'Windbrekers 1',  voor piano

 

in het geding

 

"Onze beschaving is in het geding";  klopt deze uitspraak? is elke beschaving, door heel de geschiedenis heen, niet altijd in het geding, of is de uitspraak alleen geldig voor onze tijd? Dat hangt er m.i. van af hoe je naar de geschiedenis kijkt en wat je onder beschaving verstaat. Als je bijvoorbeeld onder beschaving verstaat: gerechtigheid/rechtvaardigheid voor iedereen, dan kent de geschiedenis nauwelijks een periode, waarin dit niveau van beschaving wordt of werd bereikt; versta je onder beschaving: de afwezigheid van oorlog, dan laat de geschiedenis een groot aantal beschavingen zien, die in meer of mindere mate gelijkwaardig naast elkaar kunnen en hebben kunnen bestaan. (vreedzame coëxistentie van onderling zeer verschillende ideologieën en culturen). 

Beschaving is daarom een hiërarchisch begrip, waarbij de nadruk ligt op verschillende stadia van beschaving en elke poging om de volgorde van die stadia te reconstrueren, ontkomt niet - hoe “objectief” ook vastgesteld - aan impliciete (zogenaamd “subjectieve) waarde-oordelen, die hierbij meespelen. Dat geldt ook voor de volgende tekst!

 

Onze ( West-Europese) beschaving wordt tot nu toe gekenmerkt door de rechtsstaat met ( o.a.) mensenrechten, individuele vrijheid en het recht op vrije meningsuiting: iedereen mag ongeacht zijn/haar positie, status en politieke kleur, uitkomen voor zijn/haar idee van het goede (schone en ware) leven. Waaruit dat goede zou bestaan, wordt niet langer van bovenaf opgelegd of door religie (god) bepaald en misschien is het ook niet langer wenselijk hieraan een eenduidige invulling te willen geven. Maar leveren we, in onze individualistische cultuur, onszelf daarmee niet uit aan een chaos van levensbeschouwelijke oriëntaties, waarbij ieder voor zichzelf maar moet uitmaken waarvoor hij/zij wil leven? "De markt is vandaag de dag nog groter en luider geworden. De hele wereld verandert in een lawaaiige markt. Alles is nu een waar. Zo schettert en schreeuwt alles om aandacht. Het leven wordt zelf markt- en warenvormig. Iedereen is nu zijn eigen ondernemer, die voortdurend zichzelf produceert en zich performt. Zo lijkt iedereen op een marktschreeuwer." ( Byung - Chul Han...Filosofiemagazine, 6 - 1 - 26) En kan dat juist niet leiden tot een vorm van onverschilligheid, waarbij elke oriëntatie wordt gerelativeerd of geneutraliseerd, of , omgekeerd, waarbij in de chaos van concurrerende en schreeuwende overlevingsdrang juist de grootste roeptoeters en  spreekbuizen zich op de voorgrond dringen?

 

Er zijn tekenen die erop wijzen dat onze beschaving aan een zijden draad hangt. Ik stel een kleine typologische benadering voor, gericht op één willekeurig individu, niet alleen omdat die vraag m.i. iedereen persoonlijk aangaat, maar ook omdat ik niet over de middelen voor een grotere greep beschik; een soort "ideaaltype": een vereenvoudigd model van een sociaal-psychologisch verschijnsel, gemaakt door de meest kenmerkende eigenschappen te "overdrijven" .

 

Het niveau van beschaving daalt, naarmate je minder laat leiden door positieve waarden,  als je je geweten hebt gebracht naar de antquiteitenwinkel , als je weerzin voelt tegen elke vorm van "betutteling", als je elke uitspraak van  spirituele, religieuze of metafysische aard weghoont, als je geen zin meer hebt in de tien geboden, als de bijbel en boeken met aanverwante normen je onverschillig laten, als je niet geïnteresseerd bent in de positie van rechteloosheid  waarin andere mensen verkeren, behalve die van je eigen groep,  als je wegkijkt van gewelddadige incidenten, als je  klakkeloos  je eigenbelang vooropstelt, als je moeilijk in staat bent bewondering voor iets of iemand te hebben, als je niet meer kunt liefhebben, als je beschuldigend in het leven staat, maar zelf zelden of nooit iets  onderneemt. Dan ben je m.i. al behoorlijk op weg te worden naar wat ik maar een nihilist noem..

 

Noem je elke bemoeienis, of die nu komt vanuit maatschappelijke instituties, of van de staat, "moralistisch"  dan bevind je je m.i. op glad ijs; ben je, zonder dat je je dat bewust bent, altijd bezig alles af te meten aan de vraag, of iets voor jou profijtelijk is of niet, dan ben je door het ijs gezakt; "eigenbelang eerst" is het wrakke hout waar jij je aan vastklampt maar dat jou steeds verder meesleurt in de maalstroom van het kwaad. Je hebt geen grond onder de voeten. Je hebt niets (meer) om je schrap te zetten.Je weet niet waarom en hoe dat zou moeten. Van een soort van innerlijk leven kun je je geen enkele voorstelling maken en ook niet van zoiets als de waarde van ieder mensenleven. Niet ieder mens is evenveel waard, want waarop  zou je die waarde  moeten baseren? De leegte en de wrok die je voelt zijn bepalend geworden voor de manier waarop je in het leven staat.

 

Je denkt dat je het beste voorhebt met de mensen in het land, maar in feite gaat het met jou van kwaad tot erger; in potentie een route van eigenbelang eerst naar groepsbelang eerst, van groepsbelang eerst naar discriminatie, van discriminatie naar racisme, van racisme naar minder rechten, van minder rechten naar eigen richting, van eigenrichting naar machtsmisbruik, van machtsmisbruik naar geweld. 

 

Het nihilisme is al sinds lang een bekend verschijnsel en begint eenvoudig: klassieke deugden als barmhartigheid en naastenliefde worden ouderwets gevonden en verdwijnen als eerste; ze worden weggehoond als softe prietpraat voor keurige burgers; temeer omdat ze geassocieerd worden met achterlijke relikwieën uit een religieus verleden. Bovendien zijn ze totaal niet sexy; schelden en schoppen zijn leuker, veel bevredigender en tegenwoordig krijg je er meer volgers door. De opgestoken middelvinger is vandaag de dag een gebruikelijke en zichtbare manier om anderen te verwensen. Voordeel: je kunt laten zien dat je nergens bang voor bent, en al helemaal niet als je met een grote groep (horde) bent. Op een gegeven moment ga je van schelden naar intimideren, van intimideren naar bedreigen, van bedreigen naar molesteren en van molesteren naar saboteren of erger. Er is toch niemand die je wat terug durft te doen; je ruikt macht en status. Zeker in een land dat toch al overloopt van tolerantie en verwijfde permissiviteit, vind je.

 

Verboden werken bij jou als een lap op een rooie stier; het provoceren en negeren van verboden vind je een van de grootste attracties. Het brengt je lustgevoelens. De brave burger leeft volgens jou in een corset van regeltjes, van huwelijk, moraal en maatschappij. Je lacht erom, als ze jou maar met rust laten. Jij denkt met maar weinig regels toe te kunnen. Je snakt naar een soort natuurstaat van vrijheid en ongebondenheid; schelden, beledigen en ook haat zaaien op internet vind je heel gewoon en zelfs prettig; gebrek aan bescheidenheid noem je assertiviteit, je kunt eindelijk afrekenen met je ouderwetse christelijke achtergrond en met de last van je verstand dat je tijdens je opvoeding hebt meegekregen toen je leerde dat je voorzichtig moest omgaan met  andere mensen. 

 

Dat het kwaad altijd ligt bij de ander is normaal voor jou; een automatische reflex; zelf ontloop je elke publieke verantwoordelijkheid. De publieke ruimte overigens is van niemand, denk je, hooguit een verlengstuk van jouw eigen ik, dat je samen met kameraden, of leden van de groep waartoe je behoort, ten eigen bate benut. Verantwoording ben je alleen maar schuldig aan de groep die je blindelings volgt en waarbinnen je je veilig voelt, ook als er maatregelen worden genomen, die weinig goeds beloven voor de (groepen) mensen, die je toch al nooit mocht. Je voelt je vernederd door vermeende vijanden die jou belagen, je hebt maar één antwoord en dat is haat. Zonder het zelf te weten ben je bezig het taboe op het kwaad geleidelijk af te schaffen. Je bent trouwens al langer bezig de aanmaak van moraliteit te stoppen.

 

 Je leidt vol overgave, maar zonder enige reflectie, een zelfzuchtig, egocentrisch en ongecompliceerd leven. Je doet niet aan onthaasting, wellness en lekker tot jezelf komen, dat is totaal niet aan je besteed. Je trekt je ook niet terug om te mediteren of aan yoga te doen. Dat is goed voor mensen uit sjieke buurten, mensen met veel geld en tijd. Je denkt daarmee dat je met jouw manier van leven niemand kwaad doet. Om je heen zie je alleen maar mensen net als jij, mensen die overal lak aan hebben. Dus wat wil je. Je wilt dat er niet met jou of jullie gesold wordt. Willen jullie meer of minder regels? En je schreeuwt samen met duizenden anderen: minder, minder. Je wilt je door niemand de wet laten voorschrijven en al helemaal door al die mensen die elke dag aan  praattafels zitten, want die weten allemaal zogenaamd wat goed voor jou is. Politici zijn mensen aan wie je in principe een hekel hebt. Al dat gepraat leidt toch nergens toe. 

 

Je vindt dat je overal recht op hebt net zoals ieder ander en je raakt in alle staten, als je dat recht wordt ontnomen, of als je alleen maar denkt dat dit het geval is. Je denkt dat vrij snel, omdat je dat van alle kanten in de samenleving en door de social media wordt aangepraat. Overigens: alles wat je weet komt zo ongeveer van de social media. Of je verplichtingen hebt, maak je zelf wel uit. Je maakt geen verschil tussen informatie en desinformatie, omdat je via de social media alleen hoort wat je graag wilt horen. Complottheorieën bestaan nauwelijks in jouw wereld, of het zijn de complotten van groepen mensen waar je niets mee hebt, bijvoorbeeld - ik noem ze in willekeurige volgorde -  moslims, kunstenaars, journalisten, buitenlanders, rechters, intellectuelen, waar gewone mensen als jij  de dupe van zijn. Voor een grote bek tegen personeel van publieke diensten schrik je ook niet terug, zoals ambulance-personeel, politie, treinpersoneel enzovoort en zoverder.

 

De wereld bestaat voor jou uit daders en slachtoffers en toevallig behoor jijzelf tot de laatste groep. Je hebt altijd wel iets om over te klagen. Daarom ben je ook steeds zo verontwaardigd. Je zult er alles aan doen om die verontwaardiging redelijk te laten lijken, maar als die verontwaardiging weer aan teveel regeltjes gebonden is, dan verandert de wolf die zich eerst hulde in schaapskleren, in een bloeddorstig roofdier. Wat je zou kunnen doen: je kunt steun en bevestiging zoeken bij partijen die jouw teleurstelling en rancune weten te formuleren in een heldere en duidelijke taal; een taal die niets te wensen overlaat: gebruik maken van scherpe tegenstellingen, die ondubbelzinnig duidelijk maken wie je vrienden zijn en wie je vijanden.

 

Waarschijnlijk vind je dat je helemaal niet door de bodem bent gezakt, dat je de bodem niet eens hebt bereikt,  dat bovenstaande beschrijving door de bank genomen een vertekend beeld geeft van je manier van leven en van jouw beeld van de samenleving? Dat kan, maar het is wel het beschavingsniveau dat jij normaal vindt, een niveau zonder hiërarchie. Jouw beschaving kent geen "hoger" en "lager" niveau. Jouw niveau is het enige niveau, dat maar één waarde kent: dat van het ressentiment. Nihilisme paradoxaal genoeg als norm, beschaving in het geding.

PS

Toevallig lees ik de Volkskrant van 9 januari 2026 over: "...het verschijnsel dat het werk van beroepsgroepen die te maken hebben met klanten, patiënten, leerlingen of hun ouders de laatste jaren wordt verziekt door grote bekken die het aan zelfkritiek totaal ontbreekt. Alle dagen bezwijken ambulancebroeders, apothekersassistenten, dokters, leraren, lokettisten, scheidsrechters, treinconducteurs en verpleegkundigen onder de agressie van hun over-assertieve klandizie. (...) Tamelijk tevreden zijn met jezelf is mooi, maar weinig is erger dan de horde die zich boven elke kritiek verheven acht, geen uitstel van behoeftebevrediging verdraagt en het boze kind in zichzelf vrij baan geeft om met gebrul, dreigementen of geweld hun woede over onwelkome boodschappen af te reageren."  (Jolande Withuis, VK, 09 - 01 - 2026)

 

 

DE OUDE GEUR VAN HOGER HONING ( 1 )

     Ja-ga-dada!

        Antony Kok op het spoor

Inleiding

 

Gedurende de periode dat ik muziek componeerde voor een aantal klankgedichten van Antony Kok heb ik mij de vraag gesteld naar het hoe en waarom, de portee van deze poëzie. Voor een bevredigend antwoord stuitte ik op vragen van filosofische, theosofische en religieuze aard. Of ik er in geslaagd ben vanuit deze vragen tot een samenhangend verhaal te komen, mag onderstaande tekst uitwijzen. Vast staat dat de poging er toe een bijzondere ervaring toevoegde aan mijn muzikale bezigheden.  

 

Achtergrond

 

Al in het laatste kwart van de negentiende eeuw bestond er een levendige discussie over de richting waarin de maatschappij zich ontwikkelde en moest ontwikkelen. Er bestond grote onvrede over het één-dimensionale, economische denken, dat ernstig tekort deed aan ’s mensen geestelijke aspecten, die men langzaam maar zeker zag verschralen, verdwijnen en plaats maken voor de “homo economicus”. De samenleving kwam steeds meer  in de ban van een zakelijke, bureaucratisch georiënteerde vooruitgangsideologie,  “waarbij de bovenzinnelijke, geestelijke wereld steeds verder weg nevelde”. (1) Er ontstond een nieuw wereldbeeld, waarin er steeds minder plaats was voor God. Wat plaatsvond, wordt met een woord van Max Weber, ook wel “Entzauberung der Welt” genoemd. Fundamenteel voor deze ontwikkeling is de (positivistische) reductie van de werkelijkheid tot “feiten” en " dingen"; rationalistische concepten komen in de plaats van idealistische en utopistische ideeën; een agnostische en atheïstische levensbeschouwing verdringt gaandeweg de traditioneel christelijke.

“De breuk met de dogmatisch georiënteerde kerken en de afkeer van het materialistische denken had een algehele twijfel aan “vastigheden” tot gevolg. Of zoals de  Sopper schreef: “Het cement van de samenleving laat los”.(2)

Nieuw cement was te vinden in allerlei stromingen, die streefden naar fundamentele, spirituele en maatschappelijke vernieuwing. 

Dit streven beperkte zich niet tot academische kring, maar werd gedragen door allerlei groepen in de samenleving zoals theosofen, spiritisten, kunstenaars, anarchisten, kolonisten, christenen van velerlei snit, buitenkerkelijken en theologen, een zeer gemêleerde tegencultuur kortom, die zich afzette tegen de dominante “materialistische” mainstream-cultuur.

Antony Kok is een duidelijke representant van bovengenoemde cultuurkritische beweging, die overigens al in de negentiende eeuw zijn wortels had. (3)

 

Het relatief kortstondige avontuur ( 1915 – 1923) van Antony Kok met het genre experimentele poëzie is opmerkelijk, gezien tegen de achtergrond niet alleen van de meer conventionele, impressionistische lyriek, die hij óók schreef, maar vooral tegen de achtergrond van zijn eigen filosofische bijdragen aan het tijdschrift De Stijl. Zo lijkt het althans.Tegenover een onmiskenbaar speelse, dadaïstisch angehauchte, nieuwe poëzie staat een even onmiskenbaar filosofisch aplomb, dat zijn Denkextracten aankleeft, filosofische bijdragen die m.i. noch qua stijl, noch qua inhoud beschouwd kunnen worden als de pennenvruchten van een groot filosoof of systeembouwer.

Wel voel ik mij verplicht te vermelden dat we –misschien wel juist hierdoor – kunnen beschikken over een schat aan achtergrondkennis en –materiaal, dat de toenmalige tijdgeest weerspiegelt, voor zover deze althans het geestesleven betreft.

 

 kwestie

 

In Kok’s bijdragen aan De Stijl herkennen we de voor die tijd modieuze door de theosofie aangeraakte gedachtewereld als één van diens permanente inspiratiebronnen; zeker als we zijn latere “bekering” tot het genootschap van de Rozenkruisers in aanmerking nemen.

Is dit gegeven van groot belang voor de interpretatie van diens poëzie? Waarom zouden we Kok ’s poëzie moeten begrijpen vanuit diens eigen gedachtewereld?  Als we bij het lezen van zijn zogenaamde klankgedichten ons afvragen welke bedoeling de dichter hiermee had, is het dan nodig dat we diens metafysica in de Denkextracten raadplegen?  Is het niet voldoende mij in te leven in zijn poëzie en daar mijn voordeel mee te doen? Is het niet voldoende dat ik gefascineerd ben door bijv. beknoptheid, constructie, typografie, originaliteit, klank? Is daarnaast per se ook nog een "achterliggende" verklaring nodig?

Deze vragen klemmen des te meer, omdat de betreffende poëzie zich in eerste instantie, a.h.w. voor de nietsvermoedende lezer, vertoont op een wijze die zo weinig “filosofie” bevat dat zij zich juist lijkt te onttrekken aan elke bedoeling: kaal tot op het bot en obstinaat in het vermijden van expliciete “betekenis”, nagenoeg zonder "zin"(s)-verband:  minimal art avant la lettre, zou je zeggen.

Nee, zo'n verklaring is m.i. niet per se nodig; kunst leeft  bij de gratie van (de mogelijkheid van) verschillende interpretaties en dus: so what?

In deze interpretatie ga ik er echter wèl van uit dat we er goed aan doen de selfmade filosoof Kok te raadplegen om meer inzicht te krijgen in diens poëzie, zonder daarmee het goed  recht van andere interpretaties bij voorbaat te betwisten…

Welnu.

 

filosofie

 

 De principes van zijn “Denkextracten” kunnen worden beschouwd als de uitdrukking van een idealistische cultuurfilosofie, die in zijn radicaliteit en mystieke kern sterk doet denken aan een esoterische, “verschoven” vorm van traditioneel christendom, of, zoals Jaffé in zijn onderzoek naar De Stijl vermeldt, aan een wijze van filosoferen die zelfs herinnert aan de oude platoonse ideeënleer.(4) De principes er van zijn metafysisch van aard, d.w.z. ze zijn gebaseerd op de overtuiging dat de essentie van de werkelijkheid meer is dan wij met behulp van onze zintuigen kunnen bevatten, het intuïtieve besef dat dat de ware kern van de wereld onze zintuiglijk waarneembare wereld overstijgt, en dat deze ware kern slechts te bereiken is 

 

door een kwalitatieve sprong in de wereld van het abstracte zuivere denken, of “schouwen”, zoals Antony Kok zegt. De oorspronkelijke ervaring van eenheid en samenhang van kosmos en wereld is hierbij richtinggevend; die eenheid is niet, zoals voor velen in die tijd het geval was, gefundeerd in kerkelijke dogma's, maar in de als redelijk gevoelde opvatting van de kosmos als een inzichtelijke, eeuwige en goddelijke werkelijkheid, waarvan de werking (minstens in potentie) voelbaar is in elk individu afzonderlijk; een effect, dat in de taal van de Rozenkruisers een " goddelijke vonk" genoemd wordt. De kosmische werkelijkheid staat niet tegenover de menselijke wereld, maar vormt ermee een "bezield verband", hoewel, soms ontkom je niet aan de indruk dat Kok schatplichtig blijft aan het "oude" christelijke wereldbeeld, waarin er wel degelijk sprake is van een "tegenover": de traditioneel-christelijke god, die "van buiten af"  zijn schepping aanstuurt, is in het wereldbeeld van Kok nog altijd sterk present, weliswaar in afgezwakte vorm en in samenhang met de "universele" waarheden van een " holistisch" opgevat universum. Het menselijk bestaan  komt daardoor in een ander "licht" ( een overigens veelbetekenende  term van de Rozenkruisers) te staan:  de tragische veranderlijkheid en eindigheid ervan is niet langer de essentie. 

 

Van de tragische toevalligheden van het leven is abstractie mogelijk door - naar een woord van Kok- het  "humanitaire" ondergeschikt te maken aan het "esthetische". 

Tragiek is toevalligheid par excellence: tragiek is het ontbreken van transparantie, uitzicht, perspectief; tragiek is afgesloten zijn van het geheel, van een zinvolle totaliteit; tragiek is kortom een zinloos bestaan in een onverschillig universum. De onophefbare eindigheid en alle daarbij behorende rampspoed heeft in deze filosofie niet het laatste woord: dat is aan de kunst, die zijn "nieuwe" esthetica niet verzaakt.  Kunst en esthetica hebben in zo'n filosofie niet de aparte status, die ze in de loop van de tijd hebben gekregen; kunst is geen toevallige sub-categorie en staat niet op zichzelf; kunst tilt het bestaan als zodanig op naar een niveau, dat het " humanitaire" te boven gaat, er zin aan verleent en de kwaliteit ervan verbetert. Een tragische kijk op het bestaan blijft gevangen in de "natuurlijke instelling" (zie verderop), die zich neerlegt bij  het "natuurlijk" karakter van het menselijk bestaan en al de sentimenteel "subjectieve" aandoeningen die daarbij horen. Schoonheid is in deze filosofie geen neerslag van individuele zieleroerselen, maar geeft uitdrukking aan waarden van universele strekking. Schoonheid als afdruk van de kosmos.

Karakteristiek voor de Denkextracten is m.i. de gedachte dat men via de kunst in contact kan komen met het eeuwige, het universele, het mysterie, niet door het heil te verwachten van “externe”, al of niet door kerken voorgehouden, waarheden of dogma’s, ook niet door het heil te verwachten van een op materialistische leest geschoeide ( natuur)wetenschap, maar door gebruik te maken van de spirituele mogelijkheden in ieder mens zelf, d.w.z. door middel van “verinnerlijking”, intuïtief  inzicht , door “gnosis”.(5) Voorwaarde hierbij is het uitschakelen van de "natuurlijke instelling", in gnostische termen : het "ontwaken", – het abstraheren – want abstractie laat de werkelijkheid  niet langer zien in haar individuele en veranderlijke bijzonderheid, maar in haar wezenlijke eenheid en samenhang.  Het overwinnen van de “natuurlijke instelling” is één van de belangrijkste motieven van Kok’s  Denkextracten; het bestrijden er van de eigenlijke inzet van zijn bijdragen in De Stijl; in het vanzelfsprekend “dualisme” tussen het bewustzijn en een daarvan onafhankelijke “natuurlijke” wereld, d.w.z. in de “natuurlijke instelling”, inclusief de natuurwetenschappelijke instelling, wordt de werkelijkheid vertekend: gewoonlijk, d.w.z. in de tredmolen van het alledaagse leven, veronderstellen we dat de dingen zoals we ze gewoonlijk zien (en met behulp van de wetenschap onderzoeken) ook bestaan onafhankelijk van de manier waarop we ze waarnemen; we denken de wereld te kennen, zoals die in werkelijkheid is, nl als een vanzelfsprekende verzameling van feiten en dingen. In de Denkextracten gaat het om die "natuurlijke" vanzelfsprekendheid

religie

 

Met opzet liet ik de termen "Rozenkruisers" en "gnosis" vallen omdat naar mijn overtuiging de " vroegere"  filosofie van de Denkextracten alles te maken heeft met Kok's "latere" toetreding tot het genootschap van de Rozenkruisers. De gnostische inslag van de teksten uit de Stijl-periode staan in te nauw verband met het gedachtegoed van de Rozenkruisers, om zo maar over het hoofd te zien.

 

Opvallend is op de eerste plaats hun gemeenschappelijke fundamenteel anti-naturalistische strekking. Onder naturalisme versta ik in dit verband die manier van denken, die geen andere entiteiten, objecten of gebeurtenissen als bestaande erkent dan die van nature gegeven zijn, dan wel op natuurlijke, eventueel wetenschappelijke wijze zich laten verklaren of begrijpen. 

Het moge duidelijk zijn, dat de nadruk op de geest en een daarop gebaseerd kosmisch-universeel bewustzijn(6), zo kenmerkend voor Kok's bijdragen aan De Stijl, evenals voor de spiritualiteit van de Rozenkruisers, met dit naturalisme onverenigbaar is.

Op de tweede plaats is zowel in de Denkextracten als in het gedachtegoed van de Rozenkruisers een anti-dogmatische geest werkzaam, gericht op toenmalige en latere dogma's van de gevestigde, traditionele religies, maar vooral ook - uiteraard der zaak - op een in zijn ogen verouderde, naturalistische esthetica. De (niet overdreven, maar wel degelijk aanwezige) oproep tot authenticiteit in de Denkextracten, is zeer goed verenigbaar met de individuele spiritualiteit van de Rozenkruisers, die een spiritualiteit van verinnerlijking is, van "gnosis".

 

Het genootschap van de de Rozenkruisers  was één van de “petites religions” die rond de vorige eeuwwisseling van zich deden spreken; de aantrekkingskracht hiervan was zo groot, dat Kok op latere leeftijd van Tilburg naar Haarlem verhuisde om  tot het genootschap toe te treden. 

De Rozenkruisers hebben grote invloed gehad op het religieuze denken in Europa vanaf de Renaissance. Voor de ontwikkeling van het renaissancistisch wereldbeeld  zijn de hermetische geschriften ( zoals het Corpus Hermeticum) van groot belang geweest. De christelijke stroming van de Rozenkruisers is in de zeventiende eeuw ontstaan; het gedachtegoed, de spiritualiteit ervan zo men wil, kan niet los gezien kan worden van deze hermetische geschriften, die de basis vorm(d)en van religieuze en maatschappelijke vernieuwing; men verwachtte  niet het heil van een Verlosser, maar van inzicht in de mens zelf (“gnosis”) omdat in ieder mens een “goddelijke vonk” aanwezig is. De mens kan in contact treden met het goddelijk geheel door inzicht en intuïtie, door te streven naar het hogere. Om die reden wordt de mens  in het Corpus Hermeticum  “een groot wonder”(7) genoemd.

Rozenkruisers geven gehoor aan de oproep tot een reformatie die in de mens zelf moet plaatsvinden. De roos is een aanduiding voor het onvergankelijke principe waarin “alles  is neergelegd  wat nodig is voor het herstel van het oorspronkelijk goddelijke in de mens (…) vanuit dit gnostieke beginsel gaat een ononderbroken roep uit ( …) die alleen kan worden gevolgd vanuit een eigen herkennen (…) de Rozenkruiser is iemand  die zich vreemdeling weet op aarde, zoekend naar het andere, de Andere, het wonderbare(…)”(8)    

 

 

De christelijke levensovertuiging zoals die bij de Rozenkruisers tot uitdrukking kwam, was niet langer een kwestie van traditie, maar het gevolg van een bewuste keuze, waaraan een proces van bekering voorafgaat en die gevolgd wordt door  - met een term van de Rozenkruisers – een proces van “transfiguratie”, d.w.z.  een streven naar het hogere  volgens wegen van spirituele ontwikkeling. 

Dat Kok’s levensbeschouwing zich al vroeg in deze richting bewoog, moge blijken uit Excelsior, één van de drie gedichten van Kok die in 1917 in het tijdschrift Eenheid werden gepubliceerd (9)

                                              

                                               Uit de diepte, onpeilbaar en duister,

                                               ben ik en het zijnde geschapen.

                                               Naar de hoogte, onpeilbaar van luister,

                                               blikt ’t leven, in kluister van ’t duistere diep

                                               en streeft naar de hoogte, die ’t duistere schiep

 

poëzie

 

Wat mij in de poëzie van Antony Kok heeft aangetrokken is het grensgebied tussen muziek en taal. Één van de meest fascinerende aspecten van zijn zogenoemde “experimentele” poëzie is voor mij gelegen in haar focus op het woord als woord, losgeslagen van zijn gewone, "natuurlijke"  directe omgeving, losgeweekt uit zijn gangbare inhoudelijke betekeniscontext, onttrokken aan de complexiteit van interpretatie, verhaal en achterliggende boodschappen; hoewel, deze behoeven niet en zeker niet principieel  te ontbreken, zoals de poëzie van Kok laat zien; juist  in deze ambivalentie schuilt haar aantrekkelijke maar anarchistische aard; de (relatieve) betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en verstaanbaarheid worden ondergraven ten gunste van andere aspecten van taal, zoals klank, ritme, visuele en associatieve betekenissen.

 

Hoewel Kok’s experimentele gedichten zich lijken voor te doen als bij uitstek “concreet” en dicht bij de “gewone” werkelijkheid, zoals wij die menen te kennen, is er toch iets vreemds mee aan de hand: de werkelijkheid die er in ter sprake worden gebracht, lijkt niet slechts symbolisch vertegenwoordigd, maar “zelf tegenwoordig”: de betekenis ervan ligt niet buiten de woorden en ook niet in het enkele woord op zich, maar is te vinden in, of beter-  bestaat precies uit de samenhang tussen de verschillende, “losse”, woorden van het gedicht zelf en niet in de  verschijnselen, die een van het bewustzijn onafhankelijk bestaan zouden hebben; dat laatste is alleen het geval voor degenen, die (nog!) gevangen zitten in de “natuurlijke instelling”.

 

Ik kies een van Kok's klankgedichten als voorbeeld: JAGADADA

 

Het gedicht laat zich m.i. begrijpen als de zichtbare architectuur van bepaalde klankverhoudingen. ( Zie tekening) De woorden afzonderlijk kunnen niet los gezien worden van het geheel en andersom. Het klankenpalet wordt gemarkeerd door vier vetgedrukte, met hoofdletters geschreven uitroepen; daarmee is het gedicht verzekerd is van een verticale hoofdstructuur, terwijl de zijdelingse beweging van de " (héhé)  papadee's" en " (héhé) mamadee's" op de gulden snede van het gedicht weer wordt losgelaten. Samen met de " Ga mee jaja's" en het taps toelopende " Want olala"  ontstaat zo een trechtervormige totaalstructuur die als een aap uit de mouw uitmondt in de conclusie "DADA". Het losse uitroepteken tenslotte bevestigt de verticale hoofdstructuur van dun ("hoho")  naar breed en van minder breed weer naar dun ("!"); de horizontale structuur bestaat in eerste instantie uit symmetrische correspondenties van "("héhé)papadee's" en "(héhé) mamadee's" op enige afstand van de hoofdas. Vanaf de gulden snede van het gedicht krimpt die afstand, totdat - in het laatste kwart van het gedicht - ( "Want olala") een schijnbaar conventionele horizontale constructie overblijft; schijnbaar, omdat "Want" en "'t wordt" een conventioneel semantisch vervolg suggereren, dat niet wordt waargemaakt. Integendeel!

Het gedicht bestaat aldus uit elkaar kruisende verticale en horizontale lijnen. Het "wit", de ruimte tussen de lijnen, zorgen , samen met de "verticale" en "horizontale" tekstfragmenten,  voor een evenwichtige balans. De nieuwe representatie van de werkelijkheid is zo een combinatie van vorm en ruimte: het gaat niet alleen om de vorm, maar ook om het "wit" in en rondom de vorm.

De klank van het gedicht bestaat uit drie primaire klank-"kleuren", zoals opgebouwd uit de eenlettergrepige a-klank, e-klank en o-klank en verdeeld over de verticale en horizontale lijnen van het gedicht. Het herleiden van de "natuurlijke" taal tot elementaire, abstracte basisvormen en recombineren tot nieuwe vormen is voor JAGADADA, evenals voor Kok's overige klankgedichten, karakteristiek te noemen, zij het dat zelfstandige woorden ( zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, merendeels tweelettergrepig) ook tot de basisvormen gerekend kunnen worden. 

Deze werkwijze  zorgt voor het "staccato"-effect, dat zo kenmerkend is voor het ritme van Kok's experimentele poëzie. De meeste "experimentele" verzen van Kok zijn muzikaal geschreven in een tweedelige maatsoort. Dat maakt dat ze "hoekig" klinken. (10)

Zoals de tekening laat zien, vindt er -zowel verticaal als horizontaal- een sterke toename plaats van de a-klank: niet alleen omwille van de klank ("vers in a"), maar ook vanwege de conclusie "DADA". 

De visuele en auditieve wijze waarop de basisvormen van de taal gerecombineerd  worden tot een eenheid, die zelf weer constitutief is voor de betekenis van de discrete taaleenheden, zet een streep door de gewone "natuurlijke" manier waarop  wij teksten gewoon zijn te lezen en te begrijpen, en niet alleen teksten: de werkelijkheid is geen kwestie van dingen of feiten, maar eerst en vooral een gebeuren; zo kan het gedicht beschouwd worden als  een proces, waarin steeds uit eerdere gebeurtenissen nieuwe gebeurtenissen tot stand worden gebracht, waardoor het lijkt alsof het gedicht zichzelf voortbrengt. Dat bedoelde ik met de bewering, dat de werkelijkheid niet slechts symbolisch wordt gerepresenteerd, maar in het gedicht "zelf tegenwoordig" is. In het gedicht JAGADADA wordt in de taal de werkelijkheid tegenwoordig gesteld, zoals die als "onmiddellijk" beleefde werkelijkheid aan ons verschijnt, d.w.z. nog niet door "natuurlijke" taal en "natuurlijk" verstand geïsoleerd, niet als gevoelsontboezeming en zeker niet als (wetenschappelijk-)empirische waarneming van dingen en feiten, maar als aanduiding van het "innerlijk" wezen, als de intuïtief begrepen/aangevoelde kern van de gebeurtenis, waarop deze al of niet, in meer of mindere mate betrekking heeft; niet in haar individuele bijzonderheid, maar in haar wezen.  De afgewogen vormen, waarin het "gebeuren"  van JAGADADA gestalte krijgt, wordt gekenmerkt door dezelfde  "constructivistische" (11) architectuur, die ook het onderliggende concept vormde voor een nieuwe samenleving. "Een wereld waarin de grillige gevolgen van industrialisering en Eerste Wereldoorlog - overbevolkte, dicht geslibte steden, armoede en sociale ongelijkheid - zouden plaats maken voor een transparante samenleving. De orde, precisie en helderheid van de machine stonden hiervoor model."(12)

 

samenhang

 

 De "koele"precisie  van de binnen-literaire orde, de "rationaliteit" van de constructie, de helderheid van de procedure zijn evident, zeker, maar op grond waarvan, waarom, wat wilde de auteur van JAGADADA ermee bereiken, en in hoeverre is deze uitkomst een afspiegeling van zijn metafysica? Om dergelijke vragen te beantwoorden is een beroep op formeel-literaire eigenschappen van de poëzie  onvoldoende, of beter, er kan moeilijk een beroep op gedaan worden, omdat binnen dit gangbare (ook tegenwoordig als vanzelfsprekend  gehanteerde) formeel-analytische model deze zin- en waarom-vragen en in principe alle vragen die buiten het model vallen, als zinloos, onbeantwoordbaar en dus niet als ter zake worden beschouwd. 

Dus dan maar weer een beroep doen op de metafysica van Kok zelf, zoals in de Denkextracten beschreven?  of het gedachtegoed van de Rozenkruisers inzetten om tot een beter begrip te komen?

Inderdaad, alleen bevat de filosofie van Kok zoals boven omschreven, in mijn ogen onvoldoende aanknopingspunten om juist aan datgene recht te doen wat ik hierboven met "rationaliteit" bedoelde. De religieus getinte filosofie van Kok geeft wel inzicht in de samenhang tussen "boven" en "beneden", zoals  de Rozenkruisers zeggen, ik bedoel een wereldbeeld, waarbij het universum wordt gezien als kosmische eenheid; ook de anti-dogmatische en anti-naturalistische tendens van dit wereldbeeld zeggen veel over een vernieuwingsgeest, die de experimentele poëzie mogelijk maakten; maar ten aanzien van de "rationaliteit" is daarmee nog niet veel aangetoond. 

Daarvoor moeten we zijn bij de Nederlandse filosoof Spinoza. Uit recent onderzoek (13) is gebleken dat de medewerkers van De Stijl zich evenzeer voor filosofische als esthetische problemen interesseerden; Kok vormt daarop bepaald geen uitzondering; zeer ten onrechte wordt er gewoonlijk van uitgegaan dat zij zich uitsluitend met formeel-esthetische problemen bezighielden. In het bijzonder Spinoza's "Ethica" was van grote betekenis voor wijze van filosoferen van de medewerkers van De Stijl. Of Kok ook Spinoza heeft gelezen is mij niet bekend; hij verkeerde in ieder geval wel in een directe omgeving, waarin Spinoza's gedachtegoed circuleerde. " It is 'De Stijl's' primary concern to express and to demonstrate these laws of aesthetics which, at the same time, are the ethical laws, by the elementary means of expression which 'De Stijl' considered as exclusively suitable for their manifestation. When thinking of the farreaching ethical consequences that Mondriaan attaches to neoplasticism, may we permitted to draw a parallel between 'De Stijl' and the great work of another Dutchman: Spinoza? Has is not been the ambition of 'De Stijl' artists to establisch, in the utmost consequences of their work, another 'Ethica more geometrico demonstrata'? Is it not the emphasizing of the objectivity of their elementary means and their mathematically inspired composition, that entitled them to claim a universal value for their creations?"(14)

Spinoza heeft, en dat is zijn unieke prestatie, religieus-mystiek denken verenigd met rationeel-wetenschappelijk denken. Spinoza's behoefte om zijn systeem zo wetenschappelijk mogelijk uit te denken en vorm te geven, is bijna ad absurdum uitgevoerd in zijn Ethica, dat opgebouwd is als een leerboek voor wiskunde, dat uitgaat van definities en axioma's en waarin verder alles wordt bewezen aan de hand van stellingen. Het boven reeds genoemde dualisme wordt door Spinoza overwonnen  door de hele metafysica tot één grondprincipe te herleiden, nl. het eeuwige, noodzakelijke, volmaakte Zijn dat god genoemd kan worden. God is de grond van het bestaan en het wezen van de dingen; zoals uit het wezen van de driehoek volgt dat de hoeken samen 180 graden zijn, zo volgt uit gods wezen de wereld. Het "schouwen" van het "eeuwige", de "absolute geest" of "het mysterie" ( allemaal equivalenten, die we ook bij Kok tegenkomen!) is het uiteindelijk doel van het menselijk leven.  Een dergelijke filosofie (metafysica) gaat er vanuit dat werkelijke kennis van de dingen niet hun veranderlijke individualiteit betreft, maar hun wezen, d.w.z. niet om de dingen zelf gaat het, maar om de dingen als delen van een groter geheel, om de relaties er tussen.  "De nieuwe geest vernietigt het afzonderlijke. Het is niet voldoende dat men de vorm vervolmaakt, dat de verhoudingen harmonisch zijn, maar het geheel moet ook de beeldende uitdrukking van de verhoudingen zijn en die afzonderlijkheden laten verdwijnen", aldus Mondriaan in De Nieuwe Beelding.(15) Het gedicht JAGADADA is tegen deze achtergrond te interpreteren als een kunstproduct van bijna Mondriaanse signatuur.( Interessant in dit verband is het feit, dat aan het begin van de 20ste eeuw een filosofische richting in Nederland ontstond die was georiënteerd op de meer religieus-mystieke kant van Spinoza's denken.)

 

voorlopige conclusie

 

 Voorlopige conclusie: de kwestie van de ogenschijnlijke onverenigbaarheid van Kok's metafysica en diens experimentele poëzie zou je nu als volgt kunnen beantwoorden: er bestaat een nauwe samenhang tussen Kok's Denkextracten en religieuze levensbeschouwing van de ene kant, en zijn experimentele poëzie van de andere kant; zeker als we Kok's eigen opvattingen in het bredere kader zien van De Stijl en de spinozistische sympathieën binnen deze kunststroming. 

Eveneens is duidelijk dat - geheel in tegenstelling met de "traditie" van De Stijl waarbinnen een intense band bestond tussen filosofie en esthetiek - deze kwestie niet beantwoord kan worden binnen het kader van een formeel-literaire benadering: daarvoor berust de scheidslijn die gewoonlijk getrokken wordt tussen kunst en filosofisch- religieuze zogenoemde "blabla" m.i. zelf teveel op een te gemakkelijk en dogmatisch parti-pris ten aanzien van filosofie en, in onze dagen, zeker ten aanzien van religie.

 

So far so good!

 

 kwestie

 

Toch knaagt er iets. De taal die Kok gebruikt in zijn Denkextracten slaat in het geheel niet meer aan. Het is wel de taal van de idealistische filosofie van zijn tijd - vergelijk bijvoorbeeld de taal van de meest bekende tijdgenoot/filosoof  Bolland (16) - maar de waarheidsclaim waarmee ze gepaard gaan, de ronkende uitspraken over kunst en leven,  behoren  ( nog afgezien van de "hobbelige kameelzinnen" en de nogal plechtstatige en verheven toon ervan (17) waarmee de teksten geschreven zijn) tot een metafysica die de onze niet meer is; in de afgelopen 100 jaar is ons wereldbeeld zodanig gekanteld, dat het niet meer ons portret is en niet langer een  portret van ons kan zijn. De metafysica die de grondvorm ervan uitmaakt is verdwenen of minstens aan langdurige erosie onderhevig: hoe authentiek of niet, diepzinnig of niet, origineel of niet, verheffend of niet de teksten ook mogen zijn, struikelblok blijven de universele waarheidsaanspraken, waarvan de status een continuüm vormt van stellig tot absoluut. Termen als "universeel","absolute geest","goddelijk","abstract", "kosmisch" e.d. suggereren sterk, dat het hier werkelijkheden betreft, die onafhankelijk van onze denkactiviteit zouden bestaan in een transcendente, extramentale wereld; maar een sprong naar zo'n abstracte wereld is binnen ons wereldbeeld inmiddels buitengewoon dubieus geworden, want hoe zouden wij dergelijke sprong kunnen maken en rechtvaardigen vanuit "onze wereld"? Speelt hier niet op de keeper beschouwd hetzelfde probleem als bij de bovengenoemde "natuurlijke instelling": verondersteld daarbij wordt immers een min of meer vanzelfsprekend "dualisme" tussen het bewustzijn en een daarvan onafhankelijke "bovennatuurlijke" wereld; de "natuurlijke"  instelling, schreef ik, geeft een vertekend beeld van de werkelijkheid, want de individueel/concrete werkelijkheid is een verzameling van feiten en dingen en kan daardoor geen aanspraak maken op waarheid; daarvoor zijn "abstracties" nodig, die het universele wezen ervan blootleggen of trachten bloot te leggen; claimen echter dat aan dit "universele wezen", aan die "abstracties" een bovennatuurlijke werkelijkheid buiten ons bewustzijn beantwoordt, is claimen dat de dingen zoals we ze (abstract) zien, ook werkelijk, onafhankelijk van ons, buiten ons bewustzijn, zouden existeren. Denken bijv. dat aan universaliteit/algemeengeldigheid, een van de centrale begrippen in de Denkextracten, ook een van ons bewustzijn onafhankelijke werkelijkheid beantwoordt, behoort m.i. tot een op het bot versleten metafysica: " het universele" immers  is niet meer dan een meer of minder bruikbare hypothese, die wijzelf bedenken om iets meer te begrijpen van de wereld waarin we leven.

Kortom: het probleem van de "natuurlijke instelling" speelt ook de (oude)metafysica flink parten, of anders gezegd: is die metafysica niet zelf behept met de "natuurlijke instelling", waartegen eerder stelling werd genomen? Wordt ook hier niet interpretatie van de werkelijkheid  verward met ( het geloof in) een "werkelijke" bestaansgrond; wordt niet "waarheid" gesubstitueerd in plaats van mogelijke betekenis? Als dit inderdaad het geval is, betekent dit dan, dat de hele religieus gekleurde metafysica van Kok (en die van andere medewerkers van de De Stijl) in een klap waardeloos is geworden? Zeker niet! Het betekent alleen dat je de universele waarheidspretenties van de Denkextracten moet onderscheiden van de religieuze levensovertuiging die er mee verbonden was. En andersom! 

De zinvolheid van religieuze levensovertuigingen kun je maar beter niet verwarren met het al of niet waar zijn van universele waarheidspretenties: er is nl. sprake van verschillende werkelijkheidsdimensies, ieder met eigen aanspraken, regels en concepten en beide dimensies zijn even zinvol. Religie en religieuze overtuigingen zijn geen kwestie van weten, en zeker niet op de eerste plaats, maar van levenshouding en levensbeschouwing, van een commitment. 

 

Lees je de Denkextracten als de uitdrukking van een religieus geïnspireerde overtuiging of, wat vergelijkbaar is, als de tekst van een tot de esthetiek van De Stijl "bekeerde" kunstbeschouwer die je wil overtuigen van zijn artistieke voorkeuren, prima! 

Maar dit is nog iets anders dan de waarheid aantonen van de beweringen die op het terrein van de religie of de kunst worden gedaan; en mocht het zo zijn, dat dit laatste gebeurt met een verwijzing naar een extramentale, van ons bewustzijn onafhankelijke, "metafysische" wereld, dan mogen we m.i. deze filosofie m.i. met een gerust hart als discutabel beschouwen; dit geldt wat mij betreft voor zowel de religie als de kunst, en in het bijzonder de kunstfilosofie van De Stijl. 

De vraag die ik concluderend wil stellen, wordt zo: wat blijft er "na aftrek" van de (discutabele) metafysica over van Kok's religieus geïnspireerde filosofie, dat ook voor ons nog inspiratie biedt?

Het blijkt dat er een samenhang bestaat tussen poëzie, filosofisch gedachtegoed en religieuze overtuiging, maar de "oude"(metafysische) aard van die samenhang, is op z'n minst discutabel. Wel is het goed om te bedenken, dat een dergelijke samenhang tot opzienbarende artistieke resultaten kan leiden, in tegenstelling tot de dogmatisch-conventionele boedelscheiding in onze dagen tussen de verschillende disciplines. Voor Kok en andere medewerkers van De Stijl immers bestond er geen wederzijdse smetvrees tussen kunst, filosofie en religie. Integendeel! Het vrije grensverkeer maakte zoiets als de beweging van De Stijl pas mogelijk!

Dan: de kritiek op de naturalistische esthetica en de "natuurlijke instelling" in het algemeen: het lijkt me dat deze, gezien het bovenstaande, legitiem is, ook voor onze tijd; de legitimiteit ervan wordt in mijn ogen vooral bevestigd door wat in filosofisch jargon de fenomenologische methode wordt genoemd: zet al die vooronderstellingen tussen haakjes, die  een oorspronkelijke ( overigens niet per se "artistiek" oorspronkelijke), d.w.z. nog niet in hokjes opgesloten, ervaring van de werkelijkheid verhinderen; Kok noemt een dergelijke ervaring "ontroering"; het is de ervaring zoals die aan jou in oorspronkelijke "volheid" verschijnt voordat ze in maatschappelijke conventies oplost, tot dogma versteent, of, zoals Kok het zegt in een van zijn Denkextracten, tot "ijs" is geworden.

Het naturalisme  is een van de grote vooronderstellingen, ook heden ten dage nog, die een wereldbeeld schragen van "feiten" en "dingen"; een wereldbeeld dat opvallende parallellen vertoont met de materialistische mainstream-cultuur van honderd jaar geleden waarvan in het begin sprake was.

Er is  m.a.w. cultuur-kritisch potentieel in de Denkextracten, dat, eenmaal ontdaan van zijn verouderd metafysisch jasje, ook voor onze tijd van belang kan zijn. Met name een van "naturalisme" doordrenkte, heden ten dage overal heersende, door en door cynische mentaliteit zou baat kunnen hebben bij een "idealistische" filosofie, zoals verwoord in de Denkextracten, ook al dragen die sterk de sporen van de toenmalige metafysica.

De anti-dogmatische tendens die in de Denkextracten ook te vinden is, blijkt m.i. ook uit de wijze waarop Kok's religieuze belangstelling gestalte krijgt; het zijn niet zozeer de in het tijdschrift De Eenheid gepubliceerde gedichten die hiervan getuigen, als wel wat je een levenslang mystiek-religieus commitment zou mogen noemen, in vergelijking waarmee je Kok's toewijding tot de experimentele poëzie als een relatief kortstondige, maar uitzonderlijke bevlieging, als een avontuur kunt beschouwen. 

 

conclusie

 

Dit avontuur was wel een van de consequenties die voortvloeiden uit - en geïnspireerd werden door de nieuw verworven vrijheid en vernieuwingsgeest, maar de met die vernieuwingsgeest onlosmakelijk verbonden religieuze instelling, die de "vroegere" Kok van De Denkextracten en de "latere" Kok van de Rozenkruisers met elkaar verbindt, is van langere adem. Terwijl de religie in de Denkextracten zich nog "verschuilt" achter een idealistische metafysica, getuigt het toetreden tot het genootschap van de Rozenkruisers van een persoonlijke religieuze levensovertuiging. Maar in beide gevallen gaat het in de kern om een visie op de kosmos als een bezield geheel. Ieder mens heeft deel aan dat bezielde geheel of is hiertoe in staat door middel van "gnosis", "het op een ongedeeld moment ervaren van een mystieke eenwording met god en de wereld, om in een ongedeelde seconde als het ware dwars door alles heen te kijken en de "kern" en de "samenhang" van alles te doorzien." ( 17) Zeker, ook hier is er de valkuil van de "natuurlijke instelling" of de dogmatische verstening, maar wat m.i. boven komt drijven en tot de verbeelding blijft spreken, zijn de inspirerende en scheppende krachten die door dergelijke ervaringen kunnen worden losgemaakt. "Religie als uitdaging voor onze tijd die afscheid heeft genomen van de metafysica. Er is ruimte voor religie naast rede, omdat religie naast de natuurwetenschappelijke wereldbeelden van robottechnologie, biogenetica en hersenonderzoek een positieve invloed kan hebben op het in stand houden van een vrije en vreedzame samenleving."( 18)

Tenslotte, terugkomend op de eerste kwestie: wie Kok's poëzie wil proeven en waarderen zonder een beroep te doen op de bedoelingen van de auteur zelf, of misschien zelfs van geen enkele filosofische of religieuze "blabla", staat niets in de weg…of het moet zijn de schatplichtigheid aan het verleden die niet aflaat de vraag te stellen naar de betekenis van het heden.

 

 geraadpleegde literatuur

 

 

1).       Arthur Jozephus de Sopper in “Hegel en onze tijd”, Leiden 1901

2)         Siebe Thissen, Wijsbegeerte in Nederland, Nederlands Hegelianisme, het  cement van de samenleving 1998;

3)         J. von der Thüsen spreekt van een " zogenaamde anti-positivistische

             revolutie die rond 1890 inzet: in de psychologie en zelfs in          de natuurwetenschap wordt

            het axioma van het objectief vaststelbare feit geproblematiseerd. Rond 1900

            heeft dan de gedachte dat de manier van waarnemen onderwerp van de kunst

            behoort te zijn, het naturalistische programma van de rechtstreekse weergave

            van 'de realiteit'  voorgoed verdrongen."; J. von der Thüsen in " Apocalyptische 

            visioenen - De expressionisten aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, 

            in:NOVEMBER  1918 - Einde van een oorlog Einde van een Tijdperk, Bureau

            Studium Generale  Universiteit Utrecht juli 1994, p.28;

4) H.L.C. Jaffé, De Stijl 1917-1931. The Dutch Contribution to Modern Art, 

            waarin hij spreekt van een “neoplatonische traditie” in zijn onderzoek naar

            de filosofische achtergrond van de esthetiek van De Stijl en: “Al de beeldende

            principes van De Stijl zijn geworteld in een ethische conceptie, in een –haast

            theologisch – systeem van ethische normen”; voor Plato was de wiskunde de 

            zuiverste van alle wetenschappen: in de meetkunde vonden de goddelijke 

            ideeen hun meest volmaakte expressie. Plato stond in die overtuiging niet

            alleen; tot in de Renaissance en vroege Verlichting (Spinoza!) werd de

            wiskunde als voorbeeld voor de filosofie beschouwd.

5)         G.Quispel (red), Gnosis, de derde component van de Europese cultuurtraditie, 

            Den Haag 1988;

6)         "Vor allem gab es gegen das Atomische, Verstückte der Impressionisten nun 

            ein grosses, umspannendes Weltgefühl.(…)In ihm stand die Erde, das Dasein

            als eine grosse Vision. Es gab Gefühle darin und Menschen. Sie sollten erfasst

            werden im Kern und im Ursprünglichen.(…) Ein neues Weltbild musste

            geschaffen werden, das nicht mehr teil hatte an jenem nur erfahrungsgemäss zu

            erfassenden der Naturalisten, nicht mehr teil hatte an jenem zerstückelten

            Raum, den die Impression gab, das vielmehr einfach sein musste, eigentlich,

            und darum schön."; in: 'Über den dichterischen Expressionismus'. In

            K. Edschmid .' Über den Expressionismus in der Literatur und die neue

            Dichtung. Reiss, Berlin 1919;

7)         Zie Corpus Hermeticum, ingeleid, vertaald en toegelicht door R. van den

            Broek en G. Quispel, Amsterdam 1991J.R.Ritman, De universele gnosis, de 

            homo universalis dat begint met het citaat uit het Corpus Hermeticum: 

            “Magnum, O Asclepi, miraculum est homo, De mens, o Asclepius, is een groot 

            wonder”, waarvan de Renaissance-filosoof Picco della Mirandola zich bedient

            in zijn beroemde redevoering over de menselijke waardigheid; zie verder 

            Wouter Hanegraaf, Introductory remarks on the study on western esotericism 

            in Groniek Historisch Tijdschrift, Groningen 2000 en verder het

            standaardwerk: Hans Jonas, Het Gnosticisme, 1958;

8)       Te vinden op internet, “Rozenkruis en Gnosis”, Internationale School van het

            Gouden Rozenkruis;

9)         Antony Kok debuteerde in 1917 met Excelsior in tijdschrift Eenheid, waarin 

            later ook De Rozelaar (1917) en Gods Licht (1918) verschenen;

10)        "De mens is van nature hoekig", schreef Evert Rinsema, een goede vriend van

            Theo van Doesburg, citaat uit "Utopia 1900-1940 Visies op een Nieuwe

            Wereld, p.106

11).     Naum Gabo, Constructivistisch Manifest, 1920; “Wij moeten ons werk niet

            wegen met gewichten van tederheid en sentiment. Wij moeten het meten met

            ogen zo precies als een liniaal, met een geest zo stipt als een kompas”.

12).     Doris Wintgens Hotte, Visie op een Nieuwe Wereld, geschreven naar aanleiding

            van de tentoonstelling UTOPIA 1900 – 1940 in Museum De Lakenhal 

            ( 22 september 2013 t/m 5 januari 2014), in De Groene Amsterdammer

            19.09.2013 en in hetzelfde nummer van de Groene Amsterdammer: Bernke

            Klein Zandvoort, Een extra laag, Utopieën grenzen altijd ook 

            dystopieen. Maar mijn buren waren gelukkig;

13)       Zie Dr.Cornee Jacobs: Spinoza et "De Stijl", in:Studia Spinozana nr 5; special

            issue: Spinoza and Literature. Special Editorial Team: M./Bollacher. 

14)       R.Henrard, W.Klever. Wurzburg: Konigshausen & Neumann, 1989: p.177-183

            J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1956, p.88-89;

15)       In: De Stijl, 1e jaargang, nummer 2 ( december 1917): p.2

16)       zie bijvoorbeeld: G.J.P.J. Bolland, Aanschouwing en verstand, Leiden 1898

17)       zie W.de Graaf, Met weinig woorden, Avalon Pers Woubrugge

18)       Marty Bax in "Kunst en religie, Een oude relatie, maar altijd weer nieuw,

             in: "heilig vuur, religie en spiritualiteit in de moderne kunst, Stedelijk Museum           

             in de Nieuwe Kerk,tentoonstelling gehouden van 13 december 2008t/m 19

             april 2009;9)  zie ook: Jurgen Habermas, Geloven en weten, Amsterdam 2009 

             en Jozef Keularz, De verkeerde wereld van J. Habermas, Amsterdam 1992 en

             Ivana Ivkovic, Filosoof van de hoop en de rede, in: Filosofie Magazine nr 12/

             december 2013, jaargang 22, p 50 e.v. "Volgens hem is het de vraag of de   

             seculiere rede alleen de morele grondbeginselen kan bieden voor een 

             democratische, vrije samenleving en een rechtsstaat. De hedendaagse 

             maatschappij is niet simpelweg seculier, maar kent een veelheid aan

             geloofsovertuigingen."(p 50)

19)        Gijs van Tuyl in "Voorwoord: Goden in het Stedelijk, in: "heilig vuur, religie

             en spiritualiteit in de moderne kunst;

20)        Jef van Kempen, Antony Kok Magazine en Hanneke van Kempen in: “De

             klank poëzie van Antony Kok”, in Vooys,Tijdschrift voor letteren, 

             Themanummer Muziek en literatuur, jrg. 27, nr. 2009; 

21).      Ine Gevers, Janus de Winter, de schilder mysticus, 1985

22)       Alied Ottenvanger, De Stijl in Tilburg, over de vriendschap tussen Theo van 

             Doesburg en Antony Kok, 2007;

23)      Marty Bax, Van Lauweriks tot Mondriaan, Theosofie en kunst in Nederland, 

             2006;

24).     Frank Bosman en Theo Salemink, Avant-garde en religie, over het spirituele

             in de moderne kunst, Tilburg University, 2009

 

'spoorweggoederenwagons', (naar een gedicht van Antony Kok), voor disk-klavier

DE OUDE GEUR VAN HOGER HONING ( 2 )

Treedt niet in de voetsporen van mannen uit het verleden. Zoek wat zij zochten. ( Kukai 774 835  ) op zoek naar een nieuwe spiritualiteit

 

Rond de vorige eeuwwisseling was er sprake ALS HET BESTAAN van een algemeen maatschappelijk en cultureel crisisbewustzijn, dat bekend staat als Fin de Siècle. WORDT GEREDUCEERDEuropese kunstenaars TOT EEN OP ZICHZELF  ZINLOOS, BIOCHEMISCH PROCESen intellectuelen verzetten zich, VOLLDIG BEREKENBAAR, en tegen het establishment BEREDENEERBAAR, van een moderne, geïndustrialiseerde maatschappij waarin ALS WE MAAR GENOEG DATA HEBBEN,gemeenschapszin en een gevoel voor hogere waarden ALS HOMO ECONOMICUS DE NAAM IS VOOR EEN NIEUWE MENSENSOORT zijn verdrongen door ongebreideld individualisme, plat materialisme en gezapigheid. Niet slechts maatschappelijke OF ALS WE MICROBE ZIJN GEWORDEN VAN EEN verhoudingen maar ook culturele TECHNOLOGISCH ORGANISME waarden zijn door het DAN STEEKT VAN DE WEEROMSTUIT moderne kapitalisme ZOGENAAMD IRRATIONELE  op hun kop gezet. Men HET MYSTERIE, HET WONDER TOCH DE KOP WEER OP keerde zich tegen calculerende economen, TEGENOVER DE FYSIEKE WERELD, EEN politici, kapitalisme en burgerlijkheid en was op zoek naar een vorm van geestelijke en maatschappelijke regeneratie.

BESTAAN WAARIN ALLES CAUSALITEIT IS, ONTSTAAT EEN ANDERE WERELD, EEN DROOM VAN EEN WERELD Allerlei strategieën boden zich aan: van een wedergeboorte van het Christendom, (hegeliaanse) filosofie, theosofie, terugkeer naar een directe verbondenheid met de natuur, nieuwe vormen van religieus beleven, antroposofie, mystiek, tot en met een nieuwe sensibiliteit voor de harmonie in het totale kosmisch gebeuren. En uiteraard nieuwe kunst.

Door de voortschrijdende EEN VAN BEZIELING EN VERVOERING ontwikkeling van de moderne wetenschap VAN HET GROTE EN DIEPE, was er nl. langzaam maar zeker EEN WERELD VAN IDEE EN GEEST, een nieuw wereldbeeld ontstaan, waarin er steeds minder plaats was voor GOD, FEIT, MATERIE EN BIG DATA de traditionele kerken uitgezonderd. Wat plaatsvond wordt ook wel de “Entzauberung der Welt” genoemd. “God is dood” schreef Nietzsche al in de negentiende eeuw. MAAR ALS WE ER VAN UIT BLIJVEN GAAN DAT DE FYSIEKE WERELD DE ENIGE IS DIE WE ( KUNNEN ) KENNEN

 

Maar zelfs Einstein vond de begrijpelijkheid
van de wereld een “eeuwig mysterie”.
Hij stelde dat het logischer zou zijn als er
alleen maar chaos was, en dat het daarom zo bijzonder is dat er zoveel
ALS HET LOGISCH-EMPIRISCHE  VERKLARINGSMODEL MODEL

STAAT VOOR ALLE ANDERE MANIEREN VAN DENKEN, en als we er orde in het universum
is. Hij verwijt positivisten (die
menen dat je alleen zintuiglijke

kennis kunt opdoen) en atheïsten
dat ze geen oog hebben voor dit “wonder”.
VANUIT GAAN DAT ONS REILEN EN ZEILENENKEL WORDT BEPAALD DOOR ALGORITMES EN FUNCTIONELE COMPUTERTALEN DIE ONS DNA KUNNEN HERPROGRAMMEREN DAN IS HET ALLEEN MAAR EEN KWESTIE VAN TIJD DAT WIJHET BINNENKORT,

LATEN WE ZEGGEN VANAF 2084
GEHEEL ZONDER ENIGE VORM VAN
RELIGIE OF KUNST, M.A.W. ZONDER MENSELIJKHEID

KUNNEN STELLEN: TEGEN DIE TIJD ZIJN DE MEESTE KERKEN GESLOOPT OF OMGEBOUWD TOT  SUPERMARKT OF EXPOSITIE-RUIMTE EN - IETS  BREDER - KUNST EN RELIGIE ZIJN DAN NET ZO'N

FOLKLORISCHE EIGENAARDIGHEDEN ALS DE MANDENVLECHTERS OF

KLOMPENMAKERS OP EEN MARKT VOOR OUDE AMBACHTEN.

IN EEN REDUCTIONISTISCHE EN TECHNOLOGISCHE WERELD WAARIN WIJ ONS BREIN ZIJN

GELOOFT MEN HEILIG DAT

“Transcendentie” was hèt kenmerk van alle westerse metafysica. Gemeenschappelijk was de overtuiging dat de essentie van de werkelijkheid meer is dan wat wij met behulp van onze zintuigen kunnen vatten, de intuïtie dat de ware kern TECHNOLOGIE PER DEFINITIE, ALTIJD EN OVERAL, ONZE MENSELIJKHEID VERGROOTvan de wereld onze zintuiglijk waarneembare wereld overstijgt. KUNST IS IN ZO'N WERELD NOG STEEDS LEUK MAAR NIET MEER DAN FRIVOLE POESPAS OOK ALS WE ONZE HERSENEN TWEE KEER ZO GROOT KUNNEN MAKEN.

 

Kok en van Doesburg zullen een
bijzonder metafysisch geluid
ELIMINEER AL HET RAADSELACHTIGE UIT HET LEVEN EN GELOOF
laten horen en in nieuwe woorden en
(artistieke) daden getuigen
in het dogma van
een oude transcendente (goddelijke) waarheid
De geschiedenis van de DAT HET GEEN ZIN HEEFT TE VRAGEN NAAR DE ZIN VAN HET LEVEN  EN ANDERE ABSURDE "EVIDENTIES"

metafysica is steeds een poging geweest om door middel van het zuivere denken de laatste grond

van het bestaan te ontcijferen. Van Plato’s ideeënwereld

 

ALLES IS MEETBAAR EN

KENBAAR : tot Hegels Absolute Geest, (In Koks aforismen hóórt men

de echo van Plato, die bijvoorbeeld meende dat de zintuigen, - zeg met Kok de “natuurlijke” wereld - ons een pseudo-realiteit van de wereld voorschotelen; de enige ware kennis die we van de wereld hebben komt voort uit de zuivere begrippen, - zeg met Kok “geest” of “abstractie” - die we, dwz slechts enkelen van ons(!), van de dingen hebben en wat te denken van de evolutionair gedachte utopische toekomstperspectieven van van Doesburg? Men hóórt de echo van de verschillende stadia langs welke de Absolute Geest van Hegel zich ontwikkelt). ) HET IS EEN NIEUWallemaal zijn het conceptuele systemen die pretenderen het ultieme geheim van de werkelijkheid bloot te 

GELOOF EN HET NOEMT ZICH RATIONEEL EN PRAGMATISCH

MAAR STELT ZICH GEEN VRAGEN MEER DIE NIET PASSEN  IN EEN WERELD
leggen. Zo ook Antony Kok en Theo van Doesburg. Hun beider gedrevenheid stoelt op een eeuwenoude christelijke traditie

dit geheim VAN OORZAAK EN GEVOLG, te willen en kunnen kennen. De gedrevenheid en toewijding waarmee dit
gebeurt en waarvan
EEN WERELD WAARIN INZICHT HETZELFDE IS ALS WETEN HOE "HET WERKT", WAARIN WIJSHEID VERDACHT IS EN SPRITUALITEIT  EEN KLEFFE HOBBY IS VOOR HALFZACHTEN het artistieke werk de neerslag vormt, laat één ding duidelijk zien: zonder hogere orde geen kunst en zonder kunst geen hogere orde en zetten zich daarmee af tegen een “natuurlijke” wereld,

die betovering, vervoering, transcendentie, geheim en mysterie afwijst.

WAARIN WORDT ONTKEND DAT MENSEN WEZENS ZIJN
MET IDEEËN, GEEST EN FANTASIE EN  BEZIELD KUNNEN ZIJN EN EEN ONVERWACHTE KIJK OP DE DINGEN KUNNEN HEBBEN

Toen Antony Kok eind jaren vijftig werd geïnterviewd over zijn vriend Theo van Doesburg, zei hij: “Theo van Doesburg, zoeker, godzoeker, godenzoeker, leerde mij - hij was toen in militaire dienst als sergeant- facteur in Tilburg - bij toeval kennen.” ( Een cultuuronderzoeker zegt hierover:

“Koks aanduiding van van Doesburg als “godzoeker” lijkt mij een doeltreffende karakterisering, die Kok vast niet alleen werd ingegeven door de theosofische

WAT BETEKENT ZOEKEN NAAR HET GODDELIJKE IN EEN NON-SENSE TIJD DIE ONTKENT DAT MEN OVER WAARDEN EN NORMEN - LAAT STAAN OVER HET GODDELIJKE - NOG IETS OBJECTIEFS EN UNIVERSEELS KAN ZEGGEN? MEESTAL KOMEN WE NAUWELIJKS VERDER DAN WAT RELATIVISTISCHE STANDPUNTEN: DIE KOMENJ NIET VERDER DAN DE PRIVÉ - SFEER EN WORDEN HERLEID TOT LOUTER SUBJECTIEVE SMAAK-OORDELEN, 

 

bril waarmee hij

 

zelf de wereld bekeek, maar in de eerste plaats door de hardnekkige oriëntatie op het transcendente en occulte die van Doesburgs streven als kunstenaar en als artistiek leider had gekenmerkt. Van Doesburgs theosofische belangstelling uit de jaren

1910 tot 1923, zijn bekering tot het katholicisme in 1930, en ook datgene wat hem bij alle ogenschijnlijke avantgardistische wisselingen en zwenkingen , die hij in zijn Stijl-jaren meemaakte, als

kunstenaar steeds voor ogen is blijven staan - het vallt

allemaal samen te vatten als een grote zoektocht naar het goddelijke.”)

AAN DE ANDERE KANT, EEN BEROEP OP DE ALOUDE METAFYSICA IS IN ONZE TIJD 

NIET MEER MOGELIJK: EEN METAFYSICA  

Inmiddels is het levensbeschouwelijke landschap in Nederland danig veranderdDIE DENKT TE KUNNEN KOMEN TOT ABSOLUTE  De traditionele zekerheden georganiseerde levensbeschouwingen, zoals bijvoorbeeld de godsdiensten,EN EEUWIGE WAARHEDEN  WE KUNNEN NIET LANGER VOORGAAN  verliezen steeds meer IN HET OUDE THEOSOFISCHE SPOOR VAN KOK EN VAN DOESBURG. OM TE ZOEKEN WAT ZIJ ZOCHTEN  aan overtuigingskracht IS EEN SOORT LEVENSBESCHOUWING

VEREIST DIE ten gunste van een individualisering WÉL HUN FILOSOFISCH  van gelijkwaardige maar

EN ARTISTIEK CREDO

 

zeer uiteenlopende TEGEN EEN NATURALISTISCHE 

levensvisieZoals geloof  (z.g. “realistische”) een breder begrip

is geworden dat verder
reikt dan de grenzen
WERELDBESCHOUWING

van de oude godsdiensten
DEELT, is transcendentie MAAR DAT CREDO
niet per definitie
voorbehouden aan religie:
om betekenis te geven
NIET BESCHOUWT aan de wereld om ons heen

meten we ons bewust of onbewust een oriëntatiekader aan

ALS DE ENIGE

om zo idee te krijgen van wat ons overstijgt.

 

Het goddelijke is
slechts één van de
vele mogelijke betekenissen
om aan die transcendentie vorm te geven.
Het oude metafysische wereldbeeld
(GODDELIJUKE ) WAARHEIDheeft
zijn stelligheid verloren
DAT ZIJ ZICHZELF ZAGEN ALS PROFETISCHE
EN PRISTERLIJKE
Daarvoor in de plaats is
een behoefte gekomen
BOODSCHAPPERS
DIE OP DE DREMPEL STONDEN VAN EEN NIEUW TIJDPERK
DAT
om je ideologische zekerheden
ZIJ ZICHZELF EEN BELANGRIJKE VERNIEUWENDE
ROL TOEDICHTTEN 
te durven loslaten, om je rationele
IN HET SOCIALE EN POLITIEKE LEVEN, DAT ZIJ ER NAAR 
STREEFDEN
controle te durven onderzoeken,

VAN DE KUNSTEN EEN VOORPOST TE MAKEN om te twijfelen aan alles wat

VAN ZOWEL CULTURELE ALS ARTISTIEKE INNOVATIES  IS ÉÉN DING.
een zeker fundament EEN ANDER DING IS
DE VERPAKKING VAN HUN BOODSCHAP ALS ABSOLUTE TRANSCENDENTE 

WAARHEID. DIE IS MOEILIJK VERENIGBAAR MET ONS GEVOEL
VOOR ONZEKERHEID EN RELATIVITEIT, ONZE VOORKEUR 
heet te bezitten, met VOOR EXPERIMENT, 
VOOR VOORDURENDE VERANDERING OP GROND VAN ONZE EIGEN ERVARING. 
andere woorden: een
credo van niet-weten OF SCEPSIS TEN OPZICHTE  

VAN EEN ( TE ) OPTIMISTISCH VOORUITGANGSGELOOF
OF DE MAAKBAARHEID VAN DE SAMENLEVING
ONTBREEKT NAGENOEG BIJ ALLE KUNSTENAARS
VAN DE STIJL, OF HET MOEST DE
KORTSTONDIGE FLIRT ZIJN VAN
DOESBURG EN KOK MET DE DADA BEWEGING
een experimenteel weten
MEN DEELDE SOMS EEN
dat elk vooropgesteld weten afwijst. Een
experimentele FANATIEK GELOOF IN DE VOORUITGANG.DAT EEN RADICALE 
spiritualiteit
verhoudt zich moeizaam
OMARMING VAN DE "NIEUWE TIJD" OOK EEN DONKERE KANT
HEEFT, ZOALS 
tot elke zelf ELK UTOPISCH DENKEN 
DENKEN, IS MET DE WETENSCHAP VAN
NU - NA HONDERD JAAR - GEMAKKELIJK
verklaarde autoriteit VAST TE STELLEN
van weten, of tot het
vanzelfsprekende gezag
van een traditie, ook al is
dat het gezag van een
avant-garde.

 

 

'soldatenkwartier', naar een gedicht van Antony Kok, voor disk-klavier

op zoek naar een nieuwe spiritualiteit

DE OUDE GEUR VAN HOGER HONING ( 3 )

HET VOORHANGSEL VAN SCHIJNFEITEN, op zoek naar een nieuwe spiritualiteit

Het gedachtegoed van Antony Kok past in een filosofische manier van denken dat rond de vorige eeuwwisseling gangbaar was: het is zeer idealistisch en grossiert in metafysische uitspraken. Tegelijkertijd - en hier komt ook ónze tijd in beeld - verzet het zich tegen de dominantie van een (natuur)wetenschappelijk wereldbeeld waarin alle typen uitspraken die niet zijn te herleiden tot experimenteel- empirische waarnemingen, per hypothese verkregen wetmatigheden, of causale verklaringen, worden gediskwalificeerd. Filosofische, morele, religieuze en esthetische, kortom alle evaluerende uitspraken, komen op het tweede of derde plan of verdwijnen steeds meer naar de achtergrond. Een gesprek tussen de filosofen Bolland en  Bolland.
 
A

Men heeft de schematisch theoretische bezinning der voor de koortsige hersenschimmen des levens minder voelende “philosophische denkers” menigmaal eene schijnwetenschap genoemd: in de moderne zogenoemde Natuurwetenschap hebben wij de reusachtige verwerkelijking eener wetenschap van den onredelijke schijn.

B

...onredelijke schijn?

A

“Natuurgeleerden” en dezulken, die met natuurgeleerden, wars van “Mystiek, Religie, Poëzie”, sympathizeeren, zullen zich op den duur hebben neer te leggen bij het inzicht, dat alle voorwerpswaarnemingen getrokken leeringen, hoe voortreffelijk en toepasselijk ook als gedachte samenvattingen en omschrijvingen van verhoudingen op het voorhangsel van schijndingen en schijnfeiten, ons in zich zelven omtrent het wezen en den waren zin des wereldloops nog geen titel of jota leeren, dat de wezenlijke wereldorde in optisch imaginaire symbolen niet eens als vraagstuk wordt gesteld, en natuurkundige gevolgtrekkingen en vermoedens zelfs van maar blootelijk te gissen geldigheid in alle gevallen op eene vergelijking tussen objectieve en subjectieve gegevens dienen gegrond te zijn.

B

?...In Holland spreekt men Bollands...!!

A

Van dit standpunt beoordele men voortaan beweringen, onderstellingen vermoedens als deze, dat de Stof onwezenlijke voorstellingsinhoud en het wezen der wereld onlichamelijk is, dat de wereldkrachten wel allen strevingen zullen wezen, en dat de regeling der absolute of alomtegenwoordige werkelijkheid allicht de eenheid is van helderziende doelbeoging en oorzakelijk verband in de redelijk onredelijke veranderingen van eenen met zich zelf in tweestrijd geraakten en naar zelfverzoening trachtenden absoluten Geest. Oneindig is het goddelijke en onbegrijpelijk, en het enige wat ervan te begrijpen valt, is deszelfs oneindigheid en onbegrijpelijkheid

B

Wat voor ons verschijnt is altoos slechts dissolving view
van creatuurlijk beperkte openbaringen of uitingswijzen; wat in ons spreekt blijft onbevredigende en onbestaanbare uitkomst van een streven om het Onbepaalbare in gedachten toch weer te bepalen. Maar temidden van die onbepaalbaarheid, door al die onbestaanbaarheden henen, speuren wij toch eene ontastbare, evanescente, en toch alweer opdoemende Idee van Harmonie als duizendvormig postulaat van heel ons geestesleven, eene nooit gehoorde in alles vernomene stem die het waarlijk Redelijke, het eindelijk Bestaanbare wil, en uit verdeeldheid en veranderlijkheid geraken wil tot eenheid, rust, bestendigheid. Wat dan overgezet in de taal van zedelijk gemoedsleven, wil zeggen, dat er een god in onzen boezem spreekt als heilige en liefderijke macht, die naar de deugd ons trekt, die haat en strijd en moord op wil heffen, om wil zetten in den vrede, waarin geen tijd meer zal zijn, en de eenige goedheid waarlijk alles in allen weer zal zijn.

A

Et voile, voortreffelijk gesproken!
De grensbegrippen waarheen onze uit het Ongekende op zinnelijke voorwaarden tot bewustzijn komende geest zich gedrongen voelt, de vormbegrenzingen van het voorwerpelijk gegevene te overschrijden, om er dan zijn eigenen onlichamelijkheid, zijne onzinnelijke en onruimtelijke afkomst aan te leeren beseffen en tevens de moorddadig verdeelde gebeurtenissen in de Ruimte als iets onredelijks af te leeren wijzen. Al aanstonds het feit, dat in weerwil der volslagen onaanschouwelijkheid en het zuivere punt zelfs het gewoonste verstand toch met des zelfs begrip volmaakt vertrouwd blijkt en wij met punten in de Ruimte dagelijks rekenen, moet op zich zelf reeds tot het inzicht leiden, dat de lichamelijke uitgebreidheid bij allen schijn des tegendeels niet ons eigen innerlijk wezen is; deze verloochening immers van lichaam, stof en ruimte is juist daardoor mogelijk, dat eigenlijk het
ruimteloze en onlichamelijke het wezen onzer eigenen bewustheid uitmaakt.

B

Aha, u bedoelt: wij zelven stellen ons als strevende, voelende en denkende afzonderlijkheden in de plaats van het punt, omdat wij in de kern van ons bestaan als geestelijke wezens zonder eenige afmeting zijn? U bedoelt: in de zelfgewisheid onzer bezinning gevoelen wij ons van objectieve ruimte vulsels volstrektelijk onderscheiden, eene bezinning, welke zich laat verscherpen tot het besef, dat alle lichamelijkheid niet dan onredelijke vertoning van eigenlijk onlichamelijk vermogen is?, ..u bedoelt, dat er van eene ruimte vullende zelfstandigheid “verdeelde stof” geene sprake dient te wezen, en dat de ruimteloosheid of onlichamelijkheid en onstoffelijkheid van ons eigenlijk wezen een onontkoombaar aperçu is van ons denken als zij aan“natuurwetenschappelijke”, zegge zonder inkeer naar buiten turende, ondervinding zich onverbiddelijk blijft onttrekken?

A

Absoluut!  Neem bijvoorbeeld een kunstwerk. Waarom is een abstract kunstwerk te verkiezen boven een kunstwerk volgens de natuur?

B

Interessante vraag, inderdaad... de filosoof Antony Kok, u weet wel, van de Stijl, zegt hierover “Het abstracte kunstwerk heeft dit voor boven het kunstwerk volgens de natuur, dat het, door vrij te zijn geworden van de onbestemde natuurvormen, als voorstelling onafhankelijk is en daardoor zuiver het geestelijke kan weerspiegelen. Het “abstract – reële” kunstwerk grijpt het hoogst en krachtigst naar den zuiveren geest. Het natuurlijke, schoonheid, leelijkheid – is steeds gebonden aan tragiek. Maar kunst is geest, is ontroering zelve, zij is ontroering door aanschouwing van het eeuwige, het vrije, het universeele, het geestelijke." Mysterie!

A

Stop! Stop!Stop! Het klinkt alsof deze heer, ....wat is de naam ook weer?

B

Kok, Antony Kok

A

deze ...volstrekt onbeduidende filosoof, aan hogere mystiek doet...zuivere geest...aanschouwing van het eeuwige, universele, geestelijke...maar toch...inderdaad.. ik moet zeggen... hij bedoelt waarschijnlijk: het mysterie is nooit te begrijpen want het is het onbegrijpelijke zelf. Maar het mysterie is wel te aanschouwen, zo bewust te aanschouwen, dat wij zijn wezen construeren kunnen van innerlijkheid uit. Zo staat de mens tegenover alle werkelijke schoonheid: hij begrijpt haar niet, maar hij ziet haar, hij doorziet haar, hij aanschouwt haar, hij bewondert haar. Te begrijpen is het mysterie als zodanig niet. Vanaf het ogenblik af, dat ik het mysterie begrijpen zou d.i. dat ik het mysterie zelf uiteen en ineen gedacht zou hebben in samenstellende “bestanddelen” of zou erkennen als niets anders dan dan een schakel van een uiteen- of ineen gedachte reeks van oorzaken en gevolgen- van dat ogenblik af zou het mysterie ophouden mysterie te zijn. Zo zou alle schoonheid ophouden schoonheid te zijn al ik, tot hoogste kennis van haar wezen haar had “in bestanddelen ontleed” of oorzakelijk verklaard”. De mens moet wel veel begrepen hebben vóórdat hij het mysterie positief, d.i. in volledige bewustheid en volledige helderheid aanschouwen kan: hij is hier toe alleen in staat wanneer in hem de apprehensie der Eeuwigheid wordt veroorzaakt.

B

Juist,dat bedoel ik, volkomen juist ja, et voilà...apprehensie der

Eeuwigheid..., ik ben onder de indruk! "Armen, die genoemde ontroeringen niet kennen, spreken van vaagheid, voor hen is alles gescheiden en de helderheid der ontroering zien zij aan voor zwaren mist. Door hunne verwarring wordt alles tot chaos. Zij onderscheiden niet meer, doordat zij alles scheiden... " Dit zegt Antony Kok althans!

A

Genoeg! Genoeg! Genoeg Kok! Zo kan-ie wel weer met Kok! Maar het is juist: het verstand schiet geheel tekort reeds tegenover allerlei onredelijkheden van het gegevene, laat staan dat het zoude mogen beslissen aangaande wat nog achter de verschijnselen steken mag...Heeft u eigenlijk wel verstand mijnheertje, denkt u?

B

Pardon?... Verstand?... Ach, verstand...De werkelijkheid als zoodanig is noch binnen noch buiten deze of genen kring “verstandig” te begrijpen; zij is veeleer ondenkbaar, terzelfder tijd zelfs dat zij wordt gedacht; wel wenschen wij ze met ons redeneerend denken te peilen en doorgronden, een wenschen dat in weerwil van bezinning voort blijft duren, doch met dat redenerend denken, het eenige dat wij “ter begrijping” hebben, lijden wij in beginsel en onvermijdelijk schipbreuk.

A

Opnieuw een heel verstandig woord van  bepaald geen onschuldig gekakel of prealabel gezwatel. Klaarheid zal niet komen door woorden alleen. Zij moet komen door overgave en bewustwording van het hoogste in ons, en zeker ook in u.

B

Dit zegt Antony Kok in precies dezelfde bewoordingen!! weet u wel dat u plagiaat pleegt? U doet alsof u hem niet kent. Ik had u voor beter gehouden!

A

Ach, plagiaat..men helpt elkander in dit ondermaanse...

B

Goed...Soit.. het zij u vergeven...
Wat in zuivere redelijkheid bestond ware te aanschouwen noch 
te bepalen of te wijzigen; het bleve eenheid zonder grootheid of hoeveelheid, getalloze onbegrensdheid zonder afzonderlijkheid, waarin geen heden stake noch verleden ofte toekomst, eene aleenheid zonder eigenschap of quantiteit, eene alomtegenwoordigheid zonder hier of daar, eene eeuwigheid zonder onderscheid van altoos ende nooit. En zulk eene gedachte is eene ongedachte, die toch zoo weinig ondenkbaar is, dat wij, zoals wij zijn, er ieder oogenblik van ons bestaan in leven, want de onveranderlijke geldigheid der denknormen bestaat in onze bewustheid altoos end’ alom. En toch weer nooit ofte nergens in den zin van afzonderlijk aanwijsbare waarneembaarheid.

A

Zei U net niet: In Holland spreekt men Bollands....Van uw eigen praalzuchtige woordenrijen en hobbelige kameelzinnen raakt men eveneens behoorlijk buiten zijn westen gespinseld! Zegt u alstublieft klip en klaar wat u bedoelt!

B

Goed! Vergeleken met gegevens van waarneming en gewaarwording valt het zuiver redelijke, het eeuwige en alomtegenwoordige, met het niet-zijnde ineen, en dit terwijl de Rede de aldoor veranderende afzonderlijkheden der werkelijkheid slechts als eene schijnvertoning van onbestaanbaarheden kan laten gelden. In de zelfbeweging van de met menschelijk bewustzijn gadegeslagene werkelijkheid staat onophoudelijk en naar alle zijden het gedachte in iets anders om, in eene enkele groote zelfonderscheiding van het eene en samenvalling van het vele; in zijne voortdurende differentiaties is het al toch steeds weer één. Stelselmatig probeert men dit mysterie te verloochenen...

A

Genoeg, genoeg! Zo is het goed!!!

B

of in de woorden van Kok:

 

HET VOORHANGSEL VAN SCHIJNFEITEN

Het gedachtegoed van Antony Kok past in een filosofische manier van denken dat rond de vorige eeuwwisseling gangbaar was: het is zeer idealistisch en grossiert in metafysische uitspraken. Tegelijkertijd - en hier komt ook ónze tijd in beeld - verzet het zich tegen de dominantie van een (natuur)wetenschappelijk wereldbeeld waarin alle typen uitspraken die niet zijn te herleiden tot experimenteel- empirische waarnemingen, per hypothese verkregen wetmatigheden, of causale verklaringen, worden gediskwalificeerd. Filosofische, morele, religieuze en esthetische, kortom alle evaluerende uitspraken, komen op het tweede of derde plan of verdwijnen steeds meer naar de achtergrond.

A

Men heeft de schematisch theoretische bezinning der voor de koortsige hersenschimmen des levens minder voelende “philosophische denkers” menigmaal eene schijnwetenschap genoemd: in de moderne zogenoemde Natuurwetenschap hebben wij de reusachtige verwerkelijking eener wetenschap van den onredelijke schijn.

B

...onredelijke schijn?

A

“Natuurgeleerden” en dezulken, die met natuurgeleerden, wars van “Mystiek, Religie, Poëzie”, sympathizeeren, zullen zich op den duur hebben neer te leggen bij het inzicht, dat alle voorwerpswaarnemingen getrokken leeringen, hoe voortreffelijk en toepasselijk ook als gedachte samenvattingen en omschrijvingen van verhoudingen op het voorhangsel van schijndingen en schijnfeiten, ons in zich zelven omtrent het wezen en den waren zin des wereldloops nog geen titel of jota leeren, dat de wezenlijke wereldorde in optisch imaginaire symbolen niet eens als vraagstuk wordt gesteld, en natuurkundige gevolgtrekkingen en vermoedens zelfs van maar blootelijk te gissen geldigheid in alle gevallen op eene vergelijking tussen objectieve en subjectieve gegevens dienen gegrond te zijn.

B

?...In Holland spreekt men Bollands...!!

A

Van dit standpunt, mijnheertje, beoordele men voortaan beweringen, onderstellingen vermoedens als deze, dat de Stof onwezenlijke voorstellingsinhoud en het wezen der wereld onlichamelijk is, dat de wereldkrachten wel allen strevingen zullen wezen, en dat de regeling der absolute of alomtegenwoordige werkelijkheid allicht de eenheid is van helderziende doelbeoging en oorzakelijk verband in de redelijk onredelijke veranderingen van eenen met zich zelf in tweestrijd geraakten en naar zelfverzoening trachtenden absoluten Geest. Oneindig is het goddelijke en onbegrijpelijk, en het enige wat ervan te begrijpen valt, is deszelfs oneindigheid en onbegrijpelijkheid

B

Wat voor ons verschijnt is altoos slechts dissolving view van creatuurlijk beperkte openbaringen of uitingswijzen; wat in ons spreekt blijft onbevredigende en onbestaanbare uitkomst van een streven om het Onbepaalbare in gedachten toch weer te bepalen. Maar temidden van die onbepaalbaarheid, door al die onbestaanbaarheden henen, speuren wij toch eene ontastbare, evanescente, en toch alweer opdoemende Idee van Harmonie als duizendvormig postulaat van heel ons geestesleven, eene nooit gehoorde in alles vernomene stem die het waarlijk Redelijke, het eindelijk Bestaanbare wil, en uit verdeeldheid en veranderlijkheid geraken wil tot eenheid, rust, bestendigheid. Wat dan overgezet in de taal van zedelijk gemoedsleven, wil zeggen, dat er een god in onzen boezem spreekt als heilige en liefderijke macht, die naar de deugd ons trekt, die haat en strijd en moord op wil heffen, om wil zetten in den vrede, waarin geen tijd meer zal zijn, en de eenige goedheid waarlijk alles in allen weer zal zijn.

A

Et voilá!  Voortreffelijk gesproken!
De grensbegrippen waarheen onze uit het Ongekende op zinnelijke voorwaarden tot bewustzijn komende geest zich gedrongen voelt, de vormbegrenzingen van het voorwerpelijk gegevene te overschrijden, om er dan zijn eigenen onlichamelijkheid, zijne onzinnelijke en onruimtelijke afkomst aan te leeren beseffen en tevens de moorddadig verdeelde gebeurtenissen in de Ruimte als iets onredelijks af te leeren wijzen. Al aanstonds het feit, dat in weerwil der volslagen onaanschouwelijkheid en het zuivere punt zelfs het gewoonste verstand toch met des zelfs begrip volmaakt vertrouwd blijkt en wij met punten in de Ruimte dagelijks rekenen, moet op zich zelf reeds tot het inzicht leiden, dat de lichamelijke uitgebreidheid bij allen schijn des tegendeels niet ons eigen innerlijk wezen is; deze verloochening immers van lichaam, stof en ruimte is juist daardoor mogelijk, dat eigenlijk het
ruimteloze en onlichamelijke het wezen onzer eigenen bewustheid uitmaakt.

B

Aha, u bedoelt: wij zelven stellen ons als strevende, voelende en denkende afzonderlijkheden in de plaats van het punt, omdat wij in de kern van ons bestaan als geestelijke wezens zonder eenige afmeting zijn? U bedoelt: in de zelfgewisheid onzer bezinning gevoelen wij ons van objectieve ruimte vulsels volstrektelijk onderscheiden, eene bezinning, welke zich laat verscherpen tot het besef, dat alle lichamelijkheid niet dan onredelijke vertoning van eigenlijk onlichamelijk vermogen is?, ..u bedoelt, dat er van eene ruimte vullende zelfstandigheid “verdeelde stof” geene sprake dient te wezen, en dat de ruimteloosheid of onlichamelijkheid en onstoffelijkheid van ons eigenlijk wezen een onontkoombaar aperçu is van ons denken als zij aan“natuurwetenschappelijke”, zegge zonder inkeer naar buiten turende, ondervinding zich onverbiddelijk blijft onttrekken?

A

Absoluut!  Neem bijvoorbeeld een kunstwerk. Waarom is een abstract kunstwerk te verkiezen boven een kunstwerk volgens de natuur?

B

Interessante vraag, inderdaad... de filosoof Antony Kok, u weet wel, van de Stijl, zegt hierover “Het abstracte kunstwerk heeft dit voor boven het kunstwerk volgens de natuur, dat het, door vrij te zijn geworden van de onbestemde natuurvormen, als voorstelling onafhankelijk is en daardoor zuiver het geestelijke kan weerspiegelen. Het “abstract – reële” kunstwerk grijpt het hoogst en krachtigst naar den zuiveren geest. Het natuurlijke, schoonheid, leelijkheid – is steeds gebonden aan tragiek. Maar kunst is geest, is ontroering zelve, zij is ontroering door aanschouwing van het eeuwige, het vrije, het universeele, het geestelijke." Mysterie!

A

Stop! Stop! Stop! Het klinkt alsof deze heer, ....wat is de naam ook weer?

B

Kok, Antony Kok

A

deze ...volstrekt onbeduidende filosoof, aan hogere mystiek doet...zuivere geest...aanschouwing van het eeuwige, universele, geestelijke...maar toch...inderdaad.. ik moet

zeggen... hij bedoelt waarschijnlijk: het mysterie is nooit te begrijpen want het is het onbegrijpelijke zelf. Maar het mysterie is wel te aanschouwen, zo bewust te aanschouwen, dat wij zijn wezen construeren kunnen van innerlijkheid uit. Zo staat de mens tegenover alle werkelijke schoonheid: hij begrijpt haar niet, maar hij ziet haar, hij doorziet haar, hij aanschouwt haar, hij bewondert haar. Te begrijpen is het mysterie als zodanig niet. Vanaf het ogenblik af, dat ik het mysterie begrijpen zou d.i. dat ik het mysterie zelf uiteen en ineen gedacht zou hebben in samenstellende “bestanddelen” of zou erkennen als niets anders dan dan een schakel van een uiteen- of ineen gedachte reeks van oorzaken en gevolgen- van dat ogenblik af zou het mysterie ophouden mysterie te zijn. Zo zou alle schoonheid ophouden schoonheid te zijn al ik, tot hoogste kennis van haar wezen haar had “in bestanddelen ontleed” of oorzakelijk verklaard”. De mens moet wel veel begrepen hebben vóórdat hij het mysterie positief, d.i. in volledige bewustheid en volledige helderheid aanschouwen kan: hij is hier toe alleen in staat wanneer in hem de apprehensie der Eeuwigheid wordt veroorzaakt.

B

Juist,dat bedoel ik, volkomen juist ja, et voilà...apprehensie der Eeuwigheid..., ik ben onder de indruk! "Armen, die genoemde ontroeringen niet kennen, spreken van vaagheid, voor hen is alles gescheiden en de helderheid der ontroering zien zij aan voor zwaren mist. Door hunne verwarring wordt alles tot chaos. Zij onderscheiden niet meer, doordat zij alles scheiden... " Dit zegt Antony Kok althans!

A

Genoeg! Genoeg! Genoeg Kok! Zo kan-ie wel weer met Kok! Maar het is juist: het verstand schiet geheel tekort reeds tegenover allerlei onredelijkheden van het gegevene, laat staan dat het zoude mogen beslissen aangaande wat nog achter de verschijnselen steken mag...Heeft u eigenlijk wel verstand mijnheertje, denkt u?

B

Pardon?... Verstand?... Ach, verstand...De werkelijkheid als zoodanig is noch binnen noch buiten deze of genen kring “verstandig” te begrijpen; zij is veeleer ondenkbaar, terzelfder tijd zelfs dat zij wordt gedacht; wel wenschen wij ze met ons redeneerend denken te peilen en doorgronden, een wenschen dat in weerwil van bezinning voort blijft duren, doch met dat redenerend denken, het eenige dat wij “ter begrijping” hebben, lijden wij in beginsel en onvermijdelijk schipbreuk.

A

Opnieuw een heel verstandig woord van u, bepaald geen onschuldig gekakel of prealabel gezwatel. Klaarheid zal

niet komen door woorden alleen. Zij moet komen door overgave en bewustwording van het hoogste in ons, en zeker ook in u.

B

Dit zegt Antony Kok in precies dezelfde bewoordingen!! weet u wel dat u plagiaat pleegt? U doet alsof u hem niet kent. Ik had u voor beter gehouden!

A

Ach, plagiaat..men helpt elkander in dit ondermaanse...

B

Goed...Soit.. het zij u vergeven...
Wat in zuivere redelijkheid bestond ware te aanschouwen noch

te bepalen of te wijzigen; het bleve eenheid zonder grootheid of hoeveelheid, getalloze onbegrensdheid zonder afzonderlijkheid, waarin geen heden stake noch verleden ofte toekomst, eene aleenheid zonder eigenschap of quantiteit, eene alomtegenwoordigheid zonder hier of daar, eene eeuwigheid zonder onderscheid van altoos ende nooit. En zulk eene gedachte is eene ongedachte, die toch zoo weinig ondenkbaar is, dat wij, zoals wij zijn, er ieder oogenblik van ons bestaan in leven, want de onveranderlijke geldigheid der denknormen bestaat in onze bewustheid altoos end’ alom. En toch weer nooit ofte nergens in den zin van afzonderlijk aanwijsbare waarneembaarheid.

A

Zei U net niet: In Holland spreekt men Bollands....Van uw eigen praalzuchtige woordenrijen en hobbelige kameelzinnen raakt men eveneens behoorlijk buiten zijn westen gespinseld! Zegt u alstublieft klip en klaar wat u bedoelt!

B

Goed! Vergeleken met gegevens van waarneming en gewaarwording valt het zuiver redelijke, het eeuwige en alomtegenwoordige, met het niet-zijnde ineen, en dit terwijl de Rede de aldoor veranderende afzonderlijkheden der werkelijkheid slechts als eene schijnvertoning van onbestaanbaarheden kan laten gelden. In de zelfbeweging van de met menschelijk bewustzijn gadegeslagene werkelijkheid staat onophoudelijk en naar alle zijden het gedachte in iets anders om, in eene enkele groote zelfonderscheiding van het eene en samenvalling van het vele; in zijne voortdurende differentiaties is het al toch steeds weer één. Stelselmatig probeert men dit mysterie te verloochenen...

A

Genoeg, genoeg! Zo is het goed!!!

B

of in de woorden van Kok: "Wij ademen...

leven wandelen in raadselen

Er zijn ogenblikken... bij de één langer

bij den ander korter bij de één bewust

bij de meesten onbewust bij den één veelvuldig

bij den ander zeldzaam bij niemand voortdurend

bij niemand nooit

er zijn ogenblikken, dat de geest met klaarheid in de dingen schouwt

het zal u niet baten te dwingen te eischen,

dat de diepte zich opene schouw in uzelf

wacht

wacht

wacht

wacht

wachten

wachten

wek

wak

wek

wak

wachten

'Nachtkroeg', naar een gedicht van A.Kok, voor disk-klavier

DE OUDE GEUR VAN HOGER HONING ( 4 )

 apostel in dienst van de Gnosis, op zoek naar een nieuwe spiritualiteit

postuum interview met Antony kok naar aanleiding van diens „Ganymedes en Johannes”, een verzameling van zo’n kleine 2000 aforismen 

M
Goedemiddag, mijnheer Kok, graag zou ik u willen spreken over uw verzameling ongepubliceerde aforismen, die in 3 mappen zijn ondergebracht in het Letterkundig Museum in Den Haag.
Ik heb niet de illusie dat ik mij in uw situatie kan verplaatsen. Daarom lijkt het mij voor de gelegenheid het beste een gefingeerd gesprek met u aan te gaan, waarbij u, met uw welnemen, uitsluitend en letterlijk gebruik zult maken van uw eigen uitspraken, die u in uw aforismen-verzameling „Ganymedes en Johannes” hebt gedaan. Bijkomend voordeel is dat de lezer een voorproefje krijgt uit uw grote verzameling, maar dit terzijde.

K
Bedenk, als gij een MENS ontmoet, dat gij die mens zelf zijt, ongeacht of gij elkander groet, doch onder andere omstandigheden levende. Dan zal hij u even lief of even vreemd zijn als gij zelve zijt. Stelt gij u zo naast uw medemens, dan zal het hogere van u beiden, in andere verhoudingen, u van elkander niet scheiden.

M
Daar kan ik mij wel in vinden. Vooral dat „hogere” interesseert mij...Maar het hogere bestaat niet zonder het la...

K
Dat de mensen broeders zijn, blijkt uit hun gestalte. Dat zij het niet zijn uit de vraag: ben ik mijn broeders hoeder? En dat nog wel aan God, met andere woorden, terwijl ze elkaar aankijken, zien ze elkander niet.

M
Het is „fout”, zegt u in een ander aforisme, éénheid te zoeken bij het lagere, omdat éénheid altijd gericht blijft op het hogere. Hoezo eigenlijk?

K
Het is dwaas te menen dat er geen hoger leven is dan wij kennen. Waar streven wij dan naar?....Liefde is wil tot eeuwig leven...Haat is stinkend kwaad. Ons lot zou onvoorstelbaar ellendig wezen, indien men met de Liefde zuinig zou moeten wezen.

M
Nogal wat aforismen van u gaan over de liefde...

K
Wij zijn en worden verplicht onpersoonlijk, dus ook persoonlijk, lief te hebben met geheel onze ziel, ons hart en handen. Haten zullen wij dan vanzelf wel laten. Aan liefhebben is geen einde, maar aan beminnen geen beginnen...Liefhebben met de ogen doet hoofdzakelijk het hart, liefhebben met de oren is het heerlijkst wat men kan horen, liefhebben met de gehele ziel is een elkander inademend doordringen met en van een onbeschrijflijke zaligheid. Het eerste is en doet het Licht. Het tweede is en doet het Woord, het derde is en doet de Geest. Deze Drie-éénheid is en doet leven zoals God het ons heeft gegeven.

M
Zoals God het ons heeft gegeven, zegt u, hoe weet u dat zo zeker?

K

Door God, die Liefde is, kunnen wij liefhebben. Door God die Waarheid is, kunnen wij wijsheid bezitten. Door God die Geest is, kan Geest door Wil en Ziel in eeuwigheid doen leven.

M
Voor u is het kennelijk evident...

K
Wie van „God-bewijzen” praat heeft een glimlach op het gelaat. Wie over God spreekt, spreekt klaar en duidelijk. Zo spreken is moeilijk of niet, want spreken is verward. Indien gij God wilt horen, moet gij „zwijgen”. En, denk er aan, ook „zwijgen” verstaan.

M
Oké, maar u heeft over God allesbehalve gezwegen! Integendeel, uw meest frequente en tevens het eigenlijke onderwerp van uw aforismen is God. Is dat niet in tegenspraak met elkaar? God is voor u het hoogste goed dat een mens kan ambiëren en misschien is er inderdaad ook niets belangrijker dan religie, dat zou kunnen, dat weet ik niet, wel vind ik het tamelijk potsierlijk en gedateerd aandoen om over God te praten alsof het de normaalste zaak van de wereld is, althans voor iemand als ik die na de oorlog geboren is, dat wil zeggen WO 2

K
goddelijk is het ideale normale

M O

K
Het ideaal van de Homo Sapiens is God en onsterfelijkheid en het symbool, de Roos, de Bijbel, de Circel. Het ideaal van de Homo Faber is gelukzaligheid en het symbool de zwembroek, de stemvork, de vliegmachine en om nog eens op God terug te komen: die naam gebruiken kan niet alleen ijdel, oneerbiedig voor velen zelfs onuitstaanbaar en kwetsend zijn. Het is vaak moeilijk wat op de lippen ligt te zwijgen.

M
Ja, dat snap ik en wat de homo sapiens betreft, ook heden ten dage schrijft men hem nog steeds idealen toe als: de verwerkelijking van wijsheid, het streven naar belangeloze kennis, de schepping van schoonheid, allemaal zaken, die u waarschijnlijk graag wilt onderschrijven, al was het maar omdat ze, evenals in uw tijd, het definitief dreigen af te leggen tegen de cultuur van een gecommercialiseerde en geïndividualiseerde consumptiemaatschappij. Alleen, deze idealen koestert men tegenwoordig zonder transcendente legitimatie. God en onsterfelijkheid zijn voor ons versleten begrippen geworden. Voor ons is God dood, om met Nietzsche te spreken. Vreemd dat u het nooit over hem hebt trouwens...Ja u citeert hem één keer, geloof ik...

K
het probleem der problemen is: „god en de onsterfelijkheid”

M
En de idealen, waar ik het over had?

K
Televisie, radio, honden en katten en autogetoet in overvloed zijn verschrikkelijk ellendige tekenen van algemene armoede. Is het erg, als ik langzaam hardop zeg: De Kalverstraat is een langzaam vloeiende riool?....Kunst dient door schoonheid Vreugde te brengen. Wetenschap door Wijsheid ellende te verzachten. Méér onvergankelijkheid en gelukzaligheid moet men zonder God niet verwachten.

M

En de Roos, de Bijbel, de Circel dan? Wat moet ik daarmee?

K
De Rozenkruiser heeft verstand van zaken die, terecht, de anderen telkens kwijt raken. Beweren „Ieder kan naar eigen geloof zalig worden”, geeft allen het recht naar eigendunk te blijven wat ze zijn, nl. te te volharden in het ongeloof. Dezulken zijn met schijn van recht, dat welhaast overal erkend en toegepast wordt, ziende blind en horend doof.

M
U bent nogal zeker van uw zaak, en, als ik u zo hoor, ook nogal...exclusief...

K
Zij, die hun licht niet onder de korenmaat zetten, werpen soms paarlen voor de zwijnen...Een rozenkruiserhoed staat niet iedereen goed.

M
Nee, ook met de massa heeft u volgens mij niet veel op...

K
Ga naar markt, beurs, kerk en hof. Ziet toe en hoor. Indien gij zien en horen kunt, zult gij het verachtelijke herkennen. Maar zo ge zelf gepeupel zijt, zult gij geen gepeupel zien of horen. Dit kenmerkt het gepeupel dat het zich zelf niet ziet. Het leven is wel een lust, maar waar het gepeupel meedrinkt zijn alle bronnen vergiftigd ( Nietzsche)
Vanwaar heeft het gepeupel dat gif?
Van het het hof, de kerk, de beurs, de markt.

M
Ik wil nog even terug naar de Circel...

K
Geometrische figuren hebben geen inhoud, aan hun vorm is niets te veranderen. Ze zijn dood, maar ze zijn goed te gebruiken en nuttig. Zij kunnen alleen gedacht worden tussen stof en geest. Door hun volmaaktheid zijn zij absoluut waarheid zonder werkelijkheid.

M
Ja, zoals u weet is de circel volgens de speculaties van de platoonse filosofie de meest volmaakte vorm en daarmee het symbool van volmaaktheid en volkomenheid. In de christelijk-hermetische filosofie wordt God als circel met een alomtegenwoordig middelpunt beschreven, waarvan de omtrek nergens is. „Deus est circulus cuius est ubique, circumferentia vero nusquam”. Aan de circel valt begin noch einde, richting, noch oriëntering af te lezen...het is kennis, afkomstig uit oude esoterische tradities uit Egypte...U kent ongetwijfeld Hermes Trismegistus, u weet wel de auteur van het Corpus Herme....

K
Het wezen van Twee is Één
In, uit, van elkander
Hermes en Pymander... Het volkomene is in, bestaat uit Alomtegenwoordigheid. Het volkomene is hoogste vorm, kan de ziel beleven, wanneer haar bewustzijn rijp is geworden tot Geest. Dan is men in staat het levend water te geven en te nemen ten leve. Dan is men geworden tot profeet, apostel, magiër in dienst van de Gnosis, in dienst van de Heer, in eeuwigheid tot Gods eer.

M
Ik heb sterk de indruk dat u het nu over uzelf heeft. God en eeuwigheid, de goede oude metafysica. In uw aforismen zijn ze onafscheidelijk, maar in onze dagen is zo’n filosofie-helaas voor u  niet meer 
mogelijk.

K
De wil van God is wet. Heerlijk is het knappende dat tegenstreeft en al tegenstrevend zich gewonnen geeft.

M
Oké, maar intussen twijfelt u zelf geen seconde en dat klinkt anno 2016 op z’n zachtst gezegd nogal...blasfemisch.

K
Te weten of te zeggen „wat God niet is”, dus negatieve Godskennis, is niet te vergelijken met wat „God wel is”, dus positieve Godskennis.

M
Precies, alleen waardeer ik, in tegenstelling tot u, negatieve Godskennis wel positief en eigenlijk als de enig mogelijke. Maar goed, legt u het dan eens uit als u het dan zo goed weet.

K
Daar wijzelf en voor ons alle dingen een zijde en een keerzijde hebben, ontgaat het ons vernuft in te zien dat zij beiden gelijk zijn. Maar de rede zegt ons dat beiden één zijn (Tegendelig zijn) Want gelijkheid is éénheid, eeuwigheid en de zijde en de keerzijde is verscheidenheid, veranderlijkheid, tijdelijkheid...

M
U wilt nog iets zeggen? Gaat u verder a.u.b.

K
Zij wier verlangen naar Éénheid, welk verlangen de hoogste liefde is, niet door zelfkennis, d.i. inzicht in eigen onvolmaaktheid wordt begeleid, worden slachtoffer. De REDE alleen is in de mens het bewustzijn van het Goddelijke, van het volmaakte in hem, hem tegelijkertijd daarbij inzicht gevende in zijn eigen onvolmaaktheid als gevolg van zijn individualiteit, welke individualiteit de veelheid tot inhoud heeft, welke veelheid oorzaak is van het niet volmaakt kunnen kennen van de Eenheid, welke Eenheid God is.

M
Vandaar de nadruk die u legt op het abstraheren, nl van de individualiteit en de veelheid....

K
Het abstracte is zowel het fundamentele als het essentiële.

M
U zegt het.

K
Bedenk steeds dat het niet wezenlijke slechts mag zijn middel om het wezenlijke, dat in alles en allen is, tot ontplooiing te brengen.

M
Maar terug naar de rede en de redelijkheid met uw goedvinden. IK heb nl. toch sterk het vermoeden dat uw overtuiging berust op een variant van de klassieke metafysica en de daarmee corresponderende theologie.

K
Het inzicht in het strijdkarakter van het individu als levend wezen en in de ontwikkeling, ontstaan en vergaan van de soorten, tonen ons duidelijk dat het Redelijk denken boven tijd en ruimte staat, het laat ons een blik werpen in de eeuwigheid, omdat het zelf eeuwig is...Dàt denken is uit God en verbindt het al, door zijn Goddelijke logica tot Één. Door onze onvolmaaktheid zijn wij niet bij machte deze Éénheid te overzien...Het geestelijk inzicht ziet hierin slechts de eeuwige strijd. In die eeuwige strijd naar Eenheid zal een punt komen dat alle verschil zal zijn opgegaan in gelijkheid, in Eenheid. Deze Eenheid-toestand zal echter op hetzelfde ogenblik ophouden te bestaan door de wet van afstoting van het gelijke. Dat is de overschrijding van het positieve gebied naar het negatieve gebied... Dáár, bij die overschrijding, bij dat tegelijk Eenheid en weer Tweeheid worden, zwijgt Zij ( de Rede). Ze antwoordt mij: „Gij zijt niet volmaakt”.

M
Klinkt inderdaad erg abstract en voor u dus erg redelijk...

K
Zodra wij onze samenstelling doorzien, doorgrond hebben, vallen alle Dingen an sich, die ons vreemd zijn, van ons af en blijft over ons ego als een geestelijk wezen, dat begrijpt, voelt en weet, dat verklaart en verklaard is, zichzelf ziet, los van de stof, waarlangs de ziel is opgeworsteld om zich zelf steeds duidelijker voor de geest te staan en waarbij de grove vorm stof tenslotte verdwijnt als zijnde een schijnbestaan, verbonden aan het onvolmaakt zijn, van ons wezen dezerzijds.

M
U hebt wel een erg duidelijk beeld van hoe de wereld in elkaar zit en waar het met ons naar toe moet. Al met al is uw wereldbeeld m.i. sterk op (neo-)platoonse leest geschoeid. Op een gegeven moment heeft u het zelfs over een „ stoffelijk hulsel van een ziel in een lichaam”, of, zoals net, over een ziel, los van de stof, „waarlangs de ziel is opgeworsteld” etc. Kortom, u denkt volgens een oeroud, dualistisch schema, de basis van uw geestelijke bagage: God als laatste grond en „ratio” van alles wat bestaat, met de „stof” ( lees: de materie, het lichaam) als laagste „zijnde” in rang.
U zegt wel: „Philosophen en theologen, welke liefde koestert gij? Zijt gij al zover, dat gij Haar kunt verdragen? Zijt gij gezond gebleven en is uw ziel niet verbrand door verstand”, maar moet u voor de aardigheid nu eens uzelf horen: ” Om de mens te leren, te doen begrijpen dat naast het onsterfelijke ook het sterfelijke bestaat, daarvoor was de Val in het Plan Gods door de Logos reeds begrepen.” Plan Gods!...Logos!...de geplande Val!!...
Vult u zelf maar aan!

K
Om de drievoudige Logos mogelijk te maken en als werkelijkheid in het Plan Gods te doen bestaan, te zien, te horen en te ervaren was het Godsdenkbeeld van de Val noodzakelijk ten einde tot kennis van God, dat is de Waarheid te komen.

M
U durft! Niet alleen gepland, maar zelfs „noodzakelijk”! Het lijkt Hegel wel!...Wat overigens niet gek is. Zo’n beetje iedereen in uw tijd was aan het „hegelen”. Maar goed! Kennis van het Plan Gods, daar is het u uiteindelijk allemaal om te doen..

K
Kracht ontvangen hebbende met kennis van het plan Gods voor ogen, kan men de zekerheid hebben verkregen in staat te zijn te kunnen onderzoeken om te weten waarin en waardoor godsdienst, kunst en wetenschap te kort schieten, te kort moeten schieten, waarvoor en waardoor zij als drie-eenheid van de natuur des doods bestaan en in en door het gekomen zijnde Universele Licht Gods ondergaan.

M

Dat schreef u in januari 1965. Een zin waarin u wel héél hoog van de toren blaast, bovendien een draak van een zin, waarbij ik het gevoel kreeg, „dat een oude, knokige hand met een draaiende beweging mijn hersenen uit mijn hoofd schroefde”, om het maar eens met Robert Musil te zeggen.Heeft u die wel eens gelezen trouwens?

K ?....

M
Maar om terug te komen op uw Plan Gods: soms lijkt U wel een katholieke of protestantse theoloog van de oude stempel!
U heeft niet veel op met christelijke theologen en met de (christelijke) godsdienst, dwz met het kerkelijk instituut met al zijn rituelen en dogma’s: uw streven is erop gericht, boven alle geïnstitutionaliseerde geloofsverdeeldheid uit, het goddelijke te “aanschouwen”, zoal het in uw tijd heet, precies zoals u indertijd ( toen u voor De Stijl schreef), in het absolute uw universele esthetische principes zocht.

K ?...

M

Eigenlijk bent u in uw visie geen steek veranderd..In de ene, universele religie die u bepleit,( eenheid was van het begin af aan een belangrijk thema voor u) en -dat moet gezegd- in de Broederschap van het Rozenkruis in praktijk bracht, gaat het om boventijdelijke en bovenruimtelijke kennis.Het feitelijke en individuele ( het „verdeelde”) is en was in uw visie slechts bijkomstig. Het vormt geen bron van nieuwe informatie, maar is hoogstens een opstapje naar en “symbool” van het algemene, dat het wezenlijke uitmaakt van de dingen. In uw visie herken ik een oeroude van oorsprong Grieks- Egyptische wijze van denken, die voor het latere christendom van enorme betekenis is geweest. Daarin is de tijd, onze tijd, de historische tijd, oorzaak van verval ( de „Val”!) en verdeeldheid. Veelheid versus eenheid is sowieso hèt thema van de klassieke filosofie. Ook voor u is kennen: op zoek gaan naar de eenheid van alles, uiteindelijk culminerend in de kennis van Gods (eeuwige) eigenschappen zoals onveranderlijkheid, onbeweeglijkheid, alomtegenwoordigheid, waarheid, werkelijkheid, onsterfelijkheid, gelukzaligheid, goedheid, eenheid en liefde. Een “alomtegenwoor...”

K
Het nu van ons behoort aan en tot het Nu der Eeuwigheid. Het is in Wezen eeuwig buiten ruimte en buiten tijd. Het is zowel van mij als iedereen, niet meer dan een steen.

M
Ja, ja. Ik begrijp u wel, allemaal evidente kennis, die kan worden geschouwd via de „godsvonk in ons hart”..Zo noemt u dat. U kent al deze dingen...hoe zal ik het zeggen...apriori...uit een soort innerlijke verlichting, als ik u goed begrijp?

K
Door Goedheid en Schoonheid Tweeënig in Gelukzaligheid door Wijsheid in Volmaaktheid Drieënig, gekroond door Waarheid wordt het Universum als God’s Domein eeuwig in Onvergankelijkheid door Zijn in Licht, Liefde, Leven onsterfelijk geworden Schepselen bewoond. De goedheid en schoonheid is..

M
Sorry, dat ik u onderbreek, mijnheer Kok, maar ik wil nog even terug naar het begin, dwz naar naar uw „Denkextracten”, uw filosofische bijdragen aan het tijdschrift De Stijl, de tijd dat u samen met uw vriend Theo van Doesburg, de noodzaak van een andere, meer abstracte en universelere cultuur 
voorstond en dat u...

K
Het criterium van het abstracte is een „alomtegenwoordigheid”, een los zijn van tijd en ruimtelijkheid.

M
Precies! Uw artistiek en levensbeschouwelijk credo! Later voorzien van een filosofie, die al sinds Plato onze cultuur heeft vorm gegeven en die is samen te vatten met het woord van Hermes Trismegistus: „verheft u boven alles en wordt eeuwig”. U stamt uit een eeuwenoude christelijke traditie en geheel in overeenstemming met de tijdgeest heeft u uw overtuiging in het jargon van een esoterisch- christelijke terminologie gegoten. U heeft altijd wantrouwend en afwijzend gestaan tegenover de geïnstitutionaliseerde christelijke godsdienst.

K ?...

M
U heeft, zeker in het laatste kwart van uw lange leven, geloofd in een direct contact met God. God zelf mocht dan misschien niet bereikbaar zijn, u kende wel zo’n beetje alle eigenschappen van God. Dat-ie überhaupt bestond was voor u een uitgemaakte zaak.Maar u ging nog een stapte verder met de kennis van God: bij de Rozenkruizers werd het metafysisch „schouwen” waarvoor u van meet af aan best wel aanleg bezat, ook nog een schouwen „more geometrico”, nl. als kennis van en inzicht in de verhoudingen tussen de getallen. Uw kennis van het goddelijke werd alsmaar „rationeler”!!

K
Die als 5 door 2 in wezen 3 als 7 voor 9 leven zijn door God als zegen aan ons allen in Zijn Plan gegeven, God is Ja, Één. Het van A tot Z neen bewijst het. 10 = 3 + 7 d.w.z. Leven.

M
Ja, ja, al goed...
Voor ons die nu leven is zo’n god moeilijk te pruimen. Tijd, ruimte, geschiedenis zijn allang geen onbetekenende factoren meer, waarvan geabstraheerd kan en moet worden. Het begrijpen van de wereld om ons heen volgens een „esprit de geometrie” ligt ons al helemaal niet of het zou de digitale wereld moeten zijn. Niet de wereld van DADA, maar van DATA!

K
De robot is geen god!

M
Mee eens, mijnheer Kok...Misschien hebben we wel meer gemeen dan u denkt...

K
De klokken, die aeonenlang ketenden de onwetenden, gaan Nu anders geworden, anders makend
( dat en wat geen wonder is) de ontelbaren verlossen van de ketenen.Zij die door dit Roepen wakker zijn geworden, horen, begrijpen en verstaan. Doch nu niet meer door op trommelvliezen acht te slaan. Doch door de Roep van de zeven, acht of negen, wordt in en door hart en hoofd en ziel en handen, klaar en duidelijk, hoog en diep Nu voelbaar meetrillend verstaan. Gehoorzaam wordend luisterend willen zij. Zij zullen de begeertenkluisters breken van kracht, en machteloos zo onvoorstelbaar voos en loos bestaan, en dóór en ook reeds vóór de daad, vergaat door Liefd’ en Inzicht alle kwaad en alle haat. Neutraal, door overgave aan de Gnosis zijn wij in staat tot het verdragen van al wat boos is.

M
Ja, nu weet ik het wel, mijnheer Kok. Wat ik reeds vermoedde: er zit een oude gnostische priester in u verborgen...Misschien zelfs wel een theoloog! Ik heb niets tegen die mensen, maar wilt u in het vervolg...

K

De inhoud van de theologie is slangengekronkel geworden. Pluto zal nu de gifkoppen de koppen splijten en afbijten. De religie is geen vak. Er zouden geen cijfers kunnen worden gegeven. Theologie is een vak met veel cijfers.

M
...maar wilt u in het vervolg wat minder waarheden debiteren, of althans uw overtuiging met wat minder waarheidspretentie tot uitdrukking brengen? Dat praat makkelijker. U geeft voortdurend de indruk de waarheid in pacht te hebben. Ik vind het prima, dat u er een christelijke levensovertuiging op na houdt...maar kunt u niet zonder een dergelijk ....waarheidspathos?

K
Goed bekeken is in de praktijk van het leven de goede verstandhouding wel het beste gebleken.

M
Dat is wat ik bedoel, dit is voor één keer een aforisme waar het godsdienstige niet van af druipt... Als u nu eens probeerde minder hoog van de toren te blazen...

K
Wie in enig godsdienstig bewustzijn staat, weet dat het om bevrijding gaat.

M
Bevrijding? Bevrijding? U heeft de hele santenkraam van het Rozenkruis kritiekloos overgenomen! Het is bizar en wrang dat u, die het universele, het absolute, het abstracte, de eenheid, de liefde en wat niet al, zocht, uiteindelijk belandt in het tegendeel: een obscuur religieus genootschap, dat ook tegenwoordig nog veel goed doet, het genootschap functioneert nog steeds -het toont het hedentendage zelfs interessante initiatieven in samenwerking met andere groeperingen in de samenleving- maar tegelijkertijd in toon en stijl toch veel kenmerken bezit van een soort sekte. Als u zich wat meer bescheiden zou opstellen, als u uw overtuiging zou uitdragen met wat minder waarheidspretenties... een samenleving als de onze die totaal wordt overheerst door markt en eigenbelang zou mensen als u goed kunnen gebruiken!... Het gaat in de religie toch niet zozeer om de juistheid van de overtuiging, als wel om de manier waarop die overtuiging gestalte krijgt in je leven...of niet soms?

K ?...

M
Denkt u dat u uw geloof niet anders kunt belijden dan op basis van een eeuwenoud stramien?

K
Geloven a priori gaat alle inzichten te boven.

M
Behalve dan de inzichten die u en detail en zelfs qua woordgebruik van het Rozenkruis overneemt! Of het moet zijn dat het gehele Rozenkruis berust op een geloven apriori...waar misschien veel voor te zeggen is.

K !!!!...

M
Daarom ook heeft u ook zo’n hekel aan de bestaande, geïnstitutionaliseerde godsdiensten. Maar, mijnheer Kok, die zíjn er nu nog steeds, met al hun riten, ceremoniën en andere hebbelijkheden...

K

Godsdienst, vaak kinderlijk
wordt kinderachtig hinderlijk
De Waarheid kan niet altijd werken Dat komt vooral door kerken

M
Dat is wat u in de armen drijft van weer een nieuw... kerkgenootschap, inclusief nieuwe riten en ceremoniën...Ach, eigenlijk waardeer ik uw geloof meer dan uw geloofsleer, om deze woorden maar eens te lozen in de trant van uw rijm-neurose...
Weet u wat ik opmerkelijk aan u vindt? Dat u een aantal aforismen hebt geschreven in de vorm van een gebed...

K
Sedert ik te bidden weet, blijf ik er soms midden in steken. Dit is voor mij een teken.

M
...is voor mij een teken van uw religieuze integriteit. Met de artistieke integriteit van uw aforismen heb ik veel meer moeite...maar misschien is het een idee uw aforismen op te vatten als een soort religieus dagboek..

K
aforismen zijn wenken of geschenken Zodra de aforismen verschijnen
zal veel onkunde verdwijnen.

M
Maar, mijnheer Kok, uw aforismen zijn nooit verschenen! En onkunde? Laten we het daar maar niet over hebben...
Graag zou ik tot slot nog even terug willen naar uw aforismen.
Een tijdgenoot van u, Ludwig Wittgenstein, richt zich, voor iemand die theologisch en metafysisch gezwets verafschuwt, opvallend vaak tot god. Bijvoorbeeld terwijl hij, als Oostenrijks soldaat aan het Oostfront in WO 1, wordt beschoten door Russische kanonnen. Hij schrijft: „ De zin van het leven, dat wil zeggen de zin van de wereld (...) kunnen we god noemen. Het gebed is de gedachte aan de zin van het leven.” Het bijhouden van een dagboek was voor Wittgenstein een soort ritueel, vergelijkbaar met het gebed van gelovige mensen voordat ze gaan slapen. Welnu, in dezelfde lijn zou je uw aforismen kunnen zien...Als u wilt kunt u dat opvatten als een veel te groot compliment!

K
Lees vooral geen aforismen voor zelden blijft men er wakker door.

M
Hoort in slaap vallen dan niet tot hetzelfde ritueel?

Mijnheer Kok, hartelijk dank voor het gesprek en misschien tot kijk!

 


'Outlaw 5', voor disk-klavier

'Improofs 1', voor dak-klavier

'Improofs3', voor disk-klavier

'Magellaan 3', voor disk-klavier

'Neanderthalersong 1', voor disk-klavier

"CREDO"

Het in oorsprong negentiende eeuwse modernisme is een van de belangrijkste factoren die ten grondslag liggen aan het (betrekkelijk) isolement van de eigentijds gecomponeerde muziek. Met dit modernisme is er tevens een welbepaalde hiërarchie binnengeslopen van "eigentijds, minder eigentijds en niet eigentijds”, resp. van “in orde, minder in orde en niet in orde”.

De hiërarchische verhouding wordt hier bepaald door de vraag welke muziek het meest kan bogen op haar eigentijds karakter: "Wij" bewegen ons in het hart van de tegenwoordige tijd, "zij" daarentegen zijn blijven "hangen" in de traditie, hebben zich aangepast en hebben zich overgeleverd aan traditionele, conformistische of commerciële standaarden. "Zij" beseffen onvoldoende dat kunst slechts in dienst van zich zelf staat, en niet van de mammon, god, de natie, de zelfverheerlijking van de bourgeois, de heilstaat en al helemaal niet in dienst van een soort morele vooruitgang. Schoonheid is immers nutteloos en per definitie daarom waardevol. Schoonheid en nutteloosheid verhouden zich omgekeerd evenredig met lelijkheid en nut. Bijbehorend credo van de kunstenaar: hij hoeft aan niemand anders verantwoording af te leggen dan aan zichzelf en eventueel aan andere kunstenaars. Dit modernisme met bijbehorende “hiërarchie” lijkt mij de beste tijd te hebben gehad.

 

 tov de samenleving 

 het sociale klinkt volop mee in de wereld van het muzikale. Maatschappelijke opvattingen, levensbeschouwelijke overtuiging en mensbeeld  dringen door tot in het hart van het muzikale gebeuren. Maar ook ogenschijnlijk “puur” artistieke zaken als thematiek, toonmateriaal, vorm, muziekselectie en bijvoorbeeld kwesties van idioom en toegankelijkheid zijn doordrenkt met socialiteit.

tov muzikanten onderling 

 elkaar in “trilling” brengen, inspireren en enthousiasmeren, tot klinken komen; in openheid en vrijheid communiceren met behoud van ieders eigen stem.Bij resonantie is altijd sprake van een relatie en dus van ( minimaal ) twee kanten. Er blijft altijd een “rest” van de ander, je medemuzikant: het andere van de ander dat je je niet eigen kunt maken, waar je geen invloed op hebt. Resoneren betekent niet versmelting of het ( laten ) klinken van een “passieve” echo, maar reageren op elkaar, zo dat het andere van de ander blijft meeklinken. Beide kanten hebben een “eigen stem”. Daarom is resonantie ook niet hetzelfde als consonantie of harmonie.  Een relatie van resonantie omvat steeds ook tegenspraak en zelfs dissonantie. Resonantie van muzikanten onderling kan niet worden afgedwongen. Evenmin kan resonantie worden geïnstitutionaliseerd of politiek worden voorgeschreven. Resonantie is niet instrumenteel van aard en daarom ook moeilijk voorspelbaar.

TOV het componeren 

 het ontwikkelen van een eigen geluid zonder te verstarren in een te gesloten of ontoegankelijk jargon is voorwaarde voor een gunstige resonantie-ruimte. De focus valt minder op het “werk” van de componist, op muziek als “compositie”, dan op componeren als “taking part in a musical performance”. Participatie omvat uitvoeren, luisteren, zorgen voor financiële middelen, het kopen van bijv. een video-projector, kiezen (of gekozen worden door) van een locatie, componeren, publiciteit verzorgen en het kaartjes verkopen, kortom voorwaarden scheppen voor het mogelijk opdoen van een zinvolle ervaring.  Componeren wordt zo onderdeel van een gezamenlijk proces, dat bij “hoge” resonantie een model zou kunnen realiseren van geslaagde menselijke relaties, waarbij muziek de hoofdrol speelt. Componeren, kortom,  gaat van meet af aan over veel meer dan alleen maar over het componeren.

De vos en de egel, een typologie van componisten

( NB het essay van filosoof IIsaiah  Berlin ( 1909 - 1997 ): twee fundamenteel ver5schillende opvattingen over de werkelijkheid.; De vos is een pluralist: hij weet veel, maar brengt die kennis niet tot een eenheid. De egel streeft ernaar om één groot geheel te kennen en de werkelijkheid als een eenheid te zien. Egels zijn er toe geneigd vast te houden aan een kernovertuiging. vossen beschikken over brede kennis en kunnen complexe vraagstukken vanuit meerdere perspectieven benaderen. Waar de egel zich in zijn veilige omgeving terugtrekt, gaat de vos mrt een gezonde dosis nieuwsgierigheid de straat op.

Verdedigingsmechanisme

de vos: wendbaarheid

de egel: ondoordringbaar/ongenaakbaar

Voortbeweging

de vos: snuffelen

de egel: wroeten

Karakter

de vos: op z’n hoede

de egel: schuw

Manier van kijken

de vos: (re)gardistisch

de egel: avant-gardistisch

Filosofie

de vos: zoeken naar wat je kunt gebruiken

de egel: op zoek naar een onwrikbaar uitgangspunt

Tijd

de vos: het heden is vol verleden en toekomst

de egel: het heden is de geboorteplek van het nieuwe

Strategie

de vos: zijdelings

de egel: frontaal

Geluid

de vos: veranderlijk

de egel: stekelig

integriteit

de vos: ambivalent

de egel authentiek

metafysica 

de vos: de verleiding van “het lagere”

de egel: het radicalisme van “het hogere”

resono ergo sum

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                  

re so na re

mi re so na re mi

fa mi re so na re mi fa

sol fa mi re  so na re mi fa sol

sol fa mi mi re so na re mi fa sol la

ti la sol fa mi re so na re mi fa sol la ti

do ti la sol fa mi  re so na re  mi fa sol la ti do

 re do ti la sol fa  mi re  so na remi fa sol la ti do re

 Resonantie is een van oorsprong akoestisch begrip: iets kan pas resoneren als het voldoende is afgesloten en tegelijk open genoeg om “bereikbaar” te zijn en zich te laten prikkelen of beïnvloeden.  Vergelijk het met de klankkast van een muziekinstrument: te open, te poreus betekent dat er geen klanken aan zijn te ontlokken, het geluid vervliegt en “klinkt” niet, te gesloten betekent dat de klankkast zich niet in trilling laat brengen en dus evenmin kan resoneren. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ten opzichte van de muziek “zelf” 

de muziek is geen ding op zich zelf, geen object en geen feit, muzikale betekenis komt tot stand in de gedeelde ervaring van het luisteren en spelen, de muzikanten zijn zelf de eerste luisteraars. Zij geven de muziek een kans met eigen stem te spreken en uit die betrokkenheid ontstaat muzikale betekenis. Muziek heeft geen objectieve betekenis, die in de partituur al “klaar” zou liggen en die we tijdens het luisteren alleen nog maar zouden moeten “ontdekken”.

Die betekenis kan ruimer zijn dan de muzikale ruimte in strikte zin “normaliter” toelaat: muziek is vaak doorweven met meerdere, andere dan strikt muzikale betekenissen. Zo kun je bijvoorbeeld  grote betekenis hechten aan taal, die op zijn beurt weer van grote invloed is op de betekenis van de muziek en de manier waarop die wordt gespeeld. Tussen muziek en het zogenaamde buiten-muzikale bestaat een vloeiende overgang. Beide sferen zijn poreus naar elkaar maar behouden ieder hun eigenheid.

 

brief over veiligheid en gezondheid

Dag A,

 

Opvallend inderdaad die enorme focus de laatste tijd op gezondheid. Social media, kranten, ongevraagde advertenties, talkshows op TV, etc. geven een overvloed aan vooral beelden te zien die ons “nudgen” naar een hoge(re) standaard van gezondheid en alles wat er buiten valt, als onvoldoende of afwijkend kwalificeert. 

Tegen gezond leven is niets mis; uiteraard niet. 

De vraag is waarom het lijkt dat gezondheid tot een eerste levensdoel wordt verheven, in plaats van te dienen als “gezonde” basis voor een goed leven. 

In onze tijd lijkt het of het streven naar gezondheid de vraag naar het goede leven sluipenderwijs heeft vervangen: het gezonde leven is zelf het goede leven geworden. Sluipenderwijs, omdat de vraag naar wat het goede leven behelst, in onze cultuur aan een sterke erosie onderhevig is en de oorzaak dáár weer van is de dominantie van het meetbare, maakbare en ( dus ) controleerbare weten enerzijds, en de hedendaagse cultuur en levensstijl, die het goede leven tot een puur individualistische aangelegenheid maakt, anderzijds. 

Gezondheid dus als een (ook politiek ) maakbaar ideaal, nog afgezien van de enorme industrie die er wel bij vaart, of misschien andersom, de gezondheidsindustrie dus, waarbij het nog maar de vraag is of de gezondheid er wel bij vaart; of beide tegelijkertijd.

Als je probeert de term “gezondheid “ te vervangen door de term “veiligheid”, dan merk je dat er grote parallellen bestaan tussen beide idealen. Ze overlappen elkaar minstens gedeeltelijk naar mijn indruk en beide tenderen naar een een type werkelijkheid, die mij doet denken aan de “laatste mens” van Nietzsche:

 

“Zie! Ik toon jullie de laatste mens.

“Wat is liefde? Wat is schepping? Wat is verlangen? Wat is ster?” - zo vraagt met een knipoog de laatste mens.

De aarde is dan klein geworden, en op haar hipt de laatste mens, die alles klein maakt. Zijn geslacht is onuitroeibaar, als de aardolie; de laatste mens leeft het langst.

“Wij hebben het geluk uitgevonden” -, zeggen met een knipoog de laatste mensen.

Zij hebben de oorden verlaten waar het leven hard was: want men heeft behoefte aan warmte.

Ziek worden en achterdochtig zijn merken ze aan als zondig: men loopt behoedzaam voort. Een dwaas die nog struikelt over stenen of mensen!

Een weinig gif af en toe: dat geeft aangename dromen. En veel gif op het laatst, voor een aangenaam sterven (…)

Iedereen wil hetzelfde, iedereen is gelijk: wie anders voelt, gaat vrijwillig naar het gekkenhuis (…)

Men heeft zijn pretje voor de dag en zijn pretje voor de nacht: maar men houdt de gezondheid in ere.

“Wij hebben het geluk uitgevonden” - zeggen met een knipoog de laatste mensen.”

 

Ik denk ook aan de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, die spreekt van een “comfortbroeikas”: een binnenruimte, die bescherming biedt tegen buitenwereld, en een aangename , behaaglijke luxe en warmte creëert. De broeikas bewoner leeft om te kunnen genieten. Zijn vrijheidsideaal is onbekommerd zijn gang kunnen gaan, zijn eigen behoeftes kunnen uitleven. Zijn idee van vrijheid van meningsuiting is zeggen wat in hem opkomt, zonder zich over het effect van zijn woorden te hoeven bekommeren. De broeikas ademt de sfeer van spontaan, aangenaam en intiem.  Maar alles wat de broeikas buitensluit komt steeds onheilspellender en bedreigender naar binnen, denk je niet?

 

Hartelijke groet,

F

 

Brief over leegstaande kerkgebouwen

Dag F.

Religiositeit is m.i. te belangrijk om aan de geïnstitutionaliseerde godsdiensten over te laten. Ook de actuele en toekomstige leegstand van kerkgebouwen is wat mij betreft behalve een kerkelijk/godsdienstige ook een maatschappelijk/culturele kwestie.

 

Godsdienstsociologisch onderzoek wijst keer op keer uit dat verlies aan institutioneel gebonden geloofsvormen nog geen verlies betekent van “religiositeit” tout court. Om deze “grijze zone” ( een gebied van vloeiende overgangen dat veel groter is dan men gewoonlijk denkt ) niet weg te poetsen en op zijn waarde te schatten, doe je er in mijn ogen goed aan de waterscheiding tussen de volgende tegenstellingen niet al te strikt te nemen: “sacraal” tegenover “profaan”, de “binnenkant” ( godsdienstige kant ) van de kerk tegenover de “buitenkant” ( zakelijke, financiële kant ) van de kerk, de “culturele” bestemming van een ( leegstaande ) kerk tegenover een “religieuze” bestemming.

 

Wat je zou moeten doen is volgens mij: proberen om tot een andere/nieuwe bestemming van leegstaande kerken te komen op basis van een herdefinitie/herinterpretatie van levensbeschouwelijke en religieuze behoeften, die recht doet aan de enorme maatschappelijke en culturele veranderingen die bezig zijn zich te voltrekken en aan wat mensen tegenwoordig geloven en niet geloven.

 

Je zou - grofweg - drie profielen kunnen onderscheiden:

 

- In het eerste profiel is er sprake van een dominante binnenkerkelijke oriëntatie: de kerkelijk-liturgische ( binnenkerkelijke ) identiteit staat voorop, het referentiekader ligt tamelijk vast en er bestaat een specifiek discours over de “gewijde” ruimte. In dit profiel liggen de tegenstellingen tussen “sacraal” en “profaan”, tussen “religieus” en “maatschappelijk/cultureel” etc vast.

- In het tweede profiel wordt de binnenkerkelijke oriëntatie verlaten; er is openheid voor meerdere perspectieven; referentiekader is een breder concept van religie: minder exclusief aan traditie en autoriteit gebonden. Oecumenisch denken in dit profiel is wenselijk evenals een open oog voor de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. Kerken zijn gastvrije plekken, bijvoorbeeld uitdrukkelijk open ook voor buiten- en randkerkelijken; betrekkingen met de samenleving zijn expliciet en wederzijds.

- in het derde profiel is een kerk de plek ( een van de plekken ) waar wordt gezocht naar een abstracte, niet aan een institutie of traditie gebonden vormgeving voor bezinning, meditatie, rust, spiritualiteit en zingeving; toegankelijk voor allerlei soorten van gelovigen en ongelovigen. In dit profiel staat het maatschappelijk/cultureel belang van ( leegstaande ) kerken voorop: presentatie en vormgeving van ( pluriforme ) levensbeschouwelijke oriëntaties als maatschappelijk experiment. Te denken valt bijv. Aan herdenkingen, performances op kunstzinnig gebied ( vooral  theater, muziek, maar ook beeldende kunst ), nieuwe bezinningspraktijken en -rituelen, etc. Zonder ( leegstaande ) kerken zou een groot deel van mijn eigen muziekpraktijk bijvoorbeeld geen of minder geschikt podium hebben gekregen…

 

Verkavel je leegstaande kerken niet uitsluitend op basis van zakelijke, financieel-economische en beheerstechnische criteria, maar ( ook ) op basis van bovengenoemde profielen met verschuivende religieuze inhouden, dan verdisconteer je ook het maatschappelijk en cultureel belang van leegstaande kerken en dat niet alleen, maar je houdt ook eerder rekening met de maatschappelijke en culturele mogelijkheden ervan op langere termijn.

 

Verkaveling van leegstaande kerken leidt, strikt gesproken, tot verlies van locale oriëntatie, maar je zou ook kunnen zeggen dat de locale oriëntatie juist wordt verbreed en uitgebreid vanwege een grotere keuzemogelijkheid: je stelt je eigen religieus/levensbeschouwelijk pakket samen op basis van de drie profielen, die de kerken in jouw regio bestaansrecht geven; d.w.z. wat je geografisch aan locale oriëntatie verliest, win je aan uitgebreide en persoonlijke differentiëring in levensbeschouwelijk opzicht. Daar is de tijd rijp voor, denk ik, wat niet verhindert dat in geïnstitutionaliseerde kring hier geheel anders over gedacht zal worden.

 

Om enigszins uit te sluiten dat je zelf niet bevooroordeeld of al te snel een van de profielen omarmt, zou je middels een eenvoudige enquête in de hele betreffende regio, toch niet groter dan een gemiddelde provinciestad in Nederland, tot een profilering van religieuze en levensbeschouwelijke behoeften moeten kunnen komen. Op basis daarvan zou je dan een voorlopig verkavelingsvoorstel kunnen doen. Let wel, voorlopig! Dat dit niet snel zal gebeuren vanwege het belang van de geïnstitutionaliseerde godsdiensten die immers de kerken als “hun” kerken beschouwen, zou aan de kwaliteit van een democratisch advies niets hoeven afdoen.

 

Ik heb de indruk dat er in protestantse kring iets anders over kerkgebouwen en leegstand gedacht wordt dan in RK kring; vooral het cultuurkritisch potentieel is waarschijnlijk groter. Uiteraard een groot probleem, vooral aan katholieke kant, vormt de totale onzichtbaarheid van feitelijke besluitvormingsprocessen: naar oud gebruik vindt in de huidige rooms-katholieke kerk ( weer!, tegengeluiden zijn zo goed als verdampt ) openbare meningsvorming/debat plaats volgens het principe: “wij zijn geen democratie”; maatschappelijke verantwoording ten aanzien van besluiten en argumentaties inzake leegstand en bestemming van leegstand, is niet bepaald een doel van de katholieke saneringsoperatie. Wel zijn er instanties in Nederland die erop toezien dat religieuze cultuurgoederen niet op de bonnefooi verkwanseld worden. Op de eerste plaats denk ik dan aan die prachtige kleinere protestantse kerkjes die, zoals je al terecht schrijft in je nota, door hun maatschappelijk/culturele functie al vooruit lopen op toekomstige ontwikkelingen. 

 

Het kan nooit kwaad ook daar eens je licht op te steken, denk ik.

 

Groet, Fons

 

brief over kunst en religie

 

Hoi Ad,

 

Bij onze ontmoeting laatst op het Conservatorium heb ik je voorstel eens mee te denken over een ev. volgend orgelfestival ter harte genomen. Daarbij gaat het mij niet op de eerste plaats om concrete concertvoorstellen of projecten, maar meer om een mogelijke verheldering van de culturele situatie, die met  (hedendaagse) muziek in een kerkgebouw is gegeven.

 

Hierbij dan een schets van wat ik graag nog eens graag met je zou willen doorpraten:

 

                            eigentijdse                                               religie

                                muziek

 

                                   A                                                               B

Eigentijdse muziek en religie sluiten elkaar uit (Natuurlijk bevestigen de uitzonderingen de regel).

 

Van de ene kant: het (doorgeschoten)  “l’art pour l’art “ – principe, dat kan leiden tot een cultus van een zelfgenoegzame onmaatschappelijkheid van eigentijdse muziek. Van de andere kant: een tot traditionele instituties en tot traditioneel liturgische vormen verengde opvatting van religie. Beide posities veroordelen elkaar tot een “splendid isolation” en hebben een wederzijdse aversie tegen elkaar. Een dogmatische, in zich zelf gekeerde, modernistische esthetica contra een dogmatische, naar binnen gerichte geïnstitutionaliseerde godsdienst, en vice versa.

 

 

                             eigentijdse                                                    religie

                                muziek                                     

                             

                                 A’                           C                            B’ 

 

 

          mogelijke ontwikkeling/situatie: wederzijdse beïnvloeding

 

( A ) en ( B ) creëren  geen tegenstelling, maar bewegen zich in wederzijdse wisselwerking naar elkaar toe, waardoor een interessant snijvlak ( C ) ontstaat: een situatie waarin eigentijdse muziek ( weer! ) een verruimd- religieuze betekenis kan krijgen, althans haar a-prioristische religie-vijandigheid laat varen; daardoor “mogen” ook andere dan strikt esthetische of strikt binnen-muzikale criteria  in het domein van de eigentijdse muziek een rol spelen. De eigentijdse muziek wordt “poreus” naar de kant van de religie; de religie naar de kant van de eigentijdse muziek.

 

Van de andere kant: een situatie bepaald door een brede opvatting van religie; een situatie waarin het religie-concept van voor de 60-er jaren wordt verlaten ten gunste van een open opvatting, voorbij de grenzen van de traditionele instituties en de daarbij behorende liturgische vormgeving, “voorbij het kerkgebouw” ( Paul Post ).

 

Ad, dit is natuurlijk allemaal wat kort door de bocht; wil het beschouwen als een soort “grondplan”, dat uiteraard de nodige uitwerking behoeft, vooral ook omdat er nogal wat cultuur-maatschappelijke, theologisch-religieuze, en –last but not least- muziek-filosofische vooronderstellingen in meespelen, die eigenlijk niet, zeker niet op de langere duur, onbesproken kunnen blijven.

 

Vooralsnog gaat het mij op de eerste plaats om een kader, dat kan helpen houvast te bieden bij het denken over eigentijdse (orgel) muziek in de specifieke context  van een kerkgebouw; een kader, waarin het mogelijk wordt  aannemelijk te maken waarom bepaalde concerten/projecten van eigentijdse muziek misschien eerder in een kerkgebouw “thuishoren” dan in een ander gebouw. Op de derde plaats dwingt het kader tot een meer precieze positiebepaling van jezelf als componist/muzikant/kunstenaar of anderszins ( filosoof! ) 

Tenslotte kan dit kader verhelderen dat er in Nederland een groeiende groep mensen te vinden is (daar is ook al empirisch materiaal voor, geloof ik ) , die qua “spiritualiteit” zich precies beweegt op het snijvlak van muziek ( kunst in het algemeen) enerzijds en religie (in brede zin)  anderzijds. Het aanboren van nieuwe publieksgroepen ( C)  is m.i. zeer wel mogelijk en volgens mij  niet te veronachtzamen.

 

Om bovenstaande niet enkel “theorie” te laten zijn, stuur ik je hierbij nog een 6-tal voorbeelden van mogelijke projecten  die volgens mij een aardige illustratie kunnen zijn van het “grondplan”. Neem “religie” dan wel in een brede, levensbeschouwelijke zin: als één van de mogelijke zingevende perspectieven !

1)

SYMPOSIUM

Herdenken en gedenken van Hans Keilson en zijn werk. Hans Keilson is schrijver, dichter en wetenschapper; een voor de oorlog naar Nederland gevluchte Duitse jood, bekend geworden o.a.door zijn baanbrekend werk met en over door de oorlog getraumatiseerde kinderen. Het zou interessant zijn nieuwe muziek te koppelen aan een aantal lezingen over zijn werk.2 gedichten van Keilson, door mij voor orgel en stem op muziek gezet,  zijn gespeeld op het orgelfestival, dat onlangs in Eindhoven werd gehouden.

2)

ALTERNATIEVE DIENST

De laatste gedichtenbundel van de Poolse dichter Milosz : “Theologisch Traktaat”  voor koor, orgel en spreker/voorganger, past, hoe vrijzinnig ook,  gemakkelijk in een aantal kerken; de tekst zou wat mij betreft ook gesproken kunnen worden door een pastor, dominee of ander soort voorganger...De dichter “mediteert” ( op negentigjarige leef-tijd ) over zijn christelijk geloof.

3)

MUZIEKTHEATERSTUK

In dit stuk wordt recht gesproken over een muzikant die tot nu toe weigerde de zogenaamde  Murti-Bingpil te slikken; het betreft een “gelukspil” die geslikt “moet” worden  volgens de moraal van het land waar  de rechter-commissaris en de reclasseringswerker wonen; de reclasseringswerker staat de rechter-commissaris bij  in zijn onderzoek naar het gedrag van de cliënt. Niet alleen deze weigering wordt hem ten laste gelegd; ook worden muziek- en tekstfragmenten als “bewijsstukken” tegen hem aangevoerd. De rechter-commissaris en de reclasseringswerker slikken al geruime tijd de genoemde pil; alleen de rechter-commissaris is er nog niet in geslaagd zijn “oude” persoonlijkheid volledig uit te wissen: hij lijdt daarom enigszins aan schizofrenie. De muzikant is degene tot wie beiden zich richten, maar die is op geen enkele manier te horen tenzij als muzikant…

4)

COMBINATIE MUZIEK EN BEELDENDE KUNST

Bij  elk van de kruiswegstaties wordt een gedicht gekozen van Lucebert, uit diens postuum uitgegeven bundel “De Maltentige Losbol”( of eventueel ander werk). 3 componisten schrijven muziek voor orgel, gezongen en gezingzegde tekst; 3 beeldend kunstenaars laten zich eveneens inspireren door dezelfde gedichten van Lucebert.

5)

DANSRITUEEL

“Nog een gedicht over de gaven”, een ( soort van pantheïstisch) gedicht van George Louis Borges, vorm gegeven in een dansritueel met passende orgelmuziek.

6) 

ORATORIUM

voor koor, orgel, solist(en) klein ensemble en spreker; gehele kerkruimte als “decor”; thema: het ( apocriefe) Thomasevangelie

(het zg. vijfde evangelie) met daarop geïnspireerde nieuwe ( ook eigen)  teksten; Thema kan worden uitgebreid naar andere gnostische teksten en de betekenis ervan voor deze tijd. ( bestaat al een korenproject n.a.v. het Thomasevangelie; zag ik op internet!)

   

 

Ad, van deze 6 “projecten “ staat  alleen het tweede in de grondverf. 

hartelijke groet,

F

 

'Turkse liedjes', voor disk-klavier

 

"BINNEN ÉÉN DECENNIUM"

Hoe het lot van de katholieke kerk en in het bijzonder van de groep "religieuzen" in Nederland binnen één decennium werd bezegeld

1968, het Nederlands Pastoraal Concilie was al enkele jaren aan de gang! In mijn herinnering kregen wij in Nijmegen als studenten theologie daar weinig van mee. Geen krant behalve op de mensa, geen televisie, geen mail, het beetje informatie dát je kreeg, kwam van de theologische faculteit. Ook in Tilburg vormde het geen onderwerp van gesprek. Althans, mij is het niet opgevallen. Speelde men zo weinig in op de actualiteit, gevangen als men nog zat  in “oude” structuren, of was mijn geringe belangstelling voor kerkelijke aangelegenheden toen al tot een nulpunt gedaald? 

 

Ik vermoed het laatste, omdat ik in 1968 en de erop volgende jaren zoveel te stellen had met de zestiger jaren en mijzelf, dat kerkelijke vernieuwingsbewegingen mij betrekkelijk onberoerd lieten. Pas veel later, toen Hans Wewerinke en ik begonnen met ons onderzoek naar het Nederlands Pastoraal Concilie, heb ik voor het eerst “ van dichtbij” kunnen zien wat er gaande was in katholiek Nederland. 

Het onderzoek is gestart in het begin van de tachtiger jaren en werd gepubliceerd in 1986. ( “Pastoraal Concilie 1965 - 1970, Een experiment in kerkelijk leiderschap”) Gaandeweg het onderzoek, dat pretendeerde een wetenschappelijk godsdienst-sociologisch onderzoek te zijn, bleek het onmogelijk mijn eigen betrokkenheid buiten de deur te houden: de inzichten, ideeën en praktijken die  - nu, na zoveel jaren - tot de zestiger jaren worden gerekend, zijn zeer herkenbaar; nog sterker: ze zijn inmiddels ook mijn verworvenheden geworden.  

 

Dit gegeven heeft uiteraard - wij zijn de tijden - bewust of onbewust zijn stempel gedrukt op ons onderzoek. Zo kwam ik als “echte” soixante-huitard, a.h.w. van buiten af de kerk (weer!)  binnen en ontdekte ik dat veel van wat op Pastoraal Concilie had plaatsgevonden niet zo veel verschilde van datgene waar ik zelf mee bezig was of van hetgeen er in “de” maatschappij leefde. Om maar een cliché te noemen: het afbreken van autoritaire gezagsverhoudingen ten gunste van meer democratische inspraak van “onderop”, was geen exclusieve aangelegenheid van de kerk. Integendeel: als studenten hadden we daar ook zelf onze handen vol aan ( gehad ). Mijn toenmalige geloofsbrieven waren geschreven met de inkt van de “Kritische Theorie”.

Tegen deze gedeelde maatschappelijke achtergrond begrijp ik mijn toenmalige interesse in kerkelijke aangelegenheden. Tijdens mijn verdere theologiestudie in Tilburg was deze belangstelling bepaald niet  aangewakkerd, integendeel!  Gedurende die hele periode waardeerde ik colleges en studieonderwerpen meer naarmate die minder ( binnen)kerkelijk georiënteerd waren. Dat leverde mij de fricties die ik al zo vaak had gezien bij ( inmiddels afgehaakte ) medestudenten. In feite ben ik tijdens mijn theologiestudie in Tilburg mijlenver afgedreven van alles wat met kerk te maken had. Sterker nog: de kritische theologie die ik voorstond stelde de vanzelfsprekende band (“ideologische” band, zeiden wij vroeger) die er altijd had bestaan tussen de theologie en de katholieke kerk juist ter discussie en moest dat ook doen, wilde je in onze ogen kritische wetenschap bedrijven. 

Dat zorgde later voor een wetenschappelijke betrokkenheid die in het onderzoek naar het Pastoraal Concilie geen katholiek-gelovig of kerkelijk “belang” meer te verdedigen had. Omdat het Concilie zich afspeelde in precies hetzelfde tijdsbestek waarin veel van mijn studiegenoten stopten met hun studie, het seminarie verlieten of de kerk vaarwel zeiden en ook ik voor belangrijke soortgelijke keuzes kwam te staan, is het misschien goed om, zoveel jaren later, te kijken hoe en wat van deze turbulente tijd in ons Concilie-onderzoek is terug te vinden, met name over “de religieuzen” .

 

De vijfde plenaire vergadering van het Pastoraal Concilie die op basis van een rapport handelde over het vraagstuk van de religieuzen, kende vier discussie-onderdelen.

Uit het eerste onderdeel, “verwachtingspatroon voor de toekomst” bleek dat door de delegaties in het religieuzen-rapport een geïnspireerde, gelovige visie werd gemist. “De visie die uit het rapport sprak was traditioneel en sloot niet aan bij het geseculariseerde denken van deze tijd. Uit het verloop van de discussie bleek een grote behoefte aan een fundamentele heroriëntatie van de religieuzen.  

Ook in het tweede onderdeel, “Contemplatie” was het opvallend hoe sterk men uitging van de “huidige” samenleving. Concreet betekende dit: de contemplatief levende religieus behoort dichter bij het normale leven te staan, meer contact te onderhouden met mens, kerk en maatschappij. De zin van contemplatie hangt af van de mate waarin een bijdrage geleverd wordt aan de bezinning op de fundamentele waarden van het mens-zijn. Aan deze contemplatie werd naar de mening van de delegatieleden in het rapport veel te weinig aandacht besteed. 

De discussie tijdens de vijfde vergadering over het derde onderdeel “democratie” gaf hetzelfde beeld te zien als de discussie over de twee andere onderdelen: het criterium voor de zinvolheid van het religieuze bestaan ligt niet in het onderhouden van een objectief aantal regels en statuten ( en in het algemeen de levensvorm van de religieuze groep als zodanig ), maar in de ( kritische ) relatie tot de samenleving. Binnen deze oriëntatie betekende democratisering op de eerste plaats: de pluriforme realisering van een orde-ideaal op plaatselijk niveau. Tekenend voor de discussie was een relatief grote consensus over deze kwestie. 

In de discussie van het vierde thema “experiment” vind je de kritische ondertoon terug die zo karakteristiek was voor de andere discussies. Experimenten waren volgens de delegatieleden onontbeerlijk, gezien de diep ingrijpende veranderingen in de samenleving en de fundamentele wijzigingen in het mens- en godsbeeld die 

hiervan het gevolg waren. Religieus zijn, zo vroeg men zich tijdens de vergadering af, is misschien geen kwestie meer van een bepaalde groep, maar van een bepaalde attitude, die haar vruchtbaarheid alleen kan bewijzen in relatie met de samenleving.

 

De vier thema’s vertoonden dezelfde tendens tot “vermaatschappelijking” van de religieuze problematiek: fundamentele heroriëntatie van het religieuze bestaan vond plaats in het perspectief van de relatie met de samenleving. Op grond hiervan werden de geïnstitutionaliseerde vormen van religiositeit sterk bekritiseerd ten gunste van een christelijk geïnspireerde attitude, die zich bekommert om wezenlijke levensvragen. 

 

Verder werd de vijfde vergadering gekenmerkt door een flinke communicatiestoornis tussen leken en religieuzen.Een indicatie daarvan was de weerstand van sommige religieuzen tegen de kritiek op en afwijzing van de kloosterlijke levensvorm. Hierbij ging het niet zozeer om interpretatieverschillen, maar om het bestaansrecht van de kloosterlijke levensvorm als zodanig. Anderzijds was er de teleurstelling van de leken die religieuzen een voortrekkersrol toekenden, een verwachting waaraan de religieuzen op hun beurt niet wilden of konden voldoen, gezien de identiteitscrisis waarin ze verkeerden. Wie in aanmerking nam hoe massief tijdens de discussies de traditionele vormen van het religieuze bestaan werden uitgedaagd, hoefde zich niet meer te verwonderen over de weerstand waarop deze kritiek stuitte.

Er waren twee groepen te onderscheiden: een groep die bovengenoemde kritiek deelde, maar niet wenste aangesproken te worden op een eventuele “meerwaarde”, en een groep die fundamentele twijfels koesterde t.a.v. het maatschappij-kritisch oriëntatiekader als uitgangspunt voor een nieuw religieus bestaan. Deze verschillen bemoeilijkten in grote mate het gesprek met de leken. De identiteit van “de religieus” was duidelijk zoek. 

Dat de discussies tijdens de vijfde vergadering zo teleurstelden werd nog eens bevestigd door de inbreng van een lid van een religieuze jongerengroep. In zijn visie was het type vernieuwing dat het Pastoraal Concilie als zodanig voorstond, niet bedoeld om bevrijding van de kerk als een repressief onderdeel van de maatschappij teweeg te brengen, maar om op redelijke en acceptabele wijze de kerk van gisteren op een aangepaste wijze in leven te houden. (Met Marcuse zouden wij dat in die tijd “repressieve tolerantie” genoemd hebben)

 

Dat in de slotconclusie weinig terug te vinden was van de kritische bezinning zoals verwoord in het aanvankelijk verslag van de delegatiestandpunten was des te merkwaardiger, gezien de existentiële en maatschappelijke radicalisering van die kritiek tijdens de vergadering zelf. Wel vond er een voorzichtige aanpassing plaats van de oorspronkelijke versie, maar de eerder genoemde wending in het bezinningsproces van “vermaatschappelijking”, klonk er maar zwak in door: in de inclusieve en harmonische benadering die uit de formuleringen sprak, vind je de kritische ondertoon die het hele bezinningsproces als tendens doortrok niet terug.

 

Het onderzoek van het Pastoraal Concilie betekende voor mij persoonlijk in de eerste plaats werk dat in het verlengde lag van mijn studie theologie. Op de tweede plaats kreeg ik bij wijze van toeval een kijkje in de keuken van een kerkgebeuren, dat zo spectaculair was dat het “binnen één decennium” voorbij was. Aan het onderzoek ontleen ik een zeker ( maar niet overdreven ) recht van spreken, dat ik anders, hetzij vanwege mijn eigen vermoedelijke desinteresse, hetzij vanwege een te groot gebrek aan kennis, niet zou hebben gehad. In ieder geval had ik het voordeel dat ik gemakkelijk on speaking terms kon blijven met vrienden en kennissen, die in hun jonge jaren waren voorbestemd voor een religieus bestaan. Bovendien gaf het goed afronden van het onderzoek mij persoonlijk een behoorlijke dosis zelfvertrouwen.

 

'Road', voor disk-klavier ( collage )

 

 

brief over de  NEDERLANDSE KAPUCIJNEN en geert Wilders                                                              

Dag Ben,

 

Ik heb bij mijn weten nooit echt van doen gehad met ( ex  )kapucijnen, met onze gezamenlijk vriend P.T. als enige uitzondering. Maar dat heeft wel veel goed gemaakt!  Met puntmuts op en blote voeten, waren ze vaak in de stad te zien. In Tilburg had je (en heb je nog steeds) een kapucijnenklooster. In de tijd dat het Pastoraal Concilie werd gehouden ben ik er één keer binnen geweest: in verband een of andere “actie”, waarbij het nodig was onze proteststem te laten horen. Waar het over ging kan ik me niet meer herinneren. Protesteren was dagelijks werk en het kapucijnenklooster beschikten over een stencilmachine...

Ik was niet speciaal in deze orde geïnteresseerd. Je had veel “merken” in Nederland rondlopen en als jezelf niet tot een orde behoorde, bleef je betrekkelijk onverschillig tegenover hun verschillen. Tegenwoordig bezoek ik het klooster alleen voor concerten.

 

Tijdens de vijfde vergadering van het Concilie bleek dat democratisering op alle niveaus in binnen- en buitenland, door de delegatieleden een urgente zaak werd gevonden. Ook in de verhouding met romeinse overheden. Ook werden duidelijke uitspraken verlangd met betrekking tot het leven en werken “overeenkomstig de eigen aard en capaciteiten”. Democratisering in de zin van pluriforme realisering van een gemeenschappelijk orde-ideaal op plaatselijk niveau kon tijdens het Concilie rekenen op brede overeenstemming.  Je schrijft, Ben, dat de kapucijnen zich niet hebben laten inpakken door de restauratieve vanuit Rome gestuurde “contra-reformatie”; dat zou erop wijzen dat de kritische ( democratische ) geest, mede door het Pastoraal Concilie tot uitdrukking gebracht, over de kapucijnen vaardig is gebleven. En inderdaad, vanuit het perspectief van een democratisch orde-ideaal op plaatselijk niveau kun je alleen maar bewondering hebben voor de weerstand tegen het algemeen bestuur in Rome, zoals door Jacobs in zijn boek beschreven.  Inhoud en vormgeving van het franciscaanse ideaal behoorden niet langer “van boven af” gedicteerd te worden, zeker niet in een tijd waarin de kerken leegliepen, de seminaries ontvolkten en de religieuzen in een identiteitscrisis verkeerden. 

Gehoorzamen was in de katholieke kerk geen vanzelfsprekende deugd meer, de poten onder een eeuwenoude organisatiestructuur waren weggeslagen.  Is het niet waarschijnlijk dat de kwestie van de internationalisering van communiteiten daarop strandde, dat het nl. “Rome” meer te doen was om de zorg voor het voortbestaan van de orde (met name in een nieuw “missiegebied”) dan om de belichaming van een nieuwe, “naar buiten” gerichte spiritualiteit?  De traditionele levensvorm van de religieuze groep als zodanig stond ernstig ter discussie. Hoe zouden de hervormende, centrifugale krachten, die tijdens het Pastoraal Concilie de overhand hadden (maar uiteindelijk niet kregen ) de centripetale, behoudende krachten van “Rome” ( die overigens ook al voelbaar waren tijdens het Concilie) hebben moeten weerstaan, anders dan door (o.a.) de import van buitenlandse kapucijnen te weigeren?  Behalve veel multi-cultureel ongemak zou ook veel van de “oude” geloofstraditie zijn geïmporteerd ( met opzettelijke bedoelingen! ), met name de aloude gehoorzaamheid aan het aloude leergezag. Het was ten tijde van het Pastoraal Concilie nog zo dat “Rome”  het laatste woord had inzake alles wat als geloofsinhoud is vastgelegd.  Een dergelijke doctrinaire kerk kon en kan niet anders functioneren dan door haar voortbestaan “als een waarde op zich” te beschouwen. Het pleit denk ik voor de Minderbroeders om - tegen een dogmatische “elite” in -  vast te houden aan het eigen, inmiddels gedemocratiseerde,“volkse” orde-ideaal ook al zou dat tenslotte het einde betekenen van de orde.  

 

Je eindigheid als groep erkennen, zeker, maar met opgeheven hoofd, zonder mitsen en maren. Als religieus je koers laten bepalen door een eerbiedwaardig, maar verouderd instituut met een absoluut patent op oneindigheid, dat zou pas het echte einde hebben betekend. 

 

Ik ben intussen wel nieuwsgierig geworden naar de handel en wandel van de Kapucijnen, niet zozeer naar de “grote” politiek-maatschappelijke geschiedenis vanaf de Contra-reformatie (dat ook), maar meer naar de huidige dagelijkse religieuze praktijk van de Kapucijnen, hoe het franciscaanse ideaal “op plaatselijk niveau” gestalte kreeg, hoe het geïnstitutionaliseerd werd, hoe het in de loop van de geschiedenis telkens opnieuw geïnterpreteerd en veroverd moest worden en nu, naar het schijnt, buiten de kloostermuren en buiten de kerk opnieuw gestalte krijgt in “mensen van goede wil”, waartoe we misschien ook paus Fransiscus mogen rekenen, hoewel hij in zijn hoedanigheid als paus nauwelijks beschouwd kan worden als iemand van buiten de kerk. Hopelijk zijn de franciscaanse waarden, die je noemt, Ben, zo vitaal dat ze de tand des tijds kunnen weerstaan, ook nadat ze van hun “oude huid” zijn ontdaan, ook nadat ze uit hun kloosterlijk “omhulsel” zijn gekropen om vruchtbaar te worden in de samenleving.

“Misschien”, schrijf je en ik juich dat toe, “is de gemene zaak niet meer in goede handen bij de kerk en moeten we het bondgenootschap veel ruimer zien bij alle mensen van goede wil.”  Zeker! 

Één ding uit je brief verbaast me. Je legt een verband tussen de spiritualiteit van de kapucijnen en de solidariteit met de (  laaggeschoolde ) Nederlander, die zich in zijn identiteit bedreigd zou voelen. Betreur je het, dat er geen kapucijnen meer zijn om mensen, die straks massaal Wilders gaan stemmen en zich onbegrepen voelen in hun eigen land, te steunen, of althans voor die mensen meer begrip te tonen?  En dat het verzet tegen internationalisering van hun communiteit een gebaar is of zou kunnen zijn van solidariteit met deze mensen?

Eerlijk gezegd klinkt dat in mijn oren niet waarschijnlijk: de vitale waarden die je op het einde van je brief noemt lijken op het eerste gezicht niet goed te passen bij een man wiens vitale waarden er primair uit bestaan om een grote groep Nederlanders 

om hun godsdienst op zijn minst verdacht te maken.  Mij lijkt het meer in de lijn van franciscaanse waarden liggen om juist bij Wilders-stemmers ( laten we ze maar even voor het gemak op één hoop gooien) voor méér acceptatie ervan te pleiten; niet “politiek-correct” of onverschillig weg kijkend, maar -volgens oude conciliaire aspiraties- op basis van een christelijk geïnspireerde attitude die zich bezig houdt met wezenlijke levensvragen, en dat wil ook in mijn ogen zeggen: op basis van een gelijkwaardig gesprek, “waarbij elk mens telt”, zoals je schrijft, in een gedeeld  “broeder- en zusterschap.” 

Zou dat in navolging van het Pastoraal Concilie niet in de eerste plaats betekenen: op basis van een gelijkwaardige behandeling van culturen en godsdiensten? Zou “minoritas en fraternitas”  ( “broeder van de minsten der mijnen”) dan niet betekenen: in de eerste plaats solidair met de armen van onze tijd, met marginale groepen in de samenleving zoals vluchtelingen, moslims, bezoekers van voedselbanken, en mensen van lhbtqia+, om er maar een paar te noemen, of misschien zelfs ook met de grote groep Nederlanders die gerekend worden tot het moderne “precariaat”? 

 

Democratisering betekende voor de meeste katholieken op het Pastoraal Concilie het openbreken van de ( hiërarchische ) organisatiestructuur van de kerk op alle niveaus . Ook dit ( “urgente” ) streven zou in mijn ogen slecht passen bij voorstanders van Wilders’ politiek: door de rechtstaat te ondergraven, het parlement niet serieus te nemen, en in zijn ééntje oncontroleerbare  partijpolitiek te bedrijven, gebedshuizen te sluiten, etc. lijkt hij meer op een dictator dan welke Nederlandse politicus ook en zoals alle dictators zegt hij “het volk” te vertegenwoordigen, maar wie is het volk en dus vooral, wie niet?  

Kritiek kan door elke dictator worden afgedaan als “elitair” en “volksvijandig”; argumenten die geen verdere motivering nodig hebben omdat het after all gaat om het verkrijgen van de macht. 

Kapucijnen staan/stonden er om bekend “dichtbij het volk” te staan. Maar wat of wie is “het volk” eigenlijk?; “het volk” lijkt mij een glibberige categorie, gevaarlijk of althans ongeschikt om politiek mee te bedrijven,… of religie. Wel kun je zeggen, dat het streven naar democratisering in kerk en samenleving, zoals dat op het Pastoraal Concilie werd verwoord, niet alleen in verhouding met de romeinse overheden, maar met binnenlandse bestuursvormen tout court, een serieus gevoelde behoefte was van religieuzen. Als het zo is, zoals je schrijft, dat de kapucijnen zich in dat streven konden vinden, ook na het Pastoraal Concilie ( 8 mei beweging enz.) en zich niet thuis voelden in het kille restauratieve klimaat van na het Concilie, dan lijkt hun verzet tegen internationalisering van hun communiteit eerder gemotiveerd door eigentijdse democratische opvattingen dan door pastorale bewogenheid met de mensen die “straks massaal Wilders gaan stemmen.” 

Al in 1966, schrijft Jacobs, hebben de kapucijnen het belang ingezien “ van een meespreken van allen in de gemeenschap”. Religieuzen die, zoals de Kapucijnen, de deuren naar “de wereld” hebben open gegooid, zouden zeker op de hoogte zijn geweest van de maatschappelijke en politieke spanningen die het verschijnsel “Wilders” met zich mee bracht. 

 

Maar misschien is de manier waarop ik naar het Kapucijnen-besluit kijk wel teveel gekleurd door een te “correcte” politiek-maatschappelijke interpretatie van het Nederlands Pastoraal Concilie.  Maar gaat een religieus gemotiveerd “broeder- en zusterschap” niet altijd vooráf aan een politieke voorkeur, ook als die de PVV betreft? 

 

Sinds de “copernicaanse omwenteling” ( Jacobs ) die in de 50er jaren van de vorige eeuw inzette, is ook de karakteristieke levensstijl van de kapucijnen steeds meer onder druk komen te staan. Jacobs spreekt in dit verband van een “ijzeren eenheid van gelijkheid, gehoorzaamheid en armoede”,  een institutioneel keurslijf,  waarin het oorspronkelijke franciscaanse “charisma” steeds meer zoek raakte.

Tegen de achtergrond hiervan speelde en speelt voortdurend een oeroude christelijke, “dualistische ideologie” ( Jacobs ) die het levensbeschouwelijk kader ervan vormt. Schrijver Jasper Mikkers muntte hiervoor de begrippen “binnentijd” en “buitentijd”: de spanning  - theologisch gesproken - tussen het religieuze en het seculiere, tussen sacraal en profaan, tussen transcendentie en immanentie, ontwikkelde zich tot een strikte scheiding zonder noemenswaardige raakvlakken...

Ook de “apostolaatswerken” van de kapucijnen raakten in de loop van de tijd steeds verder verstrikt in deze ideologie, die de ideologie was (en nog steeds is) van de institutionele kerk. 

 

Het ter discussie stellen hiervan, zoals met kracht van argumenten gebeurde tijdens het Nederlands Pastoraal Concilie, leidde, zegt Jacobs, uiteindelijk tot een “crisis die nooit is bezworen.” Genoemde ontwikkeling rekent hij tot de “bovenstroom”, i.t.t. de “onderstroom”, die vooral betrekking heeft op de in zijn ogen onveranderde vitaliteit van het franciscaanse charisma. De bovenstroom was “krachtig en effectief” tot begin jaren zestig. Vanaf toen is er sprake van een steeds verder “opdrogen” ervan, totdat in 2008 de kapucijnen zich hebben neergelegd ( volgens Jacobs ten onrechte ) bij een geleidelijk uitsterven van de Nederlandse kapucijnen-provincie. Jacobs vraagt zich af of die ontwikkeling niet ook het gevolg was van de onmacht van opeenvolgende provinciebesturen…

 

Hoe dat ook zij, voor mij luidt de centrale vraag nog steeds: hoe krijgt  hoe zou  de franciscaanse spiritualiteit gestalte in een geseculariseerde tijd als de onze  gestalte moeten krijgen ?  Hoe moet je je “minoritas” en “fraternitas” concreet voorstellen, als er geen kapucijnen meer zijn om die principes te belichamen? Zíjn het eigenlijk wel principes, of zijn het meer deugden, die je je tijdens je leven probeert eigen te maken? Zijn ze eigenlijk wel “institutionaliseerbaar” zonder dat er meteen sprake hoeft te zijn van een “kerk”? Je noemt waarden, Ben, als eenvoud, soberheid en armoede. Akkoord, maar hoe zien die er uit, als er geen traditioneel religieus-institutionele beleving meer is van die waarden in Nederland?  Één van de redenen die in het boek van Jacobs worden aangevoerd voor “internationale personele solidariteit” is de gedachte van een “broederlijke eenheid”, die de nationale grenzen overstijgt evenals die van bloedverwantschap, cultuur, taal en etnische afkomst. 

 

Onwillekeurig denk ik hierbij aan het verschijnsel muziek, dat ook altijd in verband wordt gebracht met verbroedering en eenheid. Muziek zou in staat zijn tot soortgelijke grensoverschrijdingen en zelfs kunnen  bemiddelen bij langdurige conflicten. En inderdaad! Kijk bijv. naar de muzikale projecten van de componist Merlijn van Twaalfhoven in het Midden-oosten of naar de passie-muziek van J.S.Bach. “Erbarme dich” in het Arabisch. Hoe “overstijgend” of “internationaal” wil je het hebben? Of naar het actuele media-initiatief van professor in de popmuziek Leo Blokhuis, met het platform: “Welke muziek heeft de wereld van nu nodig”. Blokhuis gaat er vanuit dat muzikanten iets te melden hebben over de tijd waarin we leven. Hij vindt het zelfs hun plicht te reflecteren op “onze situatie”. Muziek brengt hij - Blokhuis vindt zich zelf niet religieus, maar wel “romantisch” - in verband met bruggen slaan tussen verschillende stijlen van denken, tussen “mensen van goede wil”. Als muzikaal voorbeeld noemt hij joodse muziek die oorspronkelijk werd gebruikt voor de liturgie van Jom Kippoer, de joodse verzoendag. “Verzoenen”, een joods-christelijk concept dat je als vanzelf weer terugvoert naar het franciscaanse “fraternitas”. En wat te denken in dit verband van de muziek van Arvo Pärt?  En dan is er nog altijd ook het “Alle Menschen werden Brüder” en “Ode aan die Freude” van Schiller/Beethoven, hèt lied van de Europese eenheid.

Maar denk ook aan de muziek die een schijn-eenheid tot stand brengt, waarbij quasi-verbroedering wordt afgedwongen, muziek die “entartet