren begonnen met het verspreiden van opzettelijke onwaarheden zoals bijvoorbeeld het fabeltje dat slangen uitsluitend gras aten of dat giftige slangen niet bestonden. Ze hekelden het idee van de slang als symbool van het kwaad, want in feite had je te maken met opvattingen van achterlijke christenen.
Enzovoort enzoverder.
Mrównik kwam in een lastig parket: van de ene kant had hij Yrdumuzu beloofd de strijd aan te binden met slangen die in de omgeving van het hol woonden, van de andere kant had hij ook begrip voor de natuurbeschermers van het Groene Continuüm. Hij had zich al jaren geleden geschaard achter de noodzaak en urgentie van hun streven, want was het niet zo, dat de mensdieren al veel te ver waren gegaan in hun hanige obsessie om de wereld naar hun hand te zetten ten koste van álle andere dieren, ook ten koste van zijn eigen familie, de aardvarkens?
Mrównik raakte in verwarring, toen hij hoorde van het plan om jonge slangen uit te zetten in het bos met de bedoeling , zoals de mensdieren zeiden, “het evenwicht in de natuur te herstellen”. Ook werd gesproken over een “bedreigde populatie”, die “op uitsterven” zou staan.
Mrównik ging naar zijn favoriete plek aan de rand van het bos en dacht lang na. Hij wist dat zijn relatie met Yrdumuzu gevaar liep, als hij niet aan haar eis tegemoet kwam. Sommige dingen zijn onbespreekbaar en dit was er één van. De plannen van het Groene Continuüm vormden voor haar een absolute no go area, het idee van allemaal slangen in de buurt van haar hol alleen al!
Wilde hij Yrdumuzu niet kwijt raken, dan moest hij hoe dan ook zijn belofte aan haar nakomen. Dat lukte alleen als er genoeg slangen in het bos zaten om prooidier te kunnen worden voor Mrównik. Zo bezien was het plan van de mensdieren die droomden van een Groen Continuüm zo gek nog niet: hoe meer slangen, hoe meer prooidieren voor Mrównik. Hij zou zijn mannelijk jachtinstinct uitbundig kunnen botvieren, en Yrdumuzu eindelijk weer eens tonen hoe moedig hij eigenlijk was. Deze laatste overweging stemde hem hoopvol. Hij kon dan wel een dromer zijn, maar dan toch één, die ook van aanpakken wist. En aanpakken was Yrdumuzu’s advies, altijd al geweest, boven alle andere dingen in het leven. Mrównik hoopte op deze manier zijn relatie met Yrdumuzu wat meer kleur te geven. Want wat dwong meer respect of zelfs bewondering af dan moed? Moed in de strijd tegen de slangen nog wel! Met behulp van het Groene Continuüm zouden er voldoende slangen in het bos komen wonen, voldoende in ieder geval om nog lange tijd Yrdumuzu te laten zien hoe dapper hij eigenlijk was…Mrównik vond zichzelf heel slim door zo te denken, omdenken zou je het kunnen noemen, maar hij had niet in de gaten dat zijn gedachtekronkels even krom waren als zijn tong in een termietenheuvel.
Het liep anders.
Op één van hun nachtelijke ontdekkingstochten in het bos waren Dobby en Heddae verdwaald. Wanhopig probeerden ze de weg naar huis terug te vinden. Uiteindelijk vielen ze tegen de ochtend van vermoeidheid in slaap, totaal uitgeput, hongerig en vol schrammen en bulten. Die ochtend waren mensdieren toevallig bezig met het zoeken naar geschikte plekken voor jonge slangen. De slangenpopulatie moest worden uitgebreid. Dat was één van de stappen, vonden ze, die nodig waren om het Groene Continuüm dichterbij te brengen. Mensdieren dus, die het goed voor hadden met de natuur en toen zij stuitten op de twee jonge aardvarkens, die daar hulpeloos, open en bloot op de grond lagen, voelden ze medelijden. Ze wilden de aardvarkentjes redden, opvangen, om ze uiteindelijk weer terug te geven aan de natuur. Dobby en Heddae schrokken zich eerst een ongeluk en vooral Dobby begon te krijsen als een speenvarken, maar nadat ze de zachte handen van de mensdieren over hun kale huid hadden gevoeld, begrepen Dolly en Heddae dat ze geen kwaad in de zin hadden. Ze schikten zich in hun lot en werden gewassen, gevoerd met flesjes melk om tenslotte terecht te komen in een donkere en warme ruimte met bergen zand, hooi en stukken hout.
Mrównik en Yrdumuzu raakten buiten zinnen toen Dolly en Heddae na lang zoeken overal in het bos onvindbaar bleken. Yrdumuzu jammerde en Mrownik vloekte. Ze beschuldigden elkaar van onoplettendheid en nonchalance. Ruzie dreigde te ontaarden in handgemeen, toen Mrównik schreeuwde dat hij het hele bos ging uitkammen om Dolly en Heddae te vinden, daarbij hevig vloekend en scheldend op de slangen, die vuile moordenaars. Mrównik rende plotseling zonder omkijken het bos in, Yrdumuzu achterlatend in een toestand van totale ontreddering.
Dolly en Heddae intussen waren van de schrik bekomen en kregen meer dan genoeg te eten, meer dan ze op konden. Heel anders dan thuis, waar regelmatig om voedsel werd gevochten. Natuurlijk misten ze hun ouders, maar na verloop van tijd raakten ze gewend aan de situatie en schikten ze zich erin. Die situatie was heel bijzonder. Overdag kregen ze veel bezoek van mensdieren, die naar hun stonden te kijken alsof ze iets heel bijzonders waren. Dolly en Heddae hoefden daar niets speciaals voor te doen. Ze konden gewoon zichzelf zijn zoals ze dat vroeger ook waren, maar dan zonder ouders. Nadeel was wel dat je ’s nachts niet stiekem het bos in kon. De mensdieren hadden een tuin ontworpen, bedoeld voor andere dieren, die evenals Dolly en Heddae, in speciale verblijven waren ondergebracht. De mensdieren zelf waren vrij om rond te lopen in de tuin waar ze maar wilden.
Mrównik was diep het bos ingerend, dieper dan hij ooit geweest was. Hij was vast besloten Yrdumuzu te laten zien waartoe hij, Mrównik, in staat was. Hij moest en zou ze vinden, Dolly en Heddae. Dankbaarheid en bewondering zou hij oogsten van Yrdumuzu en dat zou hun relatie weer een flinke boost geven! Tegelijkertijd was hij woest op de slangen, alle slangen waren potentiële moordenaars. Al zijn groene dromen en idealen waren op slag verdwenen. Er telde nog maar één ding en dat was zijn gezin. Blind van verdriet en woede struinde hij wild door het bos, met zijn sterke klauwen alles van zich af slaand, wat ook maar een beetje in de weg stond.
Totdat…
Totdat plotseling met een enorme klap de vossenklem dichtsloeg, die hij totaal over het hoofd had gezien. Mrównik viel met een smak op de grond. Hij schreeuwde het uit van de pijn en kon geen poot meer verzetten. Toen verder lopen onmogelijk bleek en hij merkte dat hij zich niet meer kon bewegen en het geen zin had om te proberen zich uit de vossenklem te bevrijden, werd hij rustiger. Hij begon zich te realiseren dat dit wel eens het einde kon zijn. Zíjn einde...
Het gekerm van Mrównik was tot in de wijde omtrek te horen. Yrdumuzu, die een hele tijd vol spanning wachtte op de terugkeer van Mrównik en de kinderen, vreesde het ergste. Zij was altijd al degene, die niet alleen het meest op haar hoede was, maar ook het meeste wantrouwen koesterde tegenover de mensdieren. Zij doorzag hun arrogante streven de hele natuur naar hun hand te zetten en daarbij nietsontziend te werk te gaan. Ook had ze nooit vertrouwen gehad in het idee van een Groen Continuüm, waar haar partner vaak van droomde, omdat je nooit kon weten of je daar als aardvarken beter van werd. Mensdieren deugden niet, dat was nu eenmaal haar vaste overtuiging.
Hoe dat ook zij, ze wist dat Mrównik, Dolly en Heddae ernstig gevaar liepen door zomaar in het wilde weg het bos in te lopen. Ze liep op het kermende geluid af en… daar lag hij, Mrównik, zijn gezicht van pijn vertrokken, zijn poot bloedend in een ijzeren klem. Ze raakte vervuld van een intens medelijden en probeerde hem te troosten, maar wat kon ze doen? Het was voor haar onmogelijk de vossenklem los te krijgen.
Met zijn laatste krachten spoorde Mrównik haar aan op zoek te gaan naar Dolly en Herddae. Nu kon Yrdumuzu haar tranen niet langer bedwingen, ze draaide zich langzaam om en na een tweede aansporing van Mrównik verdween ze in het bos. Nog één keer richtte Mrównik zich op, mompelde iets onverstaanbaars en blies zijn laatste adem uit.
Dolly en Heddae bleven onvindbaar en Yrdumuzu, ontroostbaar, liet zich gewillig meevoeren met de vlagstroom van de prikkeltijd. Ze liep verder en verder het bos in, totdat ze in een ondiepe, zandige holte een schuil- en slaapplaats het gevonden. Ze was zo moe, dat ze al haar angst vergat en niet merkte dat ze in een slangenkuil terecht was gekomen.
'Outlaw 3', voor disk-klavier
heilig geloof ( 1 )
O Heilig Woord, ik draag U fier en vrij,
mijn lippen loven U psalmen sier.
ik gedraag mij vroom,
ik leef in een zuivere gloed,
terwijl ik lieg en huichel
en mijn naaste bespot
en ik, o Heer, draaf voort als uw nederige dienaar,
U zei: “Wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden,
en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden”,
verhoogd zal ik worden met mijn kruideniersgebed,
mijn aalmoes mijn aktentas en strakke pak.
met mijn vroom vertoon, blinkend in uw licht
toch vreet een wolf van heimelijke eigendunk onder mijn gewaad,
want ik ben een overtuigd farizeeër,
de psalmen mijn trouwe maat.
O Heer, die in de hemel woont,
uw glorie schijnt in heel de wereld
ik buig mij neder, vroom en klein,
en vraag om genade, Heer, voor mij alleen.
mijn zonden zijn klein, zo nietig en klein,
vergelijkbaar met die van anderen, o zo rein.
laat hen boeten voor hun falen,
terwijl ik blijf staan, recht in mijn stralen.
ik vast en bid,
en preek Uw woord holy shit
mijn naasten zondigen, een vast patroon
ikzelf ben rein, een echte christenzoon
laat hen lijden voor hun zonden groot
terwijl ik rust in Uw genadeboot.
O Heer, zie mijn vrome schijn,
laat anderen boeten, maar laat mij rein.
want ik ben Uw dienaar, trouw en waar,
en zij zijn zondaars, klip en klaar.
Ik dank U voor Uw onmetelijke genade,
die mij, onwaardige zondaar, niet verlaat,
en mij leidt op het pad der vroomheid,
naar het eeuwige leven in Uw licht.
O Heer, laat mij niet vallen in zonden,
die mij omringen als een wervelwind,
maar geef mij kracht om stand te houden,
en Uw wil te doen, altijd en overal.
OH LORD , MAKE ME GREAT AGAIN
heilig geloof ( 2 )
OH LORD , MAKE ME GREAT AGAIN
door gebed of heilig boek,
maar puur door mijn handelen,
ga ik door alles mijn eigen gang
ikzelf ben de weg de waarheid en het leven
geleid door een innerlijk licht;
niet in tempels of heiligdom
maar in mijzelf vind ik mijn heil
kijk naar mij, ik ben altijd mezelf
kijk naar mij, ik ben je voorbeeld
deugd is geen gave van boven,
maar een keuze, diep van binnen, voor jezelf
om te kunnen leven vanuit eigen innerlijke kracht;
diep in mijzelf, waar geen oordeel mij kan raken,
vind ik de ware vrede, die geen maatschappij kan maken;
ik ben heer en meester van mijn lot,
met elke daad en elk woord,
bevestig ik mijn aparte klasse,
ik alleen ben mijn eigen succes;
Oh Lord, make me great again!
laat anderen buigen voor mijn majesteit,
mogen zij altijd in mijn schaduw blijven
want in de spiegel van mijn ziel
zie ik alleen mijn eigen glans,
een schittering all over het internet
mijn volgers klinken als een lofzang,
zelfs nog geruime tijd na mijn dood;
mijn aanwezigheid op aarde,
mijn fucking kort bestaan
is pure winst voor iedereen, ik ben
een zeldzaamheid in het universum;
en de anderen?
de anderen zijn schaduwen in mijn licht,
hun stemmen zijn ruis in mijn symfonie,
hun pijn is slechts een echo in mijn vreugde,
hun liefde een middel tot mijn verheffing.
Oh Lord, make me great again!
'Outlaw 4', voor disk-klavier
NOBLESSE OBLIGE
Papschot, een gehucht aan de Belgisch-Nederlandse grens, kende in juni 2012 een groot aantal notabelen, die zich allemaal lieten voorstaan op hun Frans sprekende Waalse afkomst. Ze waren trots op familienamen en om onduidelijke redenen naar het Noorden van België getrokken; een soort Franse enclave. Het gaat om een groep adelijke personen, die zeggen allen af te stammen van dezelfde familie, la Famille de Poule-Papschaut-Patois.
Gedurende een periode van enkele jaren kenden wij het voorrecht van een tijdelijke verblijfplaats. Wij kwamen van de grote stad en genoten volop van de paradijselijke omgeving. Het gemis aan water en elektriciteit pareerden wij met groot gemak door een overmaat aan enthousiasme en deelname aan het plaatselijk gebeuren, en, misschien mag ik dat zeggen: de inheemse gewoonte in ruime mate bier in te nemen of wiet te gebruiken.
Wij raakten op goede voet met de bewoners, waaronder wij rekenden:
- - Cathérine de Poulois - Belge
- - Marianne Rovert et Gorpe
- - Marthe d’Obésité - Amoureux
- - Jeanette de Tais-toi-Tais-toi
- - Henri Non-Merci-le Coq
- - Francois de Saint Jacques de la vallée Leionnais
- - Josquin Bellevoix de la Region Poppelin
- - Albertine la Belle Chevalière Flamand
- - Justine la Carmélite Blonde à Carrefour
- - Walter le Coq Riche-avec-les Mains d’Or
- - Julia de Turnhoute-la Blonde
- - Stijnus le Canard-Vulgaire
- - Marja la Bonnefemme de Fermier
- - Louis le Richard de Quatre-Vingts-Ans
- - Tes le Chien - Désireux de Poules et Coup de Dents
- - Nicole le Nomade - solitaire- Tilbourgeois
- - Alfred le Géant-Toxicomane de Bière
- - Darius le Renard-Désireux-de Poules-et-Beaucoup-de-Dents
- - Émile de Bateau à l’Étang-aux-carpe
- - William le Bohemien-Irlandais de Crapule
- - Flip de l’Homme-qui-Parle-comme-une- - Vache-qui-pisse
In 2020 werden deze namen voor het eerst plechtig herdacht als pioniers van de Noord-Belgische bossen. Het ritueel waarbij dat gebeurde schreef voor dat hun namen luidkeels werden voorgelezen onder begeleiding van trompetgeschal. Enkelen van hen waren inmiddels verhuisd of gestorven aan een overdosis. Zelf hebben wij aan dit ritueel niet kunnen deelnemen vanwege omstandigheden die de toets van de kritiek niet kunnen doorstaan.
Helaas! Zeker is wel, dat onze Nederlandse afkomst daarbij geen enkele rol speelde.
'Beer gaat door zuur naar zoet', voor disk-klavier
bericht voor beiaardier C.V.E.
Pantagruel blaast veiligheidsdossier op aangaande de werkplek van de beiaardier
In het boek Pantagruel (1532) van Rabelais wordt de reus Pantagruel te hulp geroepen als blijkt dat de rechtsgang is vastgelopen in een moeras van papieren, formele regelgeving en de (juridische) interpretatie daarvan. Pantagruel wordt gevraagd orde op zaken te stellen. Hij heeft zich faam verworven door briljante weerleggingen van wetenschappelijke uitspraken. De twee heren die verwikkeld zijn in een geschil dat het begrip van het hof ver te boven gaat, daagt hij persoonlijk voor het gerecht: Ammereet en Likmevessie. Pantagruel laat beiden aan het woord om hun zaak te bepleiten. Hij vindt dat ze de zaak moeilijker maken dan nodig is en oordeelt op zodanige wijze dat beide opponenten tevreden zijn over het eindvonnis.
In de onderstaande tekst is gebruik gemaakt van de vertaling van J.M. Vermeer-Pardoen. De aanpassingen die ik hier en daar heb toegevoegd zijn bedoeld om te suggereren dat het hier zou gaan om een actuele kwestie betreffende de veiligheid en/of vermeende onveiligheid van de werkplek van de Tilburgse beiaardier. De kwestie nam enige jaren in beslag en al die tijd kon de Tilburgse stadsbeiaardier beiaard niet in de toren om zijn prachtige spel te laten horen…
Pantagruel:
” Waar is dan, potjandorie!, al die rimram van papieren en dossiers voor nodig die jullie mij in mijn maag splitsen? Is het niet beter om hen in eigen persoon hun geschil te horen uitleggen dan al die apekool hier te lezen, want dat is niets dan boerenbedrog.(...) Dus als jullie willen dat ik kennis neem van dit proces, verbrandt dan eerst die hele papierwinkel en laat dan vervolgens die twee edellieden persoonlijk voor mij verschijnen. Dan pas kan uitspraak doen over de kwestie van de veiligheid in de toren. Die registers, verhoren, weerwoorden, wrakingen, tegenantwoorden en andere trucjes van dien aard zijn niets anders dan ondermijning van het recht en dienen slechts tot verlenging van het proces."
Ammereet
"Mijnheer, het is waar dat voor een veilig werkklimaat mensen moeten kunnen beschikken over een flinke dosis autonomie in hoe ze hun werk doen en dat geldt zeker en vooral voor een stadsbeiaardier”
Pantagruel:
"Je mag je hoed wel opzetten, Ammereet"
"Dank u beleefd, mijnheer", zei de heer van Ammereet.
"Maar wat ik zeggen wilde, de hele nacht deed men niets anders dan halsoverkop brandbrieven rondsturen, te voet en te paard, om de boten tegen te houden, want de kleermakers wilden van de gestolen stukjes goed een blaasroer maken om de grote zee mee te verdedigen tegen een onveilig werkklimaat, dat toen volgens de hooibinders zwanger was van een lading kool; maar de dokters zeiden dat ze aan haar urine niet duidelijk konden zien of ze in de ganzenpas schoenmakers likhout at met mosterd, tenzij de heren van het hof voorzichtig opdracht gaven dat de sief niet meer zou huishouden onder de zijderupsen, want de schurken waren allang begonnen de horlepijp te dansen met de wolven in het bos.
Maar om terug te komen op die flinke dosis autonomie op de werkplek van de beiaardier, wij zien duidelijk, dat iedereen zich op de borst slaat, als men niet vanuit bestuurlijk perspectief oculair naar de schoorsteen staart, naar de plaats waar het uithangbord hangt met de samengeknepen bek van de zure wijn die nodig is voor wel twintig keer uitstel van besluitvorming, zoals te doen gebruikelijk in die kringen…
Pantagruel:
“Kalm, vriend, kalm, rustig praten en niet kwaad worden. Ik begrijp wat er aan de hand is, ga maar door."
"Nou mijnheer", zei Ammereet, de veiligheidseisen die gelden ten aanzien van de werkplek van de beiaardier kunnen zich niet verdedigen met een opwaartse schijnbeweging door die verdomde privileges van de universitair geschoolde onderzoekers, die van talmen hun beroep hebben gemaakt, en zodoende de veiligheidskwestie op de lange baan schuiven, tenzij ze schuin de helm opzetten en die verdedigen met een ruiten zeven, en hem een snelle degenstoot toebrengen, zo dicht mogelijk bij de plaats waar men oude doeken verkoopt die de Vlaamse schilders gebruiken wanneer ze netjes een mug willen ziften, en ik ben stomverbaasd dat de mensen geen eieren leggen, want ze doen niets liever dan broeden."
Hier wilde de heer van Likmevessie tussenbeide komen en wat zeggen en daarom zei Pantagruel tegen hem: "Hé, ben je nou helemaal belazerd, heb ik je soms het woord gegeven? Ik zit me hier uit te sloven om het verloop van jullie geschil aan te horen, en dan kom jij nog even aan mijn kop zaniken? Stilte, verdorie, stilte! Het gaat hier over de veiligheid in de toren! Jij mag je zegje zeggen als hij is uitgesproken. Ga maar door," zei hij tegen Ammereet, "en doe maar op je gemak.
""Dus toen duidelijk werd," zei Ammereet," dat er een vervolgstap nodig was in de procedure vanwege de grote complexiteit van het veiligheidsvraagstuk en als gevolg daarvan dat de paus iedereen vrijelijk toestond om op zijn gemakje scheten te laten als z'n hemd maar wit bleef, hoe groot de armoe in de wereld ook was, als men maar niet het slechte pad opging, stemde de regenboog die zojuist in Milaan was afgestudeerd om de leeuweriken los te laten, erin toe dat de kwestie van de veiligheid alle beiaardiers een kopje kleiner zou maken, wegens het protest van de klotevisjes die nodig waren on het vervaardigen van oude laarzen te kunnen begrijpen, want hij die met verstand uit de klokketoren valt, gaat niet van de brug en dat, heren, geeft een slechte weergave der feiten en daaromtrent geloof ik de tegenpartij inzake de oplossing van het aloude werkgever- werknemersprobleem, in casu het geschil tussen de beiaardier en de gemeente, want om aan de wil des konings te gehoorzamen, had ik me van top tot teen gewapend met een ranseltje voor de buik om te gaan zien hoe mijn druivenplukkers hun hoge mutsen aan flarden hadden gescheurd om beter voor vogelverschrikker te kunnen spelen, en het was een wat gevaarlijke tijd vanwege de broekhoest en de beiaard, zodat verscheidene commissieleden en vrijschutters in afwachting van het alsmaar durende besluitvormingsproces inzake de veiligheid van de klokkentoren bij de parade werden weggestuurd, hoewel het pijpwerk hoog genoeg was in verband met de zwerende koten en de paardekwasten van vriend Baudichon, die, zeg ik erbij, als beiaardier een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan het culturele klimaat van onze stad, zonder extra risico verlagende maatregelen wel te verstaan!
Er was een overschot aan risicomanagement, zoveel was duidelijk.
Ook duidelijk was dat hierbij geen sprake kon zijn van een duistere elite, maar van een ingewikkelde interactie tussen persoonlijke angsten, verwachtingen en de mobilisatie van veiligheidsbedrijven en gemeentelijke instanties. Daardoor waren er dat jaar geweldig veel gekaakte haringen, wat geen kleine meevaller was voor de messentrekkers, want die konden zonder ze te trekken klisteervogeltjes eten met de broekriem los. En als ik het voor het zeggen had in dit uiterst lastige bestuurlijke dilemma, kreeg iederéén zo'n mooi stemgeluid: dan zou er heel wat beter gekaatst worden en, zeg ik erbij, heel wat beter op de beiaard gespeeld kunnen worden. Kortom, de zaak had men in een oogwenk kunnen oplossen, als er minder gepandoerd was onder het zingen van zakdoekje leggen niemand zeggen.
Daarom, mijnheer, eis ik dat door u edelachtbare over de waarde van het klokkenspel voor onze stad wordt uitgesproken en verklaard wat billijk is, met kosten, vergoedingen en interest.
Toen zei Panagruel: "Vriend, hebt u verder niets te zeggen?"
Ammereet antwoordde: “Nee, mijnheer, ik heb alles tot op de laatste letter opgebiecht zonder er iets aan te veranderen, op mijn woord van eer.”
“Dan bent u aan het woord, mijnheer Likmevessie”, zei Pantagruel. “Zeg alles wat u te zeggen hebt, maar maak het kort, zonder achterwege te laten wat van nut zou kunnen zijn voor de te behandelen zaak. Wees zorgvuldig in uw uitlatingen, gezien de veiligheidskwestie die hier besproken wordt!
Toen begon de heer van Liklmevessie als volgt
” Mijnheer en mijne heren, als de onrechtvaardigheid der mensen net zo gemakkelijk te zien was in het categorisch oordeel als vliegen in de melk, dan zou de wereld, vier bullen op een rij, niet zo door de ratten zijn aangevreten als nu het geval is, en dan zouden er nog al wat oortjes op aarde zijn waar ze maar heel slordig aan geknaagd hadden; want - hoewel alles wat de tegenpartij gezegd heeft zuivere koffie is wat betreft het letterlijk verslag van de vergadering over de veiligheidskwestie - toch, heren, schuilen onder die schone schijn slimheid, bedrog en van die kleine haken en ogen.
De mens wikt, God beschikt en in het donker zijn alle katjes grauw. Je hoeft me niet te geloven, als ik zeg dat ik het snel kan bewijzen met mensen van de klaarlichte dag. In het jaar 36 had ik een Duitse doedelzak gekocht en drie Belgische brandblussers, kort en lang, van een tamelijk goede wol en karmozijnrood, zoals de goudsmeden verzekerden, maar de notaris deed er een nog schepje bovenop. Hij was niet voor niets voorzitter geworden van de beiaardcommissie, die nog minder had in te brengen in de gemeenteraad dan de beiaardier, hoewel de laatste er geen bezwaar in zag per helikopter te worden gered uit een brandende toren, ook als deze geen vlam had gevat.
Nou ben ik niet iemand die het onmogelijke vraagt, maar toen de centen op tafel kwamen en de gloedvolle akten verzegeld werden, ging het gerucht dat je met pekelvlees de wijn wel in het donker kunt vinden, en al zat hij onderin de kolenzak, gelaarsd en gevederd, in het harnas om de onwillige boeren een lesje te leren, ’t is een schapekop!
Daarom: let goed op! Het gaat om het volgende:
Op grond van hetgeen ik net heb beweerd deel ik absoluut de grote zorgen van de direct betrokkenen over het behoud van een stadsvriendelijke beiaardcultuur en de inwaartse beleving van het klokkenspel als zodanig, niettegenstaande het éénmalige verzoek van de beiaardier en de beiaardcommissie om gedurende één uur, let wel éen heel uur lang, muziek van Johan Sebastiaan Bach te mogen spelen. Hulde, meervoudig hulde, dat men van gemeentewege dit duldde!
Deze curieuze gang van zaken vind je ook terug in het spreekwoord volgens hetwelk je in een afgebrand bos goed zwarte koeien kunt zien als je de liefde bedrijft. Ik liet de heren geleerden raadplegen over de juridische risico’s van het veiligheidsdossier en zij kwamen tot de conclusie in friseomorum dat niets zo goed bevalt als zomers maaien in een kelder die goed voorzien is van papier en inkt, van pennen en pennenmesjes uit Lyon aan de Rhône en tetterdetetter: want zodra het harnas naar knoflook begint te stinken, is het door en door verroest en dan wordt er alleen nog maar met stijve nek geriposteerd met de lucht van het middagdutje in de neus. Iedereen begrijpt: op deze manier verandert homo sapiens zonder het zelf te merken in homo securus, die verwacht dat de staat hem tegen alle mogelijke denkbare risico’s beschermt en zeker tegen het risico van van een onveilige werkplek in de toren! En, vraag ik u retorisch, wilt u soms vertegenwoordigers worden van de laatste mens, een schrikbeeld dat, zoals u allen weet, Nietzsche ons voorhoudt? Dat u rustig kunt gaan slapen, want wij zorgen wel voor u en uw veiligheid, wilt u dat soms? Dus liever geen gemiezemuis, als u begrijpt wat ik bedoel, ook al zijn het niet de muizen die de toren onveilig maken!
Maar, heren, geloof niet dat er een beter middel bestaat om je de onveiligheid van het lijf te houden dan een Brabants trekpaard of een bos uien te nemen, samengebonden met driehonderd knolrapen en wat kalfsfraas van de beste samenstelling die je bij de alchemisten kunt vinden, en z’n slofje-bollebofje lekker te vullen en vol te gieten met een heerlijk harkesausje, veilig kaarsjes te branden in de kerk en weg te kruipen in een of ander molshoop, zonder echter de spekjes te vergeten. En als de dobbelsteen u niet tweemaal aas gunt, driemaal van het dikke stuk en kijk uit, daar komt de aas!, duw dan de dame in een hoek van het bed, streel haar, betureluur haar en drink erop los om de kikkers weg te spoelen, op mooie toneellaarsjes; dat zal zijn voor de vogeltjes in de rui, die zich vermaken met het eekhoorntjesspel in afwachting van het moment waarop een waslijst aan veiligheidsmaatregelen een minder technocratische en hopelijk,- ik herhaal hopelijk! - een meer waarden-georiënteerde dialoog over de veiligheidskwestie definitief om zeep heeft geholpen.
So be it! Zouden er geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders! We kunnen de wolf niet missen. Integendeel! Lang leve de wolf, maar niet zijn schaapjes op het droge! Laten we ons tijdens deze transitieperiode die de hele aarde betreft in het gelid opstellen boven de windmolen waarover de tegenpartij het heeft gehad. Laat ons de klokkentoren zo snel als mogelijk weer als het aloude oriëntatiepunt in ere herstellen, maar - ik herhaal - maar nu weer als vanouds bespeeld door onze vermaarde beiaardier! Kleine aanpassingen zijn immers niet voldoende om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke zorgplicht.
Desondanks kreeg de grote droes er zin in en stelde de Duitsers aan de achterkant op, die als Heintje Pik begonnen te zuipen: “Herr, drink, drink, van doublet naar het veld, want het is niet waarschijnlijk dat men in Parijs op de Petit Pont roept van “levendige kippen te koop”, al hadden ze net zo’n mooie kuif als moeraseenden, tenzij men werkelijk zijn borreltje offert aan de nog verse inkt die van de kapitalen en cursieven druipt, dat kan mij niet schelen, als er door de steekband maar geen wormen in komen. Ik zeg altijd, wie zwerft is overal thuis. Hoog in de toren is geen ruimte beschikbaar om te zwerven. Hier passen slechts handen die de weg weten naar het het stokkenklavier.
Om kort te gaan: de voorgestelde kleinere aanpassingen kunnen wel leiden tot een lager restrisico, maar deze kunnen niet leiden tot een aanváárdbaar, ik herhaal, een aanváárdbaar restrisico. Ik herinner mij nog de ambtenaar die, terwijl hij zijn zwerende vinger omhoog stak, begon te jammeren: “ wees op het ergste voorbereid, er kan altijd iets gebeuren…iets…” en hij keek daarbij als een proseliet van de nieuwste godsdienst met een opmerkelijke visie op het leven na de dood. Voor allen die hazenvlees hebben gegeten en nog nooit een beiaardier hebben zien spelen: stel dat bij het koppelen van de windhonden de marmotten het halali hadden geblazen voordat de notaris zijn verslag volgens de regels van de kabbala had opgesteld, dan volgt daar niet uit (of het hof moest een beter oordeel uitspreken) dat aanvullende informatie moet leiden tot een collegevoorstel met als als doel tot een tussenbesluit te komen over de te nemen maatregelen of, sterker nog, moet leiden tot een definitief besluit om nog voor het einde van het volgende kalenderjaar een definitief besluit te nemen, en dit evenwel zonder in de schaal te blazen, rekening houdend met het feit dat een en ander nog juridisch moet worden uitgezocht omdat midden op de markt een vacht is te verkrijgen voor een appel en een ei, ik bedoel, dat zweer ik, een wollen vacht.
Toen bleek dat de ambtelijke trein door alle proporties van de veiligheidskwestie heen was geknald, want gewoonlijk zie ik bij alle goede doedelzakken, dat als je op je fluitje blaast en je haalt de bezem driemaal door de schoorsteen en je zet je naam op de lijst van beneficianten, dan doet men niets anders dan vruchteloze tegenstand bieden en op z'n billen blazen als die toevallig te heet worden, en dan maar van je ratsekidee, zodra ik het onderzoeksrapport bekom krijgt hij z'n koeien weerom.
Een dergelijke uitspraak werd ook gedaan tijdens het integraal veiligheidsonderzoek uit het jaar 17 met betrekking tot de losbol van Lozefoezel, waarmee het hof zo goed zal zijn rekening te houden.
Ik zeg waarachtig niet dat je niet uit rechtvaardigheid terecht de bezittingen van mensen die van het wijwater zouden drinken verbeurd kan verklaren, zoals je dat doet met de hellebaarden van de wever, waarvan met spiespalen maakt voor de mensen die zich alleen maar laten lijmen met grof geld; ook zeg ik niet dat de complexiteit van het veiligheidsvraagstuk zo groot is dat calamiteiten bij het bespelen van de beiaard als vanzelf ontstaan.
Dus, heren, wat voor recht is er nog voor de kleine man?
Want zowel het gewoonterecht als de onvolprezen Arbowet zijn zodanig, dat de eerste de beste roervink die de koe bij de hoorns grijpt en die heen en weer beweegt midden onder de beiaardmuziek zonder de schoenmakersmaat te solfiëren, als het tijd is om het stokken-klavier te teisteren, de tekortkomingen van zijn lid moet compenseren met mos dat is geplukt terwijl je je zit te vervelen bij de nachtmis, om die witte Anjouwijntjes mee door te slaan, die je zo verraderlijk op je gezicht kunnen doen vallen als bij een onvoorzichtig betreden wenteltrap in de klokketoren.
Besluiten als boven met kosten, vergoedingen en interest.”
Toen de heer van Likmevessie uitgesproken was, zei Pantagruel tegen de heer van Ammereet: “Vriend, hebt u hiertegen nog iets in te brengen?” Waarop Ammereet antwoordde:”Nee, mijnheer, want ik heb niets dan de waarheid gesproken en laten we om godswil een einde maken aan ons geschil, want dit proces kost ons een lieve duit.”
Toen stond Pantagruel op en met hem, raadslieden, rechtsgeleerden, vertegenwoordigers van de afdeling Sociaal en medewerkers van de afdeling Faciliteiten en sprak:” Wel, heren, u hebt het geschil waarover het hier gaat, nu uit de mond van het orakel zelf gehoord. Wat is uw mening daarover?”
Waarop zij antwoordden:” Wij hebben inderdaad gehoord dat men de marge van het aanvaardbare risico zo klein mogelijk wil maken, maar, verdomd, we hebben de oorzaak ervan niet begrepen. Daarom verzoeken we met algemene stemmen, ja we smeken u, of u alstublieft een uitspraak wilt doen zoals u meent dat die moet zijn, en voor nu en nog eens. Wij staan daar welwillend tegenover en zullen hem met volle instemming ratificeren.”
"Wel, heren", zei Pantagruel, "aangezien u dat wenst, zal ik het doen; maar ik vind de zaak niet zo moeilijk als u hem maakt. Een gesprek van mens tot mens zou immers wonderen kunnen verrichten in onze geprotocolleerde hoofden waaruit elke resonantie lijkt te zijn verdwenen.
En nadat hij dit gezegd had, liep hij een paar keer de zaal op en neer, in diep gepeins verzonken, zoals wel bleek uit het feit dat hij kreunde als een ezel die te strak in zijn tuig zit, want hij was zich ervan bewust dat hij ieder recht moest doen wedervaren, standvastig en zonder aanzien des persoons. Hij realiseerde zich dat veel problemen met veiligheid buitengewoon ingewikkeld zijn; vanuit meerdere perspectieven moet ernaar gekeken worden om tot een integrale oplossing te kunnen komen. Meerdere partijen betekende meestal: veel stampijen, wist hij, en opnieuw kreunde hij als een gewichtheffer die traint boven zijn gewichtsklasse.
Daarna ging hij weer op zijn plaats zitten en deed als een geschakelde rookmelder de volgende uitspraak:
“Dat gezien de koude rillingen van de vleermuis die keurig afwijkt van de zomerzonnewende om de zotteklap te garen die met de pion schaakmat is gezet door de ernstige beledigingen van de kant van de lichtschaduwen die overal in de buurt van Rome te vinden zijn, aan het adres van een bokkenees op een paard die met de kracht van zijn rugspieren de boog spant, stond eiser in zijn recht, toen hij het galjoen opkalefaterde dat de vrouw op een schoen en een slof deed opzwellen, terwijl ze hem naar eer en geweten dubbel en dwars betaald zette met net zoveel gebbelegeintjes als er haren op achttien koeien zitten, en voor de windhapper insgelijks.
"Zou kunnen, zou kunnen, altijd kan er iets gebeuren, iets...en meer dan dat...", spookte het nog steeds door zijn hoofd totdat hij er bijna krankjorum van werd, )
Toch is het in deze termen dat veiligheid kan worden omschreven als een relationeel en situationeel proces, zij het dat een flexibele mentaliteit hierbij nog niet is verdisconteerd, evenals de buitengewoon sterke afname van het sociaal kapitaal en de erosie van de publieke familiariteit, die zo goed als helemaal op haar gat ligt.
Is eveneens onschuldig verklaard in de bijzondere rechtszaak van de verstoppinkjes, waarvan men dacht dat hij die had opgelopen omdat hij niet lekker kon schijten, per besluit van een paar bij de notenkaars met 100% veiligheid geparfumeerde handschoenen, zoals men die gebruikt in zijn geboortestreek Mirebeau, terwijl men het razeiltouw laat vieren met de bronzen bollen waarmee de stalknechten stalgrafelijk en met nagenoeg nul rest-risico de groenten kookten, die werden opgeladen tegelijk met de lokvogel met de in Hongaarse steek geborduurde valkebelletjes, die zijn broer ter nagedachtenis meedroeg in een mandje ernaast, geborduurd in keel met drie haveloze chevrons van canvas in een zonnig hoekje van onze participerend overheid, waaruit met de ragebol een wormvormige papegaai wordt geschoten. En alsof de veiligheidskwestie op deze wijze nog niet duidelijk genoeg is verwoord, eis ik ten overvloede dat de zorgplicht van beide heren zo spoedig mogelijk wordt uitgebreid met een aantal tips om rondom de onderhavige veiligheidskwestie een veilig klimaat te creëren.
In samenhang hiermee eis ik dat men acuut stopt met op moeras gefundeerde, angst-neurotische hersenspinsels, die zich bedienen van uitroepen, die er schijnbaar toe doen, zoals: “de werkplek van de beiaardier is zo veilig als vlees in een hondenkot”. U weet inmiddels dat hiermee de veiligheid geenszins wordt bevorderd, en dat in een klimaat van angst en onveiligheid - paradoxaal genoeg - de roep om veiligheid juist wordt versterkt: hoe veiliger hoe onveiliger luidt daarom mijn adagium. Of, zoals men in het latijn zegt:
" Securitas et suspicione in proces dialectica evolvuntur in persecutionem compulsivam quae graviter imminent libertationes humante" ( veiligheid en onveiligheid ontwikkelen zich in een dialectisch proces tot een dwangmatig streven dat de menselijke vrijheid van handelen ernstig bedreigt )
Maar ten aanzien van zijn verwijt aan gedaagde, dat hij een kaalvretende schoenlapper zou zijn en een mummieteerder, wat bij het bimbambeieren onwaar is bevonden, zoals voornoemde heel goed heeft aangetoond, veroordeelt het hof hem tot het tijdig delen van informatie, het stimuleren van jobcrafting, het bewust en structureel afbouwen van de maakbaarheidsutopie en drie grote glazen gestremde melk, gekruid, gediredondijnd en gepepernageld zoals dat in onze streek te doen gebruikelijk is, te betalen aan voornoemde gedaagde op 15 augustus in mei.
Maar voornoemde gedaagde zal zelf gehouden zijn om hooi en met dril vermengde en goed met de rol gezifte hede te leveren en zijn kwetsbaarheid als leider niet langer te verbergen bij de monding van de gutturale valkuilen.
En, vrienden, als tevoren, zonder kosten. Einde van de zaak.”
Na dit vonnis gingen beide partijen uiteen, tevreden over het vonnis, wat aan het ongelooflijke grensde, want dat twee partijen die in een proces tegenover elkaar staan, beide even tevreden zijn over het eindvonnis, dat is sinds de milieucrisis niet meer voorgekomen en zal de eerste dertien jubeljaren niet nog eens voorkomen.
Pantagruel waarschuwde nog eens de uitspraak niet aan zijn laars te lappen: men liep 100% risico, zo zei hij, bij overtreding ogenblikkelijk in zijn kraag te worden gegrepen. “Want”, zo voegde hij er tenslotte nog aan toe: “Ik zit hier niet voor de kat z’n hilariteiten-kabinet!”
Lang leve de beiaardier!!
'Dagboek 12'
BISSCHOPPELIJKs
Jarenlang was ik als pianist verbonden aan de Emmausparochie in de Tilburgse wijk Reeshof. In die hoedanigheid begeleidde ik kinder-, jongeren- en volwassenenkoren tijdens de zondagsdienst, belangrijke kerkelijke gebeurtenissen, communievieringen, etc.
Twee gebeurtenissen, of liever, één gebeurtenis en een reeks van gebeurtenissen ( van ongeveer september 2006 tot ongeveer maart/april 2007) maakten dat ik –samen met een grote groep vrijwilligers en andere parochianen – in 2007 de Emmausparochie vaarwel heb gezegd.
De eerste gebeurtenis betreft een bijzondere, zeer persoonlijke ervaring. Ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van de Emmausparochie werd de bisschop van ’s-Hertogenbosch uitgenodigd deel te nemen aan de feestelijke viering in de parochiekerk. Nu kende ik de man al sinds mijn studietijd: ik kende hem van mijn theologiestudie aan de Theologische Faculteit Tilburg.
Enkele keren heb ik hem opgezocht in de binnenstad van Tilburg, waar hij met enkele studenten in een soort communautair verband leefde. De indruk die hij maakte –zo herinner ik mij althans die korte ontmoetingen - was die van een beheerste, enigszins zijige minzaamheid, van een niet onvriendelijke afstandelijkheid.
Toen hij jaren later tegenover ons woonde maakte hij op mij dezelfde indruk. Opvallend was wel, dat hij in die “bewogen” dagen van de jaren ’70 in mijn herinnering nauwelijks deelnam aan het studentenleven, noch aan het leven in zijn directe woonomgeving, zoals zich dat toen, althans voor veel jonge mensen, manifesteerde op straat, in de wijk, en last but not least in de kroeg.
A.was inmiddels bisschop geworden en ik trof hem op die minder pontificale morgen in de parochiekerk aan, zittend in een stoel ((ik weet niet meer, of het een bijzondere stoel betrof, of dat vrijwilligers uit de parochie voor een speciale bisschopszetel hadden gezorgd ). Opgewonden en verwachtingsvol liep ik naar hem toe, wilde hem de hand schudden, zei nog wie ik was, en toen….Niets!
Het was nagenoeg onmogelijk om mij niet te herkennen, tenzij in een vlaag van verstandsverbijstering; of was het zijn bisschoppelijke waardigheid die hem zelfs niet de minste blijk van herkenning toestond? Hoe dat ook zij, hij vertrok geen spier, bleef strak voor zich uit kijken en ik weet zeker dat zijn rechtgelovige blik op oneindig stond. Misschien was hij op dat moment ook wel dicht in de buurt van de Oneindige. Dat zij hem vergeven.
Geheel van mijn stuk heb ik daarna mijn gewone plaats achter de piano ingenomen. Hoewel ik zelf met het instituut kerk bepaald geen innige band onderhield, zou ik de bisschop graag de hand hebben willen schudden, geheel a titre personel, als mens om zo te zeggen.
Van de bisschop als bisschop had ik echter ook niet veel te verwachten.
Uit het onderzoek naar het het Nederlands Pastoraal Concilie en de doorwerking ervan in het Nederlandse katholicisme was zonneklaar gebleken dat het vooral de bisschoppen waren die als instrument fungeerden en ook verantwoordelijk waren voor het restauratieve, door Rome verordonneerde beleid dat bedoeld was om orde op zaken te stellen in de Nederlandse kerkprovincie en voornoemde bisschop was van dit beleid een duidelijke representant.
Ik was me hiervan bewust, toen ik hem de hand wilde schudden.
Dat de uitkomsten van ons onderzoek pijnlijk juist waren, moge ook blijken uit de reeks gebeurtenissen die ik enkele jaren later in de Tilburgse Emmausparochie aan den lijve mocht ondervinden. De kwetsende, kille en afstandelijke houding waarmee ik door de bisschop was bejegend, bleek exemplarisch te zijn voor de rigiditeit van een beleid dat in zijn naam werd gevoerd tegen een kritische maar redelijke, tegen een vrijzinnige maar brave Emmausparochie .
Deze bisschop was rechtstreeks verantwoordelijk voor wat zijn priester, de BN-er Pastoor Schilder, in de parochie had aangericht.
Wie luisterde naar het relaas van een groep parochianen achteraf, viel het op hoe koelbloedig en respectloos de hele operatie is uitgevoerd: in het geheel niet afgestemd op samenwerking of begaan met het geloofsbeleving van veel parochianen volgde Schilder zijn eigen door de bisschop gelegitimeerde koers, in de absolute, door niets en niemand te stuiten overtuiging van de juistheid van zijn missie.
“Dat een zo bloeiende parochie in slechts vijf maanden tijd zo het onderspit moet delven is een trieste constatering. Hoe triest het ook is, de snelst groeiende parochie in Nederland is inmiddels de snelst leeglopende parochie van ons land geworden”, heette het in een nieuwsbrief van die dagen.
Stuitend bij dit alles is het uitblijven van enig initiatief van de bisschop om de schade nog enigszins te beperken; zelf bleef hij geheel buiten schot, letterlijk op afstand, juist op momenten dat de aanwezigheid van zijn persoon nog enig gewicht in de schaal had kunnen leggen. Maar juist hier wringt de schoen, want wat koop je voor de aanwezigheid van iemand, die onder dwang van een hoger dan menselijk belang zijn persoonlijkheid onder geforceerde controle moet houden, het meeste van alles nog zijn emoties, die de ijzeren wil moeten worden opgelegd van hun meester, die weer onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eist van Zijn dienaar. De heiligheid van een dergelijk ambt behoort niet gecompromitteerd worden door al te menselijke gebeurtenissen. Zo heb ik dat begrepen.De hiërarchische structuur van de rooms-katholieke kerk maakte bovendien direct duidelijk waar de macht lag em nog steeds ligt. Wie daaraan twijfelt, is verloren…
Niet alleen heeft de bisschop het ambt zodanig onderdanig en katholiek “ingevuld” dat het (weer) naar de pijpen danst van het kerkelijke gezag dat boven hem is gesteld, ook heeft het van de bisschop een marionet-achtige figuur gemaakt, die aan de touwtjes trekt van zijn eigen persoonlijkheid.
Beheerstheid en zelfcontrole in dienst van een heilige missie, onbewogenheid en onaangedaanheid in het ten uitvoer brengen daarvan, contactgestoordheid als gevolg van een religieuze zelfvoldaanheid; het is de prijs van een vernauwde en versteende blik, die van die zelfvoldaanheid juist niet de (als nederigheid vermomde) religieuze arrogantie ziet, maar uitsluitend het absolute en rotsvaste geloof in de enige, ware geloofstraditie.
De beheerste minzaamheid en de niet onvriendelijke afstandelijkheid tijdens mijn eerste ontmoeting uit mijn studententijd hebben in de loop van de tijd de toen al twijfelachtige dosis menselijke spontaneïteit bijna geheel doen verdwijnen; was er nog iets van over?
De minzaamheid was veranderd in de grimas van een compromisloos sektarisme; ik voelde de afstandelijkheid en de neurotische beheerstheid van een ambtsbekleder, die zich bewust is van zijn plaatsbekledende positie op aarde en al te menselijke impulsen als zwakheden interpreteerde, zowel in zichzelf als in zijn bisdom.
Wie de waarheid denkt in pacht te hebben, maakt de ziel op den duur rijp voor krampachtige aandoeningen en ontwikkelt een houding met neigingen tot verstokt gedrag. Zodra een oprechte interesse in - en nieuwsgierigheid naar de juistheid van de eigen overtuiging verdwijnt, en wanneer die niet voortdurend wordt gevoed bijv. in een goed en kritisch gesprek met andersdenkenden, zijn verstarring in het denken, afremmen van persoonlijke ontwikkeling en ambtelijke verstening het gevolg.
Het bevriezen van de menselijke spontaneïteit en het kille beleidsdenken bleken twee kanten van dezelfde monseigneur.
'Dagboek 1', Fons Mommers, piano
Er waren eens zeven kikkertjes ( voor jong en oud )
Er waren eens zeven kikkertjes.
Vader Regnar, moeder Deardeth, en hun vijf kinderen Galmek, Aliyah, Hurgram, Balrom en Jendille. Zij woonden in Woynar, een boerensloot vlakbij het bos Frog Fren. Als de sloot was dichtgevroren, lagen ze halfdood te slapen. Soms droomde de oudste kikker Galmek dat de lente was aangebroken. Dromen en slapen, dat was het enige wat ze konden in de winter. Brak de lente eenmaal aan, dan spatte het plezier in het leven er van af. Ze kwekten en kwaakten dat het een lieve lust was.
Dat kunnen jullie je wel voorstellen!
Omdat vader Regnar en moeder Deardeth het beste voor hadden met hun kinderen, deden ze wat talloze andere kikkertjes ook deden: ze kwamen dan in grote getale bij elkaar op een veilige plek aan de rand van de boerensloot om te kwaakspraken. Ze luisterden om te beginnen naar Brulkikker, die met zijn brede bek met groot gemak de achterste rijen kikkertjes bereikte. Hij wees op de gevaren die de boerensloot bedreigden en haalde met zijn enorme kwaakblaas en halsloze dikke kop scherp uit naar de agressiviteit van de mensdieren die in alles wat ze deden nietsontziend hun eigen voordeel zochten. De boerensloot was al jaren, vooral door hun toedoen, sterk aan het vervuilen. Op den duur zouden ze daar niet kunnen blijven.
Zoveel was duidelijk. De boerensloot was in gevaar, snap je?
Er moest iets gebeuren, maar wat?
Toen Galmek, de oudste van het stel, voor de eerste keer mee mocht naar het kwaakspraken, was hij beduusd van alles wat hij hoorde. Hij wist niet goed wat hij er van denken moest. Maar goede raad is duur, dacht hij. Hij trok de stoute schoenen aan over zijn lange, sterke en gespierde achterpoten en sprong in drie keer naar Fargram de salamander en vroeg Fargram, heb je even tijd voor mij?
De salamander was een koele kikker en dacht lang na. Tenslotte zei hij, waar kikkers zijn daar is ook water, en zweeg daarna lange tijd. Fargram was iemand die in raadselen sprak.Toen Galmek wilde opstappen omdat hij niet begreep wat Fargram bedoelde en alsmaar bleef zwijgen, riep Fargram plotseling, maak werk van het blauwzwerk, wat volgens Galmek zoveel betekende als, zoek het hogerop, maar wat dat betekende, wist hij ook niet precies.
Hij legde het vader Regnar en moeder Deardeth voor en zij prezen Galmek om zijn moed. Salamanders waren lang niet altijd te vertrouwen, en zeker niet als ze honger hadden. Maar goed, het blauwzwerk, zeiden de ouders, was het hogere doel van een kikkerleven. Fargram beschikte wat dat betreft over kennis, waar Galbek nog geen notie van had, maar hij begreep wel dat zijn ouders het volste vertrouwen hadden in de salamander. Met het blauwzwerk als richtsnoer in het leven kwam het goed met alle kikkertjes. Daar kwam uiteindelijk alles op neer.
Alles goed en wel, dacht Galbek, maar wat koop ik daar voor?
Er moet nu gehandeld worden en wel snel! Maak werk van het blauwzwerk, maak werk van het blauwzwerk, Galbek bleef het maar voor zich uit prevelen, toen hij opeens bedacht: ja natuurlijk, wij moeten het hogerop zoeken, hogerop gaan wónen, natuurlijk!, dát is het, want hij had gehoord dat de hele boerensloot binnenkort door de mensdieren op de schop werd genomen.
Diep in het water naar de bodem is geen optie, daar ging je alleen naar toe als het winter werd, in de sloot blijven zitten is ook geen optie, uit de sloot de hoogte in, de bomen of de struiken in, dat was de enige kans om te overleven! En dan moest je nog maar hopen dat de arrogante mensdieren de groene oevers van de boerensloot met rust zouden laten! De kans daarop was de laatste tijd wel iets groter geworden, maar je wist het nooit met dat hebberige hersenbeest!
Enfin, hoe dan ook!
Regnar en Deardeth verzetten zich hevig tegen het plan van Galbek. Galbek wist, dat Regnar kon veranderen in een echte driftkikker en, inderdaad, hij begon te schreeuwen "nee, nee, we blijven in de boerensloot, wat denk je wel, brutale kikker. Wie denk je wel dat je bent om de loop van de dingen op deze manier te kunnen verstoren en zo tegen het werk van blauwzwerk in te gaan", want uit alles kon je opmaken dat hun vertrouwen in blauwzwerk onbegrensd was. Dat hadden ze van Fargram, die er heilig in geloofde…
Galbek kwam zo voor een dilemma te staan, moet ik mijn ouders gehoorzamen of zoek ik het hogerop. Hij wilde het best hogerop zoeken, dat wel, niet in blauwzwerk maar in het hoger gelegen groen aan de rand van de boerensloot. En misschien hoorde daar wel de bomen bij. Leven in de bomen, dat was pas echt hogerop!
Hoog maar droog, dacht ie bij zichzelf. Dan worden we op den duur maar landkikkers! Galbek was niet bang voor avontuur en op een of andere manier werd hij hierom ook bewonderd door de anderen. Behalve door zijn vader Regnar dan, want die had voor Galbek een ander script in gedachten. Regnar had steeds gehoopt stiekem dat Galbek zo iemand zou worden als Fargram.
Mooi niet!
Aliyah, Hurgram, Balrom en Jendille begrepen niets van de urgentie, die Galbek uitstraalde, maar wilden toch met Galbek mee, omdat het moment dat ook zij de ouderlijke kluit zouden moeten verlaten, spoedig zou aanbreken:
Aliyah, omdat ze met kikker Kulm voor nageslacht ging zorgen; Hurgram, omdat hij bevriend was met een kikker aan de andere kant van de sloot en omdat hij stress en moeilijkheden zoveel mogelijk probeerde te ontwijken, - had zijn oudste broer al niet genoeg voor stress gezorgd thuis? - van vader Regnar hoefde hij niet veel te verwachten; die zat op zulke dingen als een verhuizing niet bepaald te wachten; hij zou zeker overspannen reageren en dat is nog zacht uitgedrukt; hij zou bol staan van de stress, niet te harden voor de andere gezinsleden. Alleen al de gedachte!, en Balrom, omdat hij graag ondernemer wilde worden in zwemvliezen voor jonge kikkers en inzag, dat hiervan niets terecht zou komen als alles bij het oude bleef. Ook hij had erg weinig vertrouwen in zijn vader Regnar, die hem nog nooit iets fatsoenlijks had bijgebracht; Balrom wist van toeten noch blazen als het bijvoorbeeld ging over het afzetten van eitjes in water, het fluitend lokken van een meisjeskikker. Zijn vader wist niet eens waar de staart was gebleven, waarmee hij ter wereld was gekomen. Waarom verdween die tijdens de pubertijd? Fargram hoede je dat niet te vragen, want die verkeerde altijd in hogere sferen.
Balrom had er een trauma van over gehouden, zo leek het, want praten deed ie nauwelijks en als ie wat zei, dan was het met een kikker in de keel. En ach, dan had je ook nog Jendille, die was net uit haar larve-periode en hard op weg volwassen te worden, dus die had het daar druk genoeg mee. Galbek had haar beloofd te helpen verhuizen. Daar vertrouwde ze op.
Zo gezegd zo gedaan. Regnar en Deardeth hadden besloten de boerensloot niet te verlaten, omdat ze heilig geloofden in het blauwzwerk waar ze na hun dood mochten uitrusten van het zware leven in de boerensloot. Deardeth had zich geschikt naar het woord van haar man. Dat deed ze al haar leven lang. Haar ondergeschikte rol had ze geaccepteerd vanaf het moment dat ze heilig geloofde in de verhalen van Fargram.
Galbek en de vier andere kikkertjes verhuisden naar een plek in de bomen aan de rand van de ouderlijke boerensloot. Na een aantal jaren, Renar en Deardeth waren intussen een jammerlijke dood gestorven in de vervuilde sloot, besloten de mensdieren de boerensloot te dempen, bomen en struiken te verwijderen en de vrijgekomen grond bouwrijp te maken voor nog meer industrie. Het leek wel of daar nooit een eind aan kwam…
Opnieuw eigenden de mensdieren zich weer heel brutaal een stuk grond toe, terwille van wat zij de Vooruitgang noemden, wat dat ook wezen mocht. Het ging in dit geval ten koste van de zeven kikkertjes, die nooit meer zouden kwekken en kwaken.
De boerensloot was voorgoed verdwenen van de aardbodem. De zeven kikkertjes waren allemaal dood, niet van honger en verdriet, maar vanwege de inhaligheid van de mensdieren die zulke dingen bedachten en toelieten.
Erg hè?
'Dagboek' 6
sprookje van de zwarthaarmelkzweefvliEG (voor jong en oud)
Ik ben een zwarthaarmelkzweefvlieg. Een zwart beest, met een melkwitte vlek midden op het lijf en een harig borststuk. Ik behoor tot een soort die pas kort geleden werd opgemerkt. In 1998 keek een Duitse wetenschapper nog eens goed naar de zweefvliegensoorten die hij voor zich had, en ineens zag hij dat niet alle withaarmelkzweefvliegen, mijn directe familie zeg maar, hetzelfde waren.
Daarom werd ik de zwarthaarmelkzweefvlieg genoemd, Leucozona inopinata, ‘de onverwachte’.
Ik ben in 2012 voor het laatst gezien in het wild. Wie mij wil tegenkomen in Nederland, moet naar museum Naturalis. Ik woonde in loof - en naaldbossen met weelderige ondergroei op een rijke bodem van rivierklei, löss, leem of mergel. Vaak was ik te vinden aan de rand van bossen. Ik vloog laag en snel door de vegetatie of ik zat op bloemen en bladeren op zonbeschenen plekken, het liefst op aalbessen, bramen en witte schermbloemen zoals het zevenblad.
2010 was mijn gelukkigste jaar. Toen ik op een mooie zonnige dag wilde beginnen aan mijn dagelijkse middagdutje, kwam er een bijzondere zweefvlieg naast mij op het zevenblad zitten. Hij was groot en knap, zijn gezicht was naar beneden verlengd, had een gepluimde antenneborstel, vleugels met een donkere vlek in het midden, en een verdikte achterdij. Je begrijpt, ik kon mijn ogen niet van hem af houden. Hij was groot, zeker 5 millimeter groter dan ik. Hij vertelde dat ie hield van blauw-violette bloemen zoals duifkruid en knoopkruid en dat ie net als echte hommels helemaal in de bloem kon kruipen. Hij behoorde tot de familie fophommels, een familie die veel filosofen in haar gelederen telde. In zijn hart echter voelde hij zich acteur: hij kon behalve hommels ook nog andere insecten nadoen, waaronder de wesp, de bij maar de libelle was de rol die hij het liefst speelde. Waarom wist ie zelf ook niet, maar het kwam van diep.
Hij vertelde verder dat ie niet kon zonder z’n rugzakje.
Ik was nieuwsgierig en vroeg hem wat er in zat.
Een boek, zei hij en haalde het boek tevoorschijn. Met grote letters las ik:
À LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU
Wat betekent dat?, vroeg ik
Eerlijk gezegd begrijp ík het ook niet helemaal, bekende de fophommel
Maar waarom lees je het dan?, dat verbaast me.
De fophommel wist daar geen antwoord op en raakte zichtbaar in verlegenheid.
Ja, zei hij, ik lees het ook eigenlijk niet. Ik bekijk alleen maar af en toe de titel. Het mag gek klinken, maar telkens als ik die woorden zie, ga ik vanzelf een beetje dieper denken. Ik begin dan te voelen dat ik een redelijk wezen ben, met verstand en inzicht begaafd, een …een…, kortom een fophommel.
Dus jij doet eigenlijk alsof je leest. Je wilt alleen maar indruk maken?
En weer raakte de fophommel in grote verlegenheid.
Hij zweeg lang in alle talen…
De zwarthaarmelkzweefvlieg was enigszins aangeslagen en ze vroeg zich af of hij in werkelijkheid wel de zweefvlieg was die zich voordeed als fophommel of dat hij in werkelijkheid een echte fophommel was, die haar iets op de mouw spelde om indruk te maken…
En dan nog iets: hij vertelde mij dat ie elk jaar op vakantie ging naar kruidenrijke weitjes in Frankrijk, dat ie daar het boek had gekocht dat ie nog nooit gelezen had. Ook kwam ie wel eens bij wegbermen in de buurt van oude bossen in België.
Volgens hem omdat daar veel hop was te vinden en fophommels zouden dat nodig hebben. Wat daar weer van te denken?
Op een dag gebeurde er iets wonderlijks; op een van de eerste dagen dat we elkaar kenden, begon hij plotseling vlak voor mijn ogen schielijke bochten te maken met een vervaarlijk zoemend geluid; het leek wel of ie iets heel bijzonders van plan was. En inderdaad, want daarna ging ie zonder een woord te zeggen op mij zitten! Samen vlogen we omhoog, hoger en hoger, hoger dan ik ooit had gevlogen, zeker twee meter! Geruime tijd bleven we in de lucht zweven totdat we landden op een braamblad. Ik mag wel zeggen, een vliegende start van onze relatie die de hele zomer van 2010 nog zou duren.
In een loofbos vlakbij een rivier zagen wij dat jaar elkaar voor de laatste keer. Hij keek mij indringend aan en zei dat het toch beter voor ons beiden was als we ons voortaan aan de regels van de soort zouden houden, beter voor de voortplanting en zo. De bekende praatjes…je kent ze wel.
Tja, dat was het dan.
Hierna vloog ie alleen weg, mijn kloothommel.
'Dagboek 3'
'Dagboek 14'
SALAMANDERFABEL
naar de roman van Karel Capek ( * )
Op een dag deden de mensen een ontdekking! Van heel bijzondere dieren! Niemand op aarde had ze nog ooit gezien. Ze leken op reusachtige salamanders en leefden op verschillende plekken in de diepte van de Stille Oceaan. Ze konden praten, zo bleek, zij het met een krassend stemgeluid. Ze beschikten maar over zo’n 400 woorden.
Ze konden misschien wel niet zo goed praten, maar ze waren wel heel technisch: ze konden dammen, dijken en golfbrekers bouwen, havens en kanalen uitdiepen, kustlijnen versterken, land winnen en…parels vissen. De mensen waren dol op parels. Dus dat kwam goed uit. De mensen gebruikten de Salamanders niet alleen voor parels: Salamanders kon je inzetten voor van alles en nog wat. De mensen begonnen een levendige handel in Salamanders. Voor eigen gewin, dat begrijp je!
De mensen dachten een fantastische toekomst tegemoet te gaan, dankzij allerlei projecten die ze met behulp van de Salamanders konden realiseren. Je kon ze gebruiken bij alle grote werken die met water van doen hadden. Een gouden toekomst brak aan! Dat dachten de mensen tenminste!
Wat waren het voor wezens eigenlijk, die Salamanders? Ze konden rechtop lopen maar vraag niet hoe, het was meer waggelen wat ze deden. Hun intelligentie was gemiddeld en niet bijzonder. Ze beschikten ook niet over bijzondere eigenschappen; achteraf bleken ze tamelijk saai te zijn… Waarom ze uit onbekende diepten van de oceaan waren opgedoken… god mag het weten.
Om ze te trainen, en nog beter van hun diensten gebruik te kunnen maken, richtten de mensen zogenaamde Reformscholen voor ze op. Dat waren scholen, die hoofdzakelijk gericht waren op technologische vorming en maar wel volgens hypermoderne pedagogische inzichten te werk gingen.
Hoewel de Salamanders op school snel bijleerden, liet hun taalgebruik nogal te wensen over; deels vanwege hun merkwaardige spraakorganen, deels omdat ze woorden met veel lettergrepen moeilijk konden uitspreken; ze hadden duidelijk een voorkeur voor korte woorden die ze dan enigszins kwakend uitstootten. Vaak zeiden ze “l” ipv “r” en bij woorden met een “s” slisten ze een beetje.
Maar goed, al met al raakten ze steeds meer ingeburgerd in de maatschappij. Ze werden langzaam maar zeker voor veel mensen een voorbeeld van productiviteit, van nut, van efficiency, van ijver. Daar konden de mensen nog een puntje aan zuigen, vonden ze. Ze gingen de Salamanders bewonderen omdat ze toch maar mooi voor meer welvaart en vooruitgang zorgden.
Veel mensen begonnen te begrijpen dat het ouderwetse mensen-tijdperk begon af te brokkelen. Daarvoor in de plaats zou binnenkort het Gouden Salamander-tijdperk aanbreken van ongekende welvaart voor iedereen! De mensen geloofden het: ze gingen geloven in de revolutie van de Salamanders!! Salamanders gaan niet gebukt onder onbereikbare idealen, ouderwetse tradities en heel die vermolmde, vervelende, pedante zooi die met geschiedenis, poëzie, muziek, literatuur, filosofie en cultuur in het algemeen wordt aangeduid. Dat hoorde allemaal tot de oude beschaving.
De Salamanders waren zo succescol in het gebruik van cijfers, machines en computers, dat ze de wereld van de mensen begonnen te versalamanderen, dwz in te richten, geheel volgens eigen goeddunken. Ze voelden zich niet alleen gelijkwaardig aan de mensen. Ze lieten duidelijk merken dat ze superieur waren. Van de mensen en hun beschaving hadden ze weliswaar veel geleerd, maar nu werd het tijd om de ménsen een lesje te leren.. Zo dachten ze en veel mensen dachten niet anders. Of ze dachten er helemaal niet over na. Dat kon ook.
Het uiteindelijk doel van de Salamanders was niets meer en niets minder dan de uitbreiding van hun levensruimte. Dat wilden ze bereiken door alle wereldzeeën in bezit te nemen middels het tot zinken brengen van het vasteland en met name de kuststreken.Gespecialiseerd als ze waren in onderwater-operaties maakten ze daarbij slim gebruik van zogenaamde klimaatkantelpunten in het ijs op de Noordpool en de ijskap op Groenland. Ook zorgden ze voor een versnelling van de dooi van de permafrost in de noordelijke toendra’s. Daarmee konden ze de mensen, in het bijzonder de mensen die in de kuststreken woonden, chanteren en onder druk zetten. En dat lukte!
Tegenover zoveel dreiging en machtsvertoon voelden de mensen zich machteloos. Dat is te begrijpen, want moet je kijken hoe de mensen elkáár al onder druk zetten en waar ze zélf allemaal al om vochten! Ze vochten om macht, om prestige, om invloed, om roem, om markten en wat niet al! En daar kwamen die Salamanders dan nog bij!! Ze hadden al meer dan genoeg aan zichzelf!
Maar gek genoeg zou dat misschien ook wel de enige redding voor de mensen kunnen zijn, want waarom zouden de Salamanders zélf dan geen onderlinge strijd kunnen voeren net zoals de mensen dat altijd hadden gedaan? Het zou raar zijn als ze van de mensen niet hadden geleerd hoeveel strijd er nodig was om geschiedenis te maken. Toch?
Dat zou uiteindelijk tot een Wereldoorlog van Salamanders tegen Salamanders kunnen leiden…bijvoorbeeld uit naam van het Zuivere Salamanderdom, of Nationale Roem, of Grootheid van de Traditie…of, heel banaal, oorlog om een stuk grond met bodemschatten, precies zoals ze dat van de mensen hadden geleerd! Make Salamanders great again!
En zo gebeurde! De oostelijke Salamanders ergerden zich groen en geel aan de inhalige westelijke Salamanders en andersom. In de oorlog die volgde kenden ze voor elkaar geen enkel pardon; ze lieten geen spaan heel van elkaar. Ze hadden hun lesje van de mensen goed geleerd!
En de mensen? Na de grote Salamanderoorlog begonnen ze geleidelijk uit de bergen terug te keren naar wat over is van hun vasteland, maar de oceaan zou nog lang vergeven zijn van de stank van rottende Salamanders. Door de aanslibbing van de rivieren groeide het land langzamerhand weer aan; de zee trok zich stap voor stap terug en alles werd bijna weer zoals vroeger. Er ontstond een nieuwe legende: over een wereldoverstroming die door god werd gestuurd voor de zonden van de mensen.
( * )
Oorlog met de salamanders (Tsjechisch: Válka s mloky) is een sciencefictionroman van de Tsjechische schrijver Karel Čapek.
'Dagboek 22'
ANDY’S MISSIE
naar de roman van Karel Capek ( * )
Een Nederlandse kapitein vindt op Tanah Masa (verzonnen) in de Soenda-eilanden een grot waarin oesters hun parels maken; die grot wordt bewaakt door geesten, de salamanders aldaar hebben daar geen last van, maar wel van de haaien die in die omgeving zwemmen. Het blijkt dat de salamanders enige intelligentie bezitten zodat er met hun gecommuniceerd kan worden; ze vragen de mensen wapens te leveren, om de haaien te kunnen verjagen of te kunnen doden, zodat ze hun tijd efficiënter besteden aan het opduiken van parels. Uiteraard voor de mensen, want de mensen zijn gek op parels.
Er wordt druk gehandeld in salamanders, die als slaven geëxploiteerd worden; ze vestigen zich meestal in de kustgebieden, want ze blijven zout water nodig hebben. De salamanders hebben steeds meer ruimte nodig, ze gaan de mensen chanteren en laten steeds meer kuststroken onder water lopen, zodat de mensen zich steeds verder moeten terugtrekken, de mensen zelf raken steeds meer verdeeld over de aanpak; de enige hoop die de mensheid nog kan koesteren is dat de salamanders uiteindelijk oorlog binnen de soort gaan voeren, maar ook dan is er een lange weg te gaan; het (zee)water zal voor langere tijd onbruikbaar blijven.
Elke salamanderfamilie bestaat uit ongeveer honderd salamanders. Ze hebben geen naam, zijn onderling inwisselbaar en kennen nauwelijks gezagsverhoudingen. Het leven is georganiseerd volgens een bepaalde arbeidsdeling, maar de grenzen tussen de verschillende werkeenheden zijn variabel. De enige strenge grens die getrokken wordt in de salamander-clan is die tussen volwassen leden en de jonge salamandertjes, de larfjes, maar ook zij worden als groep en zonder aanziens des persoons op een veilige plek gestationeerd als de volwassenen aan het werk zijn.
Andy is een telg van de grote salamander-familie Scheuchzer, die in de diepte van de oceaan woont en parels verzamelt. De naam Scheuchzer verwijst naar een salamandersoort, die genoemd is naar de historische figuur en onderzoeker Andrias Scheuchzeri, bijnaam Andy.
Binnen de familie Scheuchzer valt Andy op door zijn grote gestalte, zijn heldere ogen, maar vooral door zijn brein, dat uitgerust is met een grote dosis nieuwsgierigheid. Dat was in de hele familie tot dan toe niet voorgekomen.
Zo verliet hij regelmatig de clan om naar boven te zwemmen, of het strand op te gaan, waar hij mensen tegenkwam, die graag een praatje met hem wilde maken vanwege zijn onalledaagse uiterlijk. Aanvankelijk boezemde hij de mensen angst in, maar al vlug leerde hij aardig en voorkomend te zijn. Dat werkte het beste.Hij had een voorkeur voor mensen uit Nederland, meestal op het strand van Scheveningen en sprak binnen korte tijd al een aardig woordje Nederlands.
Dat ging hem zo goed af, dat hij een gebrekkige beheersing van het Nederlands kon simuleren, zonder dat zijn gesprekspartners het door hadden. Hij merkte dat hij door een klungelige en een voor Nederlanders vaak grappige manier van spreken de mensen gemakkelijk voor zich kon winnen.
Zijn schijnbare onnozelheid zorgde ervoor dat mensen hem sympathiek begonnen te vinden en graag een babbeltje met hem wilden maken. De Nederlanders van hun kant konden zich altijd laten voorstaan op een correct taalgebruik, waarmee ze hun
superioriteit weer eens konden bewijzen, niet wetend dat achter Andy’s zogenaamde onbeholpenheid en gespeelde vriendelijkheid een snood plan schuilging.
Het realiseren van dat plan was Andy’s missie. Aanvankelijk hield Andy het geheim nog vóór zich, maar tijdens de ontmoeting met bioloog Thomas Greggs kon Andy zich niet langer inhouden.Voor het eerst onthulde Andy zijn werkelijke, maar onrustbarende bedoeling. Thomas is een Britse salamander-expert; hij is nieuwsgierig en tegelijkertijd naïef, omdat hij als traditioneel wetenschapper niet in staat is de ethische en sociaal-politieke implicaties te doorzien van Andy’s missie.
Andy ontmoet Thomas op het strand. Hun gesprek ging als volgt:
Andy
Mijn naam is Andy, ik ben een salamander, ik wil graag de goede persoon te vinden.
Thomas
Ja, dat kan, Andy, ik ben een mens, ik ben niet bang voor salamanders, zeg het maar. Waarmee kan ik je van dienst zijn?
Andy
Ik wil graag om kennis te maken met u meer dicht en erachter.
Thomas
Om te beginnen ben ik een mens, een doodgewoon mens.
Andy
Elke andere antwoord is goed, als is het interessant om u vervolgens beter
goed te kennen leren.
Thomas
Hier is mijn mailadres: superhuman@earthquake 66.
Andy
Dank u, maar zie u graag in een levend lijf.
Thomas
Oké, Andy, zie hier een mens, Thomas is de naam.
Andy
Ik ben zeer love humans, zij hebben mij geleerd de taal is je huis, maar helaas nog steeds gebrekkig.
Thomas
Zeker, Andy, je hoeft de taal niet perfect te spreken, je mag fouten maken.
Andy
Ik hoop dat je er niet tegen.
Thomas
Stralen door falen zeggen wij mensen.
Andy
Wij als kunnen uitwisselen een foto, zelfs erotische als moet.
Thomas
Nee, Andy ( Thomas lacht…) hoeft niet.
Andy
Kan ook Nederlandse brief schrijven als het interessant is aan u, maar u bent hier
toch, dus…
Thomas
Nee, hoeft niet, Andy
Andy
Bij u goed voelen! Als ik interessant is voor u, heb ik heel veel om je antwoord te wachten!
Thomas
Ik ga niet huggen, Andy, mijn huidhonger is sterk afgenomen.
Andy
Huidhonger?
Thomas
Geen knuffelbehoefte aan salamander-huid, vind je dat erg?
Andy
Nee, mijnheer, huid glibberig even van kikker of zeehond, soms allergisch voor mensen als mensen voor kat.
Thomas
Wanneer dan, Andy?
Andy
Moeilijk overdraagbaar gedachte, mijnheer, ik zal dit varkentje maar eens met paplepel wassen, mensen…ach…mensen, zijn…mensen zijn…laat ik maar niet zeggen.
Thomas
Zeg maar gerust, Andy, schaam je niet, toe maar!
Andy
Mensen zijn koeien, mijnheer, mensen bij horens vatten, voordat kalf verdronken is
ik bedoel CO2 in lucht dezelfde voor salamanders, dezelfde toekomst van dreiging beseft u zich ook?
Thomas
Jawel, Andy, dat weet ik wel, vervelend natuurlijk…maar - iets anders - heb je
weleens een vlucht ganzen gezien? Die gaan sneller door de lucht dan jij en je soortgenoten door het water!
Andy
De lucht ijl, mijnheel, water vochtig, niet mijn plobleem, maar managementissue, als u begint dit soolt vragen…die maken janboel in hoofd, vlaag lievel iets over het weel, auto’s, mijnheel, ovel honden…, of ovel voetbal…solly, mijnheel, heb last van tlugval, kan lll niet uitspleken.
Thomas
Heb je verstand van voetbal, Andy, wint Ajax van PSV?
Andy
Ja, natuulijk, mijnheel
Thomas
Hoezo, Andy?
Andy
PSV velliest.
Thomas
Fijn voor jou, Andy!
Andy
Avontuul boeken met onweelstaanbale leiskoltingen, ook fijn vool u, mijnheel?
Thomas
Mwa, gaat wel, Andy…en jij, waar hou jij van?
Andy
Veel eten, mijnheel, en palelverlmeeldeling.
Thomas
Parelvermeerdering?
Andy
Ja, mijnheel, palelverlmeeldeling en palelvelspleiding over héééééle weleld.
Thomas
O, parelvermeerdering, waarom, Andy?
Andy
Meel altijd betel dan mindel, mijnheel, alles, salamandels willen altijd alles hebben. Het brein van salamandels wil maal één ding, nog meel palels, nog meel en nog meel. Welk moet geld oplevelen, investelen moet lendelen, heb ik geleeld, mijnheel,op school,
Thomas
O ja? Alles willen hebben? Waar zijn jullie in godsnaam mee bezig en waarom?
Andy
Slechte vlaag, mijnheel, wat heeft gewone salamandel aan? palelvelmeeldeling altijd betel dan naal haaien gaan.
Thomas
Ja, ja…salamanders en parelvermeerdering, dat is het dus, zo zeg…!!
Andy
Het brein van salamandels wil maal één ding, nog meel palels, nog meel en nog meel, kan niet stoppen met nog meel, anders gefusteeld
Thomas
Gefrustreerd, zal je bedoelen, Andy, wat doen jullie dan nog meer dan eten, werken,
uitrusten en slapen en dat allemaal voor de parels?
Andy
Wat bedoelt u, mijnheel?
Thomas
Jullie leven voor de parels?
Andy
Gelukkig maal, mijnheel, pletstudies en hobby’s afgeschaft dus…
Thomas
Bestaat er verder niets, dat de moeite waard is om voor te leven, zit er niet meer in voor salamanders? Erg saai lijkt me, hoor!
Andy
Ik ben echt tliggered door die comment, mijnheel, ben beetje boos naar jou, dit kan
ik niet bij laten staan!
Thomas
Je wilt het er niet bij laten zitten, bedoel je, Andy
Andy
Welk moet geld oplevelen, investelen moet lendelen, heb ik geleeld, mijnheel,
op Lefolmschool, …
KRA KARHA,KARRHA,KRA, KRAAKH, AAHAAHRKA, RAKKAARKARRA.
RAHAARKAHAHA, BAHBAHRAHBARRAK, BAKARBAHBAAHRABBAK,
KRABARKBAHBAHAAHKRABAH, KRRRBAHKAARBAHKRABAH, AAAAAAAAAKRA KARHA,KARRHA,KRA,
Thomas
Oké, Andy, daar neem ik even een slokje wijn op, proost Andy!
Andy
U bent wel erg obsessed met die snack, mijnheel, dlinkt u ook wel eens een stukje in
klaag?
Thomas
Soms, Andy, veel wijn voor weinig geld stond ergens in de advertentie en daar
ben ik op afgegaan, € 50,- voor 100 flessen, daar zeg ik geen nee tegen.
Andy
Nondedju, mijnheel, een koopje!
Thomas
Zeg dat wel, Andy, maar afgezien van de wijn, is met jou alles goed, geen last
van een of andere stoornis, waar mensen vaak last van hebben? Salamanders
hebben weinig of geen vrije tijd, levert dat geen psychische problemen op?
Andy
Spychisch moeilijk beglip, heb ik niet geleeld op de Lefolmschool, laat ik het paald bij de teugels nemen, mijnheel…
Thomas
Je Nederlands is zo fout als een deur, Andy, het is de koe bij de horens nemen.
Andy
Oké, mijnheel, solly, maal wat heeft een gewone salamandel aan vlije tijd,
Veel vlije tijd zinloos, leidt tot ploductieverlies en onzekelheid bij salamandels
Thomas
Angst voor de vrijheid zal je bedoelen
Andy
Vlijheid, vlijheid, wat is vlijheid, mijnheer, waal heeft u het ovel?
Thomas
Dat je weet, dat je dood gaat en dat je weet vóór het zover is wat waardevol is om
voor te leven bijvoorbeeld…
Andy
Solly, mijnheel, maal salamandels zijn daal niet mee bezig, pule tijdvelspilling,
zonde van de enelgie, levelt alleen maal ploblemen op… tss…tsss…tsss
…voor salamandels bestaat dood niet, behalve als je dood bent, tss…tsss…tsssss…
Thomas
Dan bestaan volgens mij een heleboel andere dingen ook niet bij jullie Andy…liefde, schilderen, dansen, filosofie, muziek maken, melancholie…ik noem maar wat, klopt dat?
Andy
Veel te menselijk allemaal, mijnheel, salamandels gaan wel vool de ovelwinning op salamandelkankel… op den duul… want zovel is nog lang niet, SALAMANDELS MET KANKEL KUNNEN BLIJ ZIJN MET DE STAPPEN DIE ZIJN GEZET…maar melancholie, wat heeft gewone salamandel aan melancholie, mijnheel, een keel per jaal maandansen voor vluchtbaalheid, kwaken en blaffen is onze muziek, iedeleen blaffen en kwaken door elkaal. Plachtig mooi!
Thomas
Dat is geen muziek, Andy, dat noemen mensen kakofokwaken
KLA KALHA,KALLHA,KLA, KLAAKH, AAHAAHLKA, LAKKAALKALLA KAB AAL!!!
Andy
LAHAALKAHAHA, BAHBAHLAHBALLAK, BAKALBAHBAAHLABBAK, KABAAL,
KLABALKBAHBAHAAHKLABAH, KLLLBAHKAALBAHKLABAH, AAAAAAAAAH!!!
Thomas
Parelvermeerdering en parelverspreiding is dus jullie werk?
Andy
Ons werk is onze hobby, misschien een keertje naar DE PARELVISSERS VAN BIZET, een meesterwerk van de mensen. Ik heb de “r” weer terug, mijnheer!
KRA KARHA,KARRHA,KRA, KRAAKH, AAHAAHRKA, RAKKAARKARRA!!!
RAHAARKAHAHA, BAHBAHRAHBARRAK, BAKARBAHBAAHRABBAK,
KRABARKBAHBAHAAHKRABAH, KRRRBAHKAARBAHKRABAH, AAAAAAAAAH !!!!
Thomas
Waar doe je dat, Andy, parelduiken?
Andy
In Bahrein. Water ondiep. Oesterbanken mooi. Natuurlijke parels. Wanneer boven
water komen, parels in emmers doen. Dan weer duiken. Handen in mouwen
steken, mijnheer.
Thomas
Uit de mouwen, Andy.
Andy
Maar niet alle parels is goud wat blinkt.
Thomas
Niet alles is goud wat er blinkt.
Andy
Een echte challenge, mijnheer, maar wij beschikken veel skills. Dit jaar plan alle targets halen!
Thomas
Erg cool, Andy? Gaat het lukken?
Andy
Hebben nieuwe tools nodig.
Thomas
Zoals?
Andy
Messen. Veel messen. Voor doden haaien. Plus tools voor bewerken zeebodem
omvormen land in water. Wij extra resources nodig, o ja, stukken strand nodig voor
maken speeltuin voor larfjes…en mensen, veel mensen, alle mensen helpende hand in parelproductie.
Thomas
Zo, zo, Andy, dat is niet gering, je vraagt nogal wat van de mensen!
Andy
De parelvermeerdering echt een serieuze must-do, project met high priority, meer leefruimte voor salamanders, ja?
Thomas
Hoezo? En wij mensen dan?
Andy
Een great experience, wordt show-case van parelproductie, mijnheer, mensen
no problem, mensen zelfzuchtig. Steeds meer parels willen. Ja? Niet op
korte baan schuiven. Team gisteren besluit nemen. Door het huis de kogel.
Efficiënte work-flow nodig.Veel mensen nodig voor snelle productie, ook voor
stijging index salamanderaandelenkoers!
Thomas
Daar komt wel meer bij kijken, vrees ik… trouwens het is de kogel is door de
kerk ipv het huis en het is lange baan, niet vergeten, Andy!
Andy
Quick-fix toepassen, mijnheer.
Thomas
Quick-fix?
Andy
Snel doen, niet teveel nadenken, dan land inpikken voor parelvermeerdering
Thomas
Land inpikken? Wat zeg je nu? En de mensen dan?
Andy
Die moeten door de zure appel heen snijden
Thomas
Bijten, Andy
Andy
Whatever, mijnheer, mensen hebben voor ons low-priority
Thomas
O, zo, wat zeg je… Dat kan toch zo maar niet, Andy! En is dit allemaal nog te stoppen, Andy?
Andy
Nee, waarschijnlijk niet, wel veel visibility nodig voor project en een strak game-plan.
Salamanders nooit voor een kwartje op de eerste rang!
Thomas
Voor een dubbeltje, Andy ( zucht )
Andy
KKKRRRAKWAFRRRAAAASSSSSKR RRRKRAAKSSTSSTSST KRA
KARHA,KARRHA,KRA, KRAAKH, AAHAAHRKA, RAKKAARKARRA.
RAHAARKAHAHA, BAHBAHRAHBARRAK, BAKARBAHBAAHRABBAK,
Thomas
Er zijn veel politieke besluiten nodig om jullie ambitie te realiseren, denk je niet?
Andy
Politiek niet interessant voor salamanders niet, mijnheer, democratie overblijfsel
vroeger, voor salamanders maar één ding, parelvermeerdering en verspreiding over hele wereld, duidelijk? Beginnen met charme-offensief, niet goedschiks dan kwaadschiks, niet plotseling geweld gebruiken, altijd doen alsof reden hebt, manipuleren social media zogenaamde vrije meningsuiting, great visibility, ja? Dan Europa…
Thomas
Ja maar Andy, dat leidt vroeg of laat tot een dictatuur, dat weet je toch uit de geschiedenis?
Andy
Zal best, mijnheer, salamanders don’t love geschiedenis, salamanders zelf
geschiedenis schrijven, herschrijven, democratisch gekozen regeringen uit zadel
wippen, voorbereiden met cyberaanvallen, democratie weg, burgeroorlog en zaaien
angst, Mensen gewoontedieren, mensen aandoenlijke prutsers, en amateurs,
mensen schattig in hun tekortkomingen, mensen frivole flaneurs, wezens van één
dag, mijnheer, mensen één oneindige behoefte…aan meer, steeds meer…
Thomas
Is dat momenteel de geplande salamander-strategie, Andy? Wat een afschuwelijke toekomst staat de mensen dan te wachten!
Andy
Ja, mijnheer, jammer voor de mensen, maar de salamanders houden van aanpakken en doorpakken, eerst salamanders, dan mensen, that’s the deal!
KKKRRRAKWAFRRRSSSSTTTSSTTSSTTKRRRRKRAAKSSTSSTSSTSSTSS!!!
KRAKARHA,KARRHA,KRA, KRAAKH, AAHAAHRKA, RAKKAARKARRA,
RAHAARKAHAHA, BAHBAHRAHBARRAK, BAKARBAHBAAHRABBAK!!!
Thomas
Mensen zijn inderdaad dol op parels, andere parels, steeds nieuwe parels…misschien willen de mensen wel samenwerken met de salamanders, Andy
Andy
Misschien, heel misschien, mijnheer, samenwerking met mens vraagt om
moeilijkheden, iets waar ik me niet naar verheug en hoop, maar wat niet moet moet misschien heel erg wel. Wij Salamanders hééééél veel mensen kunnen gebruiken voor parelindustrie, als nuttige idioten, snap je?
Thomas
Ik ben een mens, Andy, wij zijn de planeet behoorlijk aan het verprutsen, inderdaad, gevaren op lange termijn zien we totaal niet, oké, inderdaad, Andy, we zijn wezens met een oneindige behoefte….aan parels… Maar er zijn ook mensen, Andy, die over een geweten beschikken! Voor hen zijn salamanders en mensen gelijkwaardige wezens! Willen jullie daar aub rekening mee houden?
Andy
Maakt u zich geen drukte, mijnheer Greggs, geweten zal uitsterven, mensen obsessed door parels…als samenwerking niet lukken vanwege mensen met geweten, wij maken aarde overstroomd met gróóóote zondvloed, na jullie salamanders opnieuw beginnen, dezelfde fouten maken ik hoop niet, o nee, ben niet bang, Thomas, mensen niet alle worden verzwelgt, dat niet, mensen als kakkerlakken: niet weg te krijgen.
KRABARKBAHBAHAAHKRABAH, KRRRBAHKAARBAHKRABAH, AAAAAAAAAH,
KRA KARHA,KARRHA,KRA, KRAAKH, AAHAAHRKA, RAKKAARKARRA!!!
RAHAARKAHAHA, BAHBAHRAHBARRAK, BAKARBAHBAAHRABBAK,
KRABARKBAHBAHAAHKRABAH, KRRRBAHKAARBAHKRABAH, AAAAAAAAAH!!!
KRA KARHA,KARRHA,KRA, KRAAKH, AAHAAHRKA, RAKKAARKARRA,
RAHAARKAHAHA, BAHBAHRAHBARRAK, BAKARBAHBAAHRABBAK!!!
Hier eindigt het gesprek tussen Andy Scheuchzer en Thomas Greggs. De één verdwijnt in de diepte van de oceaan, de ander gaat naar huis en vertelt van de bijzondere ontmoeting op het strand. Veel mensen kenden Andy van zien of hadden met hem een babbeltje gemaakt, maar niemand wist nog van diens plannen voor een duizendjarig parelrijk. Integendeel, een salamander die regelmatig op het Scheveningse strand flaneerde of lag te zonnen, was amusant, intrigeerde de mensen en bracht ook nog geld in het laatje.
Na een poos bereikte Thomas het bericht dat Andy levenloos op het strand was aangetroffen, om het leven gebracht door wel honderd messteken. Over de dader werden de mensen het niet eens. Waren het leden van de salamanderfamilie Scheuchzer die vonden dat Andy zijn mond voorbij had gepraat, of waren het mensen die de plannen van de salamanders wilden verijdelen?
* )
Oorlog met de salamanders (Tsjechisch: Válka s mloky) is een sciencefictionroman van de Tsjechische schrijver Karel Čapek.
'Dagboek 28'
Actualiteit van 'oorlog met de salamanders' van Capek
In Oorlog met de Salamanders van Karel Čapek verwijst het "Salamanderisme" naar de ideologie en beweging die ontstaat rondom de intelligente salamanders, die door mensen worden ontdekt en geëxploiteerd. Het begrip symboliseert de opkomst van totalitaire ideologieën, massamanipulatie en de gevaren van technologisch en economisch imperialisme.
Betekenis van Salamanderisme
Economisch & Koloniaal aspect: Aanvankelijk worden de salamanders gebruikt als goedkope arbeidskrachten, wat een parallel is met kolonialisme en uitbuiting.
Politiek & Ideologisch aspect: Naarmate de salamanders zich ontwikkelen, krijgen ze een eigen bewustzijn en eisen ze rechten op. Dit leidt tot conflicten en uiteindelijk tot een wereldwijde oorlog.
Satire op menselijke hebzucht & totalitarisme: Čapek gebruikt het "Salamanderisme" om politieke bewegingen zoals fascisme en communisme te bespotten. Mensen omarmen de salamanders zonder de gevolgen in te zien, net zoals ze blindelings achter ideologieën aanlopen.
Uiteindelijk nemen de salamanders de controle over de wereld, waarmee Čapek waarschuwt voor hoe samenlevingen zichzelf kunnen vernietigen door hun eigen uitvindingen en ideologieën. Het boek is een scherpe kritiek op de politieke ontwikkelingen in de jaren 1930, vooral de opkomst van nazi-Duitsland en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog.
In Oorlog met de Salamanders speelt technologie een cruciale rol als drijvende kracht achter zowel de exploitatie van de salamanders als de ondergang van de menselijke beschaving. Karel Čapek gebruikt technologie als een middel om de menselijke hebzucht, arrogantie en kortzichtigheid bloot te leggen. Hier zijn enkele belangrijke manieren waarop technologie in het boek een rol speelt:
1. Ontdekking en Domesticatie van de Salamanders
De salamanders worden door de mens ontdekt en met behulp van technologie ingezet als goedkope arbeidskrachten. Schepen, duikapparatuur en andere industriële technologieën worden gebruikt om ze te vangen en verspreiden over de wereld. Dit weerspiegelt de manier waarop technologie in de koloniale tijd werd gebruikt om natuurlijke rijkdommen en bevolkingen uit te buiten.
2. Militaire en Industriële Exploitatie
Naarmate de salamanders intelligenter worden, ontwikkelen ze hun eigen technologische vaardigheden. Mensen leveren hen wapens en gereedschappen, zonder in te zien dat dit uiteindelijk tegen hen zal worden gebruikt. Dit is een duidelijke kritiek op de wapenwedloop en de manier waarop landen hun vijanden onbedoeld versterken door economische en technologische samenwerking.
3. Technologie als Vernietigende Kracht
Wanneer de salamanders in opstand komen, gebruiken ze menselijke technologie om de continenten te laten zinken, waardoor de menselijke beschaving wordt bedreigd. Dit kan worden gezien als een metafoor voor hoe menselijke uitvindingen – van wapens tot ecologische vernietiging – onbedoelde catastrofale gevolgen kunnen hebben.
4. Waarschuwing voor de Toekomst
Čapek laat zien hoe technologie, zonder ethische overwegingen, uiteindelijk leidt tot de ondergang van de mens. Dit weerspiegelt de angsten van de jaren 1930 over de opkomst van massavernietigingswapens en totalitaire regimes die technologie gebruiken voor onderdrukking. Kortom, technologie in Oorlog met de Salamanders is zowel een instrument van vooruitgang als van ondergang. Čapek waarschuwt voor de gevaren van ongeremde technologische ontwikkeling zonder ethisch bewustzijn.
Parallellen met moderne technologie
De thema’s uit Oorlog met de Salamanders van Karel Čapek blijven verrassend actueel en vertonen sterke parallellen met moderne technologie. Hieronder enkele belangrijke overeenkomsten:
1. Kunstmatige Intelligentie (AI) en Automatisering
De salamanders beginnen als nuttige arbeidskrachten, maar nemen uiteindelijk de controle over. Dit lijkt sterk op de huidige discussie over AI en automatisering: eerst bedoeld als hulpmiddelen, maar met het potentieel om menselijke banen en zelfs de controle over systemen over te nemen.
Net zoals mensen in het boek blindelings de salamanders inzetten zonder de gevolgen te overwegen, ontwikkelen bedrijven en overheden AI zonder altijd na te denken over de ethische implicaties.
2. Militaire Technologie en Wapenwedloop
In het boek leveren mensen wapens aan de salamanders, die deze later tegen hen gebruiken. Dit doet denken aan hoe landen militaire technologie delen, wat soms leidt tot onbedoelde gevolgen (bijvoorbeeld terroristische groeperingen die ooit door staten zijn bewapend).
De opkomst van autonome wapens en drone-oorlogsvoering weerspiegelt de angst dat technologie zich tegen de mens kan keren.
3. Klimaatverandering en Ecologische Vernietiging
De salamanders veranderen de geografie van de aarde door landmassa’s te laten zinken. Dit kan worden gezien als een metafoor voor hoe menselijke technologie en industrialisatie onbedoelde ecologische gevolgen hebben, zoals stijgende zeespiegels en extreme weersomstandigheden.
De manier waarop de mens in het boek de salamanders gebruikt zonder de lange
termijn te overwegen, lijkt op hoe moderne industrieën fossiele brandstoffen blijven gebruiken ondanks klimaatverandering.
4. Big Tech en Controle over de Samenleving
In het boek leidt economische exploitatie van de salamanders tot onvoorziene gevolgen. Dit doet denken aan hoe grote technologiebedrijven zoals Google, Facebook en Amazon aanvankelijk bedoeld waren als nuttige platforms, maar nu zorgen voor problemen zoals massale surveillance, desinformatie en monopolisering van macht.
Net zoals mensen de salamanders massaal inzetten en pas laat de gevaren inzien, lijken we nu pas de schaduwzijden van Big Tech te begrijpen.
5. Biotechnologie en Genetische Manipulatie
De salamanders zijn niet puur natuurverschijnselen, maar door mensen geoptimaliseerd en verspreid. Dit lijkt op de manier waarop biotechnologie en genetische manipulatie (zoals CRISPR) de grenzen van de natuur verleggen.
De vraag is: hebben we volledige controle over wat we creëren? Kunnen genetisch gemodificeerde organismen of kunstmatige levensvormen uiteindelijk tegen ons werken?
nazisme
Čapeks waarschuwing uit 1936 is nog steeds relevant. Technologie kan enorme vooruitgang brengen, maar zonder ethische en sociale reflectie kan het zich tegen ons keren. Of het nu AI, klimaatverandering of biotechnologie betreft, de vraag blijft: Hebben we controle over wat we creëren, of zullen onze uitvindingen uiteindelijk ons lot bepalen? In Oorlog met de Salamanders (Válka s Mloky, 1936) van Karel Čapek verwijst het "Salamanderisme" naar de ideologie en beweging die ontstaat rondom de intelligente salamanders, die door mensen worden ontdekt en geëxploiteerd. Het begrip symboliseert de opkomst van totalitaire ideologieën, massamanipulatie en de gevaren van technologisch en economisch imperialisme. Karel Čapek's roman De oorlog met de salamanders is inderdaad geïnspireerd door het opkomende nazisme en de politieke spanningen in Europa in de jaren 30. Het boek is een satirische en allegorische roman die maatschappelijke en politieke thema’s aan de kaak stelt. Hier zijn enkele manieren waarop het boek verband houdt met het nazisme en de wereldpolitiek van die tijd.
In het boek worden de intelligente salamanders aanvankelijk uitgebuit door mensen, maar uiteindelijk keren ze zich tegen de mensheid en nemen ze de wereld over. Dit weerspiegelt hoe totalitaire regimes, zoals het nazisme, aanvankelijk werden genegeerd of zelfs ondersteund door andere landen, totdat ze een serieuze bedreiging vormden.
De salamanders krijgen hun eigen leiders en propaganda, wat doet denken aan hoe nazi-Duitsland zijn ideologie verspreidde en massasuggestie gebruikte.
De salamanders worden in eerste instantie als minderwaardig beschouwd, maar later ontwikkelen ze een eigen “nationaal-socialistisch” ‘rassenbewustzijn’ en gaan ze zich superieur voelen aan mensen. Dit is een duidelijke verwijzing naar de racistische ideologie van het nazisme, waarin de ‘superieure’ Arische mens centraal stond.
Ook de manier waarop mensen proberen de salamanders te categoriseren en te gebruiken als goedkope werkkrachten, doet denken aan de manier waarop het nazisme en het kolonialisme bepaalde groepen als minderwaardig beschouwden.
De salamanders beginnen zich te bewapenen en te organiseren, wat lijkt op de militarisering van Duitsland onder Hitler. Ze eisen steeds meer land op, vergelijkbaar met de agressieve expansiepolitiek van nazi-Duitsland (bijvoorbeeld de annexatie van Oostenrijk en het Sudetenland). Het idee dat de salamanders ‘Lebensraum’ nodig hebben, verwijst direct naar Hitlers concept van ‘Lebensraum’ voor het Duitse volk.
In de roman doen landen en bedrijven aanvankelijk niets om de opkomst van de salamanders te stoppen, omdat ze er economisch voordeel uit halen. Dit is een duidelijke kritiek op hoe Europese landen in de jaren 30 aarzelden om tegen Hitler in te gaan, deels uit angst en deels uit eigenbelang.
De verdeeldheid tussen landen en hun onvermogen om de salamanderdreiging gezamenlijk aan te pakken, weerspiegelt de politieke verdeeldheid en zwakte van de Volkenbond in die tijd.
Uiteindelijk nemen de salamanders de wereld over en vernietigen ze grote delen van de menselijke beschaving. Dit vooruitzicht van een allesverwoestend conflict kan worden gezien als een angstige voorspelling van de Tweede Wereldoorlog, die drie jaar na de publicatie van het boek begon.
Čapek schreef het boek als satire, maar met een serieuze waarschuwing over de gevaren van totalitarisme, racisme en politieke kortzichtigheid. Zijn werk was een oproep tot bewustzijn en actie tegen de dreigende gevaren van zijn tijd. Helaas bleek zijn voorspelling akelig accuraat.
Interessant detail: Čapek was een uitgesproken criticus van het nazisme, en hij werd door de Gestapo als vijand beschouwd. Hij stierf echter in 1938, net voor de bezetting van Tsjecho-Slowakije door de nazi’s.
'Dagboek 30'
Sint Dionysius – Een legendarisch verhaal in de ik-vorm
Hoofdstuk 1 – geroepen door stilte
Ik herinner me de stilte nog. Niet de doodse, lege stilte in verlaten tempels of hangt rond rottend hout, maar die andere stilte - voorbij de woorden, de stilte waarin geen woorden meer nodig zijn. Daar begon mijn roeping.
Ik was een jonge man, veel jonger dan men tegenwoordig denkt dat ik ben. Geen grijze haren, geen staf, geen mijter, geen handschoenen, geen paarse soutane, geen kerkelijke hiërarchie, geen gezag. Niets. Alleen vuur. Een onverklaarbaar, alles-verterend vuur dat diep in mij brandde. Ik voelde het voor het eerst toen ik mij inzette voor mensen die hulp nodig hadden, onder in de gewelven van de oude basiliek, waar de geur van wierook vermengd was met angst, want we werden constant bedreigd en konden elk moment worden opgepakt.
Daar, tussen die marmeren pilaren, zei een oude bisschop tegen mij:
“ Zeg, Dionysius, ik wil je iets vragen. Gallië heeft je nodig. Het is donker in Lutetia en wil jij niet gaan zorgen voor meer licht in de duisternis”.
Lutetia. Parijs, zoals men het later zou noemen. Een grensstad, woest en weerbarstig, waar stenen nog als goden werden vereerd, en waar niemand iets afwist van onze geschriften.
Ik stemde toe. Niet uit moed. Ook niet uit ambitie. Maar omdat ik voelde: als ik zou weigeren, zou ik van binnen dood gaan. En dus ging ik.
Hoofdstuk 2 – een stad in schaduw
Toen ik aankwam, zag ik geen stad, maar een gehavende plek, kapot en triest om te zien. Lutetia ligt aan de oever van de prachtige rivier de Seine, maar de stad functioneerde niet meer. De mensen leken verslagen, ze hadden iets wanhopigs, keken vermoeid uit hun ogen. Ze aanbaden afgodsbeelden, houten beelden die er doods uitzagen. Ze offerden dieren om de goden gunstig te stemmen, maar die reageerden nooit. Ze brachten offers om van de goden iets gedaan te krijgen, maar dat lukte niet.
Ik huurde een kleine kamer bij een weduwe, een vrouw fragiel en broos met een afgetobt gezicht, ze leek gebroken. Toen ik bad zei ze niets, maar ik zag wel hoe haar vingers het kruisteken begonnen te maken, steeds met meer overtuiging, elke avond opnieuw.
Ik sprak op de markt, onder een afdak van verweerd linnen. Eerst lachten ze me uit. Toen begonnen ze mij te bekogelen met rotte appels. Kinderen staken hun tong uit. Maar ik hield vol, dag na dag, als druppels water, die langzaam, heel langzaam een steen uithollen. Uiteindelijk begonnen de mensen te luisteren naar wat ik te vertellen had.
Toen kwamen mijn kameraden: Rusticus, streng van geest, en met een geweldig harde stem. En Eleutherius, een zachte man met een stem als lentegras, en een geloof dat niets nodig had behalve stilte. Samen vormden we een klein vuur in een kille stad.
Pagina 1 van 3
📖Hoofdstuk 3 – De ogen van Rome
We wisten dat het zou gebeuren. Het was geen kwestie van “of”, maar “wanneer”.
De prefect van Romeins Gallië - een Romeinse bestuursambtenaar, die hield van imponerend machtsvertoon en altijd strak in het Romeinse pak - had gehoord van “de visser uit Judea” die nu in zijn stad werd aanbeden. Dat kon hij niet toestaan. Een god die wordt gekruisigd? Alleen slaven, opstandelingen en criminelen werden gekruisigd! Zelfs voor Romeinen was deze doodstaf te erg! Wat moet het volk met een dergelijke god? Wat voor voorbeeld is dat voor het volk? Zo’n god is voor slappelingen, de mensen die ze uitdragen zijn meelijwekkende figuren, goed voor snerend vermaak! Zijn beleid was er op gericht was om heel Lutetia te zuiveren van alle vreemde elementen en daar hoorde ook dit soort kwakzalvers bij. Hard optreden behoorde tot de routineklussen van de prefect. Van de zachte krachten die in je fluisteren waar Henriëtte Roland Holst het over had, had ie kennelijk nog nooit gehoord...
Op een ochtend werden we gearresteerd. Het was een trieste dag, het onweerde. Ruw bonden ze onze handen vast met touwen. Rusticus zei geen woord. Eleutherius glimlachte. Het leek wel of hij in een andere werkelijkheid terecht was gekomen. Ze brachten ons naar de top van een heuvel — Montmartre, noemden ze het. De Berg van de Martelaren. What’s in a name!
Hoofdstuk 4 – Dood en leven
Ik stond daar, mijn voeten in de modder. Een soldaat hield zijn zwaard vast alsof het huis tuin en keuken-gereedschap was. Ik keek hem aan, en hij keek terug. Er was geen haat in zijn ogen. Hij deed alleen zijn plicht.
Toen hij het zwaard hief, zei ik nog:
Het is je vergeven, beste man, het zijn de Romeinse politici die er niets van begrijpen. Voor hen is er niets machtiger dan het zwaard, machtiger ook dan het woord...
Er was geen pijn. Alleen licht. En dan... duisternis. Maar ik was er nog!
Ik opende mijn ogen — of wat ik dacht dat mijn ogen waren, of wat ik dacht dat mijn gedachten waren — en voelde of dacht te voelen hoe mijn lichaam opstond. Mijn handen voelden wonderlijk licht, ze raapten mijn hoofd op als een vaasje bloemen. En ik begon te lopen, te lopen en te lopen. Niet in woede, niet in strijd. Maar in vrede.
Mensen weken terug, toen ik aan kwam lopen. Sommigen vielen op hun knieën. Anderen riepen, schreeuwden en gilden. Ik liep alsmaar verder, en al lopend bleef ik maar praten, nou ja, praten. Niet met gewone woorden, maar met een stem die uit het diepste van mijn binnenste kwam begon ik te keer te gaan: ik raaskalde, ik ijlde, ik daasde, ik stootte een klanktaal uit die overliep van enthousiasme, van begeestering... voor buitenstaanders volgens mij totaal onverstaanbaar! Over het Koninkrijk, over genade, over vergeving, over vrede, over rechtvaardigheid, over verzoening, over dat dat nooit ophoudt...
Tien kilometer liep ik zo met mijn hoofd. Tot mijn benen stilhielden, en ik voelde: hier moet ik zijn. Ik knielde, legde mijn hoofd op de aarde... en toen het werd stil.
Hoofdstuk 5 – Wat blijft
Koningen liggen boven mij. De muren van mijn graf zijn versierd met glas, goud en heilige teksten. Pelgrims komen, zingen mijn naam en kussen de stenen.
Maar, beste mensen, dat ben ík niet. Met pracht en praal en vrome praatjes heb ik niks te maken.
Ik ben die jonge man die brandde van vuur, weet je nog. Ik ging uit liefde en gaf mijn liefde tot ik niet meer kon.
Laat de mensen maar zingen. Laat ze maar bidden. ..Maar wil je echt weten wie ik was — luister dan naar stilte.
Daar ben ik nog steeds.
( ook een seculiere, vóór-christelijke lezing van Dionysos is goed mogelijk, ook om op muziek te zetten! )
Dionysius is de patroonheilige van Tilburg. De legende vertelt dat hij, nadat hij was onthoofd, niet kon stoppen met het verkondigen van wat voor hem van levensbelang was, zijn hoofd vasthoudend in zijn eigen handen. Zoveel begeestering en enthousiasme, zelfs onder zulke onvoorstelbare omstandigheden, moet wel tot de verbeelding spreken!
Ook tijdens de “Dionysia”, hét evenement dat jaarlijks in het oude Griekenland werd gehouden ter ere van de god Dionysos, de god van de geestdrift en enthousiasme, kreeg de verbeelding ruim baan. Met behulp van poëzie, theater en muziek ( en wijn! ) werd de vruchtbaarheid en duurzaamheid van de aarde gevierd, werd de vrede nagejaagd en in stand gehouden, werden de wetten geëerbiedigd. Is het toeval dat Dionysius van Tilburg ook de beschermer is van rechters en de rechterlijke macht?
Onze verbeelding is van levensbelang, betreft zaken die ons raken en in beweging kunnen zetten, of ons bijvoorbeeld inspireren tot het componeren van muziek. Zeker als die gespeeld wordt door de formidabele stadsorganist Rob Nederlof op een prachtig orgel in een monumentaal gebouw als de Goirkese kerk! in Tilburg!
'Dionysia', voor orgel en stem
opvijzelen
In het Wilhelminakanaal in werd sinds 2013 een nieuwe Sluis III gebouwd. De huidige Klasse II-sluis wordt vervangen door een Klasse IV sluis, zodat grotere schepen het kanaal als vaarroute kunnen gebruiken.
De uitbreiding biedt de kans om bij de sluis een vijzelturbine te plaatsen. Een ( waterkracht ) vijzel kan zowel water omhoog pompen als water afvoeren waarbij energie wordt opgewekt. Hiermee heeft Rijkswaterstaat een primeur gerealiseerd in Nederland.
( Toch zit het niet altijd mee met de implementering van technische vondsten. De grootste uitdaging komt van het feit dat deze vondsten niet alleen uit gevoelens van medeleven benut worden, ten gunste van niet gezonde of gebrekkige mensdierlijven, maar ook meedogenloos voor het snel en op grote schaal doden van diezelfde lijven. De denkende mensdieren konden twee wereldoorlogen niet voorkomen. Integendeel, ze maakten die mogelijk; op efficiënte wijze werden binnen enkele jaren miljoenen mensdieren gedood, speciaal opgeleide mensdieren dachten nieuwe wapens uit die in zeer korte tijd hele menskudden konden vernietigen middels gifgassen, een kilometers hoge paddenstoelwolk of door virussen te verspreiden. Ook bedachten ze gaskamers om zo efficiënt mogelijk te kunnen moorden. De uitoefening van het kwaad had zo een dieptepunt bereikt, en zelfs zonder dat technische niveau kwam genocide - letterlijk het doden van een soort - regelmatig voor.)
Het verdient sterke aanbeveling het geheugen van mensdieren ten aanzien van bepaalde gevolgen van technische vondsten snel op te vijzelen.)
Het nieuwe waterpeil-verschil bij sluis III bedraagt 7,4 meter. De grotere sluis gebruikt veel meer water voor het schutten, op dagen met weinig of geen wateraanvoer moet er een pomp zijn die het water van het het lage waterniveau naar het hogere deel van het kanaal kan pompen. Met diezelfde ( waterkracht ) vijzel kan ook energie worden opgewekt. Het principe is simpel: naast het water dat nodig is voor het schutten van schepen is er meestal extra water beschikbaar. Dat water werd tot nu toe via een sluiskanaal afgevoerd, maar wordt nu door de vijzelturbine geleid die daardoor gaat draaien; dit levert stroom op voor ongeveer 250 mensdier-huishoudens
'Vlahaisvatka', voor disk-klavier
undercover
Undercover 1.
Het is vroege dienst op CBH, Centrale Bediening Helmond. We zijn met z’n drieën. Ieder heeft een eigen bedien-plek; elke bedien-plek bestaat uit twee panelen, die elk bestaan uit een monitor met live-registratie op basis van camerabeelden én een monitor met een grafisch-modelmatige reconstructie met de eigenlijke beddenknoppen erop; eraan toegevoegd is een kleinere monitor ten behoeve van de administratieve verwerking van scheepvaartgegevens.
Het is 05.45 uur in de ochtend. De temperatuur bedraagt - 10 graden Celsius; sluizen, bruggen, kanaaloevers, alles ligt onder een laagje sneeuw. Drei Männer im Schnee. Er vallen weinig woorden tussen de mannen. Er is geen schip te bekennen; hier en daar ligt ijs op het kanaal. Binnen blijft het ijselijk stil; we zijn met z’n drieën alleen. Het is inmiddels 06.15 uur in de ochtend. De temperatuur bedraagt - 10,6 graden Celsius. Nog acht uur op deze voor mij bestemde bedienplek. Hoe zal dat aflopen? Drei männer im Schnee.
Erich Kästner vertelt het verhaal van Eduard Tobler die leeft als miljonair, samen met zijn 20-jarige dochter Hilde en zijn personeel, in een luxueuze villa in Berlijn. Hij bezit banken, warenhuizen en fabrieken. Hij is alleen niet tevreden met het leven dat hij leidt. Hij wil zich een keer als een eenvoudige, arme man onder de mensen begeven en ervaren, hoe zij in werkelijkheid zijn; een vorm van undercover, waarmee ik me enigszins verwant voel. Ik ben allesbehalve rijk zoals Eduard Tobler. Integendeel. Toch voel ik mij als een toevallige passant, die vanuit een geheel andere wereld de wereld van de anderen voor even “bespiedt”, zonder mij overigens ook maar één moment superieur te voelen. Wel ben ik ben mij bewust de vreemde eend in de bijt te zijn, omdat ik niet behoor tot vaste groep bedienaren van deze sluis.
Undercover 2.
Tijdens mijn dienst inde CBO, de Centrale Bediening Oosterhout zag ik de gloed van de ondergaande zon, die door het open zijraam naar binnen scheen op de monitor weerspiegeld in het Wilhelminakanaal en omgekeerd: ik zag de weerspiegeling in het Wilhelminakanaal van de ondergaande zon, die zijn rode gloed door het open zijraam naar binnen wierp. Tegelijkertijd hoorde ik het gefoeter van mijn collega, die het te pas en te onpas gebruik van de noodstop hekelde. Maar mijn aandacht op dat moment gold het nautisch examen dat voor de boeg stond en ik verwonderde mij over de uitgestreken formulering in volgende tekst die ik tegen kwam in het BPR, het PolitieBinnenvaartRegelement:
‘Een schip mag een ander schip slechts voorbij lopen, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden. Een groot schip dat wordt opgelopen door een groot schip en elk klein schip dat wordt opgelopen, moet het voorbijlopen, voorzover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd.’
Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend of een stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een werk zou kunnen worden veroorzaakt, wordt vermeden. Hij moet daartoe tijdig zijn snelheid verminderen, echter niet beneden de snelheid die nodig is. De bevoegde autoriteit kan ten einde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de doorvaartopening van een beweegbare brug te verzekeren, wanneer het schip de brug nadert of de doorvaartopening daarvan doorvaart, aan het schip een verkeersaanwijzing geven.’
Undercover 3.
Tijdens de overname van de wacht op CBH vertelt H.B. een verhaal; H. Is pontonnier bij Rijkswaterstaat voor het rayon Wilhelminakanaal en Zuid-Willemsvaart, een baan die ivm de om zich heen grijpende “outsourcing” op de nominatie staat te verdwijnen. Al rijdend langs het kanaal kreeg H. Een hond in het oog, die naar de andere kant van het kanaal wilde. De hond was een kruising tussen een Mechelse en een Duitse herder en heette Diesel. Eenmaal in het water zou de hond er, volgens de stellige overtuiging van H., niet levend meer uit kunnen komen: de oevers van het kanaal zijn te stijl, de damwand te hoog en te scherp.
H. Ontfermde zich over de hond en belde de dierenambulance. Diesel bleek ook een plaatje te dragen met het telefoonnummer van de eigenaar erop. Na enkele uren kwam de eigenaar opdagen en schold H. de huid vol: hij had met z’n poten van de hond af moeten blijven. Iedereen immers in het dorp H. kende Diesel. Volgens de eigenaar zou de hond uit zichzelf weer de weg naar huis hebben gevonden. Daar kwam nog bij: het kostte de eigenaar €20,- ; dat was de prijs voor het thuisbrengen van de hond door de inmiddels gearriveerde dierenambulance.De collega’s van H. waren het absoluut niet eens met diens diervriendelijk handelen; of hij z’n tijd niet beter kon gebruiken en bovendien, waar bemoeide hij zich eigenlijk mee? Zo werd H. vanwege Diesel tweemaal op één dag toegeblaft.
Filosoof Edmund Husserl zag het wachten als een opschorting van een oordeel, wezenlijk voor zijn fenomenologie. Hij zette het “waren” tegenover “harren”. Warten is geduldig en onthecht, harren is ongeduldig en nerveus. ( DdW, p 150/1)
Undercover 4.
Mijn collega brug- en sluiswachter draait inmiddels al 4021 uur aan de knoppen van de CBT, de Centrale Bediening Tilburg. Een ruzie met zijn vrouw over een eventuele donatie aan hulpbehoevende kinderen in Afrika was uit de hand gelopen. Mijn collega zag dat geld liever naar zijn kinderen gaan en, zo niet, dan had zijn vrouw dit verwaarloosbare bedrag van maar enkele euro’s moeten uitsparen op haar kuur bij de schoonheidsspecialiste, aan wie ze onlangs een bezoek had gebracht. O ja, zeker, de huid wordt er een stuk gladder en frisser van, begrijpelijk: alle poriën open, alle troep er uit, en zelf loopt zijn hoofd ook altijd leeg als ie in de sauna zit, absoluut, en als je in ploegendienst werkt, heb je zulke dingen hard nodig, want achter die knoppen veroudert je gezicht een stuk sneller.
Op dat moment breekt het verhaal af; de aandacht van mijn collega wordt dan geheel in beslag genomen door een jonge vrouw, die met haar hond langs het kanaal wandelt. Daarna concentreert hij zich weer op zijn werk achter de beddenschermen en begint bijna achteloos te schelden op mensen van kleur en ouden van dagen met rollators in scootmobiels die het proces van de brugbediening volgens hem ernstig vertragen.
Undercover 5.
Op een ochtend in de CBT werkte ik samen met C.
Omdat er geen enkel schip riep, had ik tijd om te lezen. Toevallig las ik in Metro Gezond: “Een heerlijke tijd brak aan. We zongen mantra’s op een yogaschool, probeerden het nieuwe gezondheidsgadget uit, een slow-juicer ( bewaart alle vitamines ), gingen terug naar de oertijd in Jämtland in Zweden en gebruikten onze zintuigen in Antwerpen. Met Fred van Leer hingen we aan de gewichten ( we aten tussendoor patatje pindasaus ) en Vivian Reijs onthulde haar tips voor een totale mind-switch ( terwijl ze haar tanden in krentenbrood met spijs en dik roomboter zette ).
C. rookte shag.
Er zat geen grammetje vet aan C. Hij heeft naar zijn zeggen een heerlijke tijd gehad; nooit bang geweest dat-ie teveel of teweeg at, altijd een slank figuur gehad, om door een ringetje te halen. Wel fladderde de laatste maanden zijn broek vervaarlijk om zijn benen. Ook zijn gezicht was spits geworden, met ingevallen wangen, mager, te mager. C. heeft nooit mantra’s gezongen op een yogaschool en was zeker niet in voor een totale mind-switch. Het idee alleen al. Wel ging C. terug naar de oertijd in het land waarnaar iedereen op weg is.
Hij stierf op 8 februari 2014 rond 11.00 uur aan kanker op 63 jarige leeftijd. De ouders van C, die schippers van beroep, waren beiden van boord gesprongen toen hun schip door overmacht uit de vaart moest worden gehaald
“Het leven verstrijkt, verdwijnt, even snel als het wordt gebruikt, lang duurt het alleen voor wie in staat is tot zwerven, luieren. Aan de vooravond van zijn dood beseft de man van de daad en de arbeid - te laat - dat het leven van nature lang duurt, een duur die ook hem ten deel had kunnen vallen als hij zich maar niet constant tegenaan had bemoeid.”
( Henri Michaux, in Hoekpijlers, geciteerd in de Dirk de Wachter, Wachten, een levenshouding, p. 91)
Undercover 6.
Tijdens een nachtdienst las ik het volgende onwaarschijnlijke echtgebeurde verhaal:
Collega sluiswachter Hendrik Geeraert besliste de Grote Oorlog.
Tussen 18 en 31 oktober vond de slag aan de Ijzer plaats tussen aan de ene zijde Franse, Engelse en Belgische troepen en aan de andere zijde het Duitse leger.
In die tijd hadden sluiswachters diensten van klokronde permanentie. Op het biljet van 1000 frank staat H.G. afgebeeld, de sluiswachter die het slagveld van de Ijzer onder water zette.
H.G. stierf op 62jarige leeftijd aan overmatig alcoholgebruik op 17 januari 1925. De burgmeester weet de schuld aan de “legerhoofden die de diensten van H.G. niet konden missen en hem als stimulans alcohol gaven.”
Op donderdag 22 januari 1925 werd H.G. met militaire eerbewijzen begraven in tegenwoordigheid van Monseigneur Waffelaert, bisschop van Brugge en vertegenwoordiger van de koning.
Simone Weil schreef over l’attention comme une qualité essentielle, un moyen d’apprécier la beauté du monde.
Undercover 7.
Inspecteur JB komt onverwachts naar sluis 4 in Haghorst. Het aangekoekte en aangespoelde vuil in het spuikanaal is hem een doorn in het oog. Op het moment dat hij weer weg wilde gaan, komen er plotseling drie ganzen het terrein op lopen. JB zet de achterklep van zijn bestelwagen open en begint te roepen: “ k k k klim dr marrin, jongens, tis tegen kè kè kè kèrsumus, bij ons hèdde gra gra gra gratis ko, ko, ko, kost en inwooooooning, dè dè dè dèèènk erom, è è è è èèèènkele reis, jongens, is dè gin g g g goeie ha ha ha ha handel, Fons ?, gullie ko ko ko komt precies op t t t tèèèd, en na hup, hu hu huppp, hhhhup!, k k k klim dr marrin, jongens!
Undercover 8.
Op grond van artikel 6.28 van het BPR ( het Binnenvaartpolitieregelement ) gelden voor de sluis de volgende regels:
direct na het invaren van de schutkolk voor - en achterop vastmaken ( 1 )
de schroef buiten bedrijf zetten tijdens het gehele schutproces ( 2 )
bij gelijkwater voorzichtig manoeuvreren tot uitvaren is toegestaan ( 3 )
De volgende muziek kan eventueel hierbij ten gehore worden gebracht:
voor ( 1 ) fanfaremuziek, mars opus 99 van Sergei Prokofiev
voor ( 2 ) ‘Aline’ van Arvo Pärt
voor ( 3) laatste deel van de Schotse symfonie van Felix Mendelssohn Bartholdy
( deze muziek klinkt, tot het schip goed en wel de sluis heeft verlaten! )
Undercover 9.
Voor de nautisch operator ( de huidige naam voor brug- en sluiswachter ) is bediening op afstand de meest gebruikelijke manier van werken. Bruggen en sluizen op grote afstand worden bediend via hoogwaardige monitoren, waarbij het hele gebeuren kan worden geïnitieerd en gevolgd. Door de onmogelijkheid van elk fysiek contact word je letterlijk op grote afstand gezet van het “object”.
Ook al het menselijk leven rondom het object wordt geobjectiveerd; de mensen veranderen in figuranten op een beeldscherm. Door in te zoomen op het beeld kun je ze wel dichterbij halen, maar hun gezichten blijven (terecht) vaag en nagenoeg onherkenbaar; contacten met schippers zijn bijna uitsluitend van zakelijke aard.
Al met al vindt er abstrahering plaats van de alledaagse leefwereld, in dit geval van de brug- en sluisbediening zonder noemenswaardige consequenties voor die leefwereld zelf.
Wanneer die abstrahering betrekking heeft op minder onschuldige “objecten”, of wanneer volledig geautomatiseerde processen in werking worden gezet tégen concrete leefwerelden van mensen - niet om ze te bedienen, maar, omgekeerd, om ze te vernietigen - dan is de vraag hoe het mogelijk is dat principieel dezelfde processen van hoog abstract-technologisch niveau zulke uiteenlopende doeleinden kunnen dienen. Is de aantrekkingskracht van een “schone” en “neutrale” technologie zo groot, dat morele en andere kwalificaties gemakkelijk uit het blikveld kunnen verdwijnen? Want wanneer is een technologie “schoon” en “neutraal”?
De volgende kenmerken van de geautomatiseerde brug- en sluisbediening geven in dit opzicht te denken:
- 24-7 bediening in ploegendienst
- werk bestaat voornamelijk als virtuele ervaring
- geen persoonlijk contact met mensen op het scherm, robotisering van alle
betrekkingen tussen bedienaar en object
- het gecodeerd zetten van stappen die noodzakelijk zijn voor het bereiken van de
gestelde doeleinden lijkt op een video-spel: de muis wordt een joystick
Undercover 10.
Mijn eerste jaren als brug- en sluiswachter sleet ik op de Kattenbergse brug. De inmiddels verdwenen brug lag tussen Sluis 4 en de brug Groenewoud op enkele kilometers afstand van Oirschot in het natuurgebied de Baest. De paradijselijke ligging van de brug, de rust en de stilte van de omgeving, het minieme aantal schepen dat de brug passeerde, maakte van de Kattenberg een onwerkelijke bedieningsplek. Collega en analfabeet FG beheerde de plek al tientallen jaren. Hij had de brug van zijn vader “geërfd” en zijn wereld was sindsdien onveranderd gebleven. Vóór de wacht bevond zich nog een klein grasveldje dat afliep naar het kanaal en zorgvuldig door hem werd bijgehouden. Bij overnames van de wacht werd van alle brug- en sluiswachters een grote dosis aanpassingsbereidheid gevraagd, omdat de kleinste afwijking in zijn “huiskamer” de woede van FG kon opwekken. Je kunt het aanpassen noemen, maar eerder nog een kwestie van jezelf wegcijferen, van onderduiken in een geheel andere wereld. Toch betekende deze onderduik tegelijkertijd een goede voorbereiding op de minimaal acht solitaire uren die volgden op het overnemen van de wacht: nergens leverde het verlies aan ego zo’n rijke ervaringen op als tijdens de wacht bij brug Kattenberg. Hier nam “undercover” de geprivilegieerde vorm aan van een heilzame, spirituele, soms zelfs mystieke beleving. Brug Kattenberg was voor mij de brug naar de aloude via contemplativa.
Filosoof Edmund Husserl zag het wachten als een opschorting van een oordeel, wezenlijk voor zijn fenomenologie. Hij zette het “waren” tegenover “harren”. Warten is geduldig en onthecht, harren is ongeduldig en nerveus. ( DdW, p 150/1)
wacht
wacht
wacht
wacht
wachten
wachten
wek
wak
wek
wak
wachten
een gedicht van A. Kok
again 1', voor vl, cl, vla en piano
"Aan het Canal Saint-Martiun blijf ik staan, er komt een boot voorbij, het slome werk de sluizen trekt zich op gang. Het is een systeem van vroegere tijden, poorten sluiten, water stroomt tot het reservoir vol is, ander poorten openen. Het gaat merkwaardig traag en gestaag, al eeuwen op ditzelfde tempo. Er zijn geluiden van krakende sluisdeuren, van wassend water, van het aanzetten van de motor van de boot. De schipper lijkt weggelopen uit een Griekse sage, welbewust van zijn fysieke verschijning lijkt hij zijn taak met haast goddelijke flair uit te voeren. (…) De tijd wordt vloeibaar, het lijkt wel een stuk van Jon Fosse. Dat doet dus het wachten: het overschrijden van de kloktijd, het aanzetten tot wondere gedachten, het opstijgen van het dwingend moeten, het proeven van de wezenlijkheid van het bestaan. De boot blaast een fors signaal dat de tocht verdergaat, het brugje is open voor de wandelaars, we kunnen weer verder, deze schoonheid gaat nooit meer weg.” (Dirk de Wachter, Wachten, eenlevenshouding, p.45 - 46)
EB
Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door ’t ogenblik.
Zuigende eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.
Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?
(M.Vasalis, geciteerd in Dirk de Wachter, Wachten, een levenshouding, p.83 - 84)
gods doel
doelloos zit ik langs het kanaal
gods doel is doelloosheid
zei Nescio ik dacht zo zo
dan blijf ik nog even
voel mij hoogverheven
schutten
kijk
daar is Hanna
ze wurmt zich door het bruggengat de boeg klieft het water want
het water is geliefd bij de boeg dan maakt de oude sluis zich klaar voor haar komst en opent ruimschoots op tijd zijn deuren eerder te vroeg net
als in zijn jongensjaren
dan komt Hanna aangevaren
open en bloot en
zonder schutblad
enkele minuten zijn ze één
en schutten in een zinderende kolk van boven naar beneden
en dan
- de tijd vliegt heen -
vaart Hanna weg en laat de oude sluis alleen
wachten
wat ben ik aan het doen, vroeg ik mij af
ik wachtte en las de vorige zin nog eens
wat ben ik aan het doen, vroeg ik mij af
weer wachtte ik en las ik wat ben ik
enzovoort ik wachtte
toen ik voor de laatste keer las
wat ben ik aan het doen vroeg ik mij af
was het lezen of wachten wat ik aan het doen was
lachte ik en las de vorige zin nog eens
was het lezen of wachten wat ik aan het doen was
weer lachtte ik en las ik was het lezen of wachten
enzovoort ik lachtte
toen ik voor de laatste keer las
wat ben ik aan het doen vroeg ik mij af
was het lachen of wachten wat ik aan het doen was
wat ik aan het doen was las ik enzovoort ik wachtte
vroeg wat ben ik las vroeg wat ben ik aan het lezen
ik lachte en wachtte
ik ben niet iets aan het doen ik ben aan het nietsdoen
inlandse componisten
"De wereldburger, die zijn vooringenomen oog slaat over de bewoners der aarde, ziet ze afgedeeld in koppels, ieder geleid door een of meer hoeders, liever houders, wier belangen 't is hunne kudden bij zich te houden en ( daar kunnen sterkte, welvaart en aanzien afhangt van de talrijkheid der kudden ) ze ten koste van de naburige kudden te vergrootten: waartoe zij zich allerlei onrechtvaardigheid, geweld en list veroorloven. Hierom beijveren zich de aanvoerders, om hun onderhorigen te doen geloven. dat zij beter zijn dan hunne naburen, zoals ook 't land, waarop zij leven of grazen.
Naarmate zij gelukkiger in dit onderwijs in deze opvoeding slaagen hoe de onderdanen meer publiek spirit, volksgeest of patriotismus hebben (...) Door af deze volks-geest ligt te blazen is in hen, welke kijken over de muren die scheiden natie van natie, welke weeten, wie die muren opgemetseld hebben, en welke reeden zij daartoe hadden, in één woord, of deze hoedanigheid in 't oog eens cosmopoliets een deugd dan een dwaasheid zij...Maar wat hebben wij met die speculatiën te doen! Zullen we de wereld veranderen?
De smaak voor Schoone kunsten ligt in dit rijke land nog in de wieg. Het klimaat en de wingewest der natie verstikken allen prikkel tot bevrediging der fijnere organen. Men hoort muziek en ziet toneelspelen om den tijd te doden en over handelszaken te spreken. Ieder ondernemer van een Concert moet zijne toehoorders op stoven en dranken regaleren, welke ij lichte koffie en thee bestaan. Dikwijls rookt men ook tabak en wordt er hardop gepraat. Het eigenlijk verhevene en Schoone der kunst wordt door zeer weinigen gevoeld, kwakzalverijen worden met luiden bijval ontvangen.
Bij ons wil men niets dan het zogenaamde klassieke, en daarom niets van inlandse componisten, en men zal zulks nooit willen, al waren onze componisten zelfs leerlingen van Mendelssohn.
Dan is ook al het streven van de Maatschappij tot bevordering van Toonkunst geheel ijdel en doelloos. Ik heb ook, tot mijne niet geringe verwondering, bespeurd dat bijna geen van de door haar bekroonde werken, nog in een onzer grote steden zijn opgevoerd. Men hoort nooit iets van de Symfonieën en Ouvertures, welke door haar zijn uitgegeven; het goede nationale doel dezer Maatschappij wordt dus ook al, wellicht door locale belangen, verlamd; de kunst is een wereldburgeres, overal heeft zij haren zetel, in alle oorden sticht men haar tempels, dus ook overal vindt men haar priesters. Met het schoon van een ander te huldigen, moet men het vuur, dat in onzen eigen boezem brandt, niet willen uitdoven..
Zeer juist; doch gij kent toch wel het grote zwak aan onze natie eigen; vele zaken moeten van vreemde oorden en door vreemdelingen worden vooruitgezet, wil het goed zijn; en in andere opzichten zijn wij zodanig met onszelven ingenomen, dat wij werkelijk onze uilen voor valken aanzien, onze nationaliteit is dus zeer inconsequent."
( Muzijkaal Tijdschrift 1 - 5 - 1841 )
'Moonligt again 3', voor vl, vla, cl en piano
Juist hier
“Ik zie de schrikwekkende ruimtes van het heelal om mij heen, en zit vast in een hoekje van deze enorme uitgestrektheid, zonder te weten waarom ik juist hier geplaatst ben, en niet ergens anders (…) Al wat ik weet is dat ik spoedig moet sterven, maar wat ik het minst ken is precies deze dood waaraan ik niet ontsnappen kan.” ( Pascal 1 )
Het is vlak voor Kerstmis.
In een middelgrote stad, in een middelgroot café, zitten zes mensen aan tafel. Het besluit om gezellige familieavond te houden is moeizaam tot stand gekomen. Het plan om juist op deze dag bij elkaar te komen was het gevolg van eerdere mislukte pogingen en dat bleek een slecht voorteken te zijn voor wat volgde.
De genoemde zes mensen zijn geen vrienden, ook geen kennissen, die elkaar toevallig in het café ontmoetten, maar familie van elkaar: twee zussen en een broer, met hun respectievelijke partners; drie mannen en drie vrouwen. De vrouwen zitten aan de ene kant van de tafel, de mannen aan de andere kant. Op zichzelf nog geen onoverkomelijke hindernis voor een leuke bijeenkomst.
Hoofdonderwerp aan tafel: ervaringen die stammen uit een gedeeld verleden, dat niettemin zeer verschillend wordt geïnterpreteerd en aanleiding geeft tot verhitte discussies, felle verwijten en grove beschuldigingen.
De twee zussen en hun broer stammen uit een gezin van vijf personen, waarvan de jongste broer al enkele jaren gelden is gestorven aan drugsverslaving en de op één na oudste zus, die al jaren geleden met de familie heeft gebroken. Deze gebeurtenissen en vooral de manier waarop ze al jarenlang door de overige familieleden worden besproken, zetten ook nu weer de toon: de “wegloopster” is het, die haar lot volledig over zichzelf zou hebben afgeroepen, zoals het ook de verslaafde broer is, die zijn ongelukkig leven hoofdzakelijk aan zichzelf te wijten zou hebben.
Alleen de oudste zus waagt het bij dit eenzijdige beeld serieuze vragen te stellen. Zij is ook degene die haar jongste broer de laatste jaren van zijn leven daadwerkelijk heeft geholpen. Tot veel begrip tussen de overige familieleden heeft dit overigens niet geleid; temeer, omdat zij het waagde de persoonlijke, maar ook de sociale en familiale achtergrond van de gestorven broer en de afgehaakte zus aan de orde te stellen; gevaarlijk terrein voor wie zelfonderzoek, terugblikken op de vroegere thuissituatie en de traumatiserende gevolgen van een en ander, al een leven lang taboe zijn.
Opvallend is, dat de meeste tafelgenoten geen enkele twijfel koesteren over hun met verve geuite opvattingen. Zij blijven het kwaad uitsluitend in de persoon van de afwezige en de gestorven ander zoeken. Zelf schijnen de kwaadsprekers geheel zonder zonden te zijn en wassen de handen in onschuld; elk besef van een andere mogelijkheid lijkt te ontbreken.
Niet alleen directe familieleden zijn het slachtoffer van het verdict, ook kinderen zijn doelwit. Zo wordt een kind van de oudste zus vals beschuldigd van diefstal, die zo’n vijfendertig jaar geleden zou zijn gepleegd. Het gaat hier om een directe beschuldiging aan het adres van de aanwezige moeder van het kind; omdat de beschuldiging niet wordt ingetrokken ondanks een totaal gebrek aan concreet bewijs ( integendeel, de beschuldiging wordt uitgebreider dan voorheen, in geuren en kleuren herhaald ) ontstaat een penibele situatie, die uiteindelijk, zo bleek, wel moest uitlopen op de zoveelste ruzie/ clash/breuk in de familie.
Maar eerst - alsof dit nog niet voldoende was - werd het vuurtje nog verder opgestookt en zorgde dezelfde vrouw, de vrouw van de oudste broer van de familie, nog voor een pijnlijke escalatie. In haar bijna toxische ijver wordt de partner van het jongste familielid beschuldigd van corrupte praktijken bij de verkoop van het familie-huis. Weer gaat het om een directe beschuldiging aan het adres van de man die naast haar aan tafel zit. De man begrijpt al snel dat tegen dit en ander leugenachtig geweld geen kruid is gewassen en haalt zijn schouders hierover op. Zijn partner evenwel, de jongste zus, heeft besloten deze al decennia-oude leugen definitief uit de wereld te helpen. Zij neemt het op voor haar man, maar weer niet voor haar oudste zus, de moeder van het van diefstal beschuldigde kind, hetgeen weer grote ergernis opwek, enzovoort enzoverder.
Het lijkt erop dat actief en bewust desinformatie wordt verspreid; daartegen weerstand bieden is bijna onmogelijk zonder in onmin met elkaar te geraken. Over de partner van de oudste broer lijkt een kwade geest vaardig te zijn geworden: haar lichaamstaal, chagrijnig uiterlijk, verongelijkte toon, weggedoken in een hoek, de jas al die tijd om haar schouders, verraadt onmiskenbaar, ook voor een onschuldige toehoorder, de aanwezigheid van negatief-rancuneuze gevoelens; haar beweringen spuiten gif, die van anderen worden grofweg weersproken, ontkend, of agressief in een vlucht naar voren gepareerd. Smalend laat ze zich bovendien uit over het gedrag van haar partner, die op zijn beurt geroutineerd laat zien dat het hier gaat om vaste omgangspraktijken.
Bij dit alles gaat het zoeken naar overeenstemming volledig verloren en het lijkt erop, dat dit ook helemaal niet de bedoeling is geweest. Of beter gezegd, het lijkt erop dat het zoeken ook nooit is begonnen of misschien zelfs ook nooit heeft kúnnen beginnen door allerlei vuige streken van het lot en de ( voor- ) geschiedenis.
Hoe dat ook zij, boven het tafelgesprek hangt in grote, fel-gekleurde, met koud neon-licht uitgevoerde letters het woord ‘wantrouwen’. Het vormt de grondtoon van de meeste gesprekken, die op die late namiddag plaatsvinden in een middelgroot café in een middelgrote stad.
De gesprekken, als dit tenminste een woord is die het spektakel dekte, kunnen met gemak gelardeerd worden met nog meer, weliswaar kleinere, maar niettemin door- etterende beschuldigingen uit de boordevolle met verwijten, beschuldigingen en roddels geladen grabbelton van het familie-verleden.
Met enkele ervan wordt deze korte impressie van een onvergetelijke middag besloten.
De ex van de oudste broer werd ruimhartig met pek besmeurd door haar alsnog na tientallen jaren te beschuldigen van hoererij, terwijl ze naar alle waarschijnlijkheid na vreemdgaan van haar partner, de benen had genomen. De kwaadsprekerij beperkte zich niet tot de eigen familie: de oudste zus werd valselijk beschuldigd van een aangifte van kindermishandeling. Dat er inderdaad sprake is geweest van mishandeling staat inmiddels wel vast; een kleine oase in een woestijn van verdachtmakingen; ook al betreft het kwalijke zaken en gaat het om kinderen van een nicht van de familie. En dan nog het fantasierijke verhaal van de vrouw van de oudste broer, dat de oudste zus zou hebben geprobeerd zijn ex opnieuw te koppelen aan haar broer! Terwijl de genoemde ex de relatie juist beëindigde omdat haar partner, de oudste broer dus, haar bedroog met andere vrouwen! Alles bij elkaar uitstekend materiaal voor een uitgebreide familie-roman, ware het niet dat de werkelijkheid van wat zich afspeelde op deze middag de fictieve werkelijkheid van de roman verre overtreft.
Tot slot nog deze willekeurige afsluiter: het betreft een cadeau voor één van de familieleden.
De oudste zus wordt er door de schoonzus, de partner van de oudste broer, van beschuldigd niet te hebben meebetaald. De oudste zus en haar partner zorgden in dit geval voor een eigen cadeau. De schoonzus kwam na een ontvangen verkeersboete alsnog aan de deur om het zogenaamd achterstallige geld voor moeders cadeau op te eisen. Om de zoveelste roddel en ophef ( en mogelijke breuk ) in de familie te in de kiem te smoren, hebben de beschuldigde zus en haar partner haar maar wat geld gegeven. De lieve vrede eist nu eenmaal altijd haar prijs, maar deze keer werd, in een middelgrote stad in een middelgroot café, die prijs wel erg duur betaald.
“Ik zie de schrikwekkende leegheid van het menselijk samenleven om mij heen, en zit vast in een hoekje van deze enorme uitgestrektheid, zonder te weten waarom ik juist hier geplaatst ben, en niet ergens anders (…) Al wat ik weet is dat ik spoedig moet sterven, maar wat ik het minst ken is precies deze dood waaraan ik niet ontsnappen kan.” ( Pascal 2 )
'Moonlight again 4', voor vl, vla, cl en piano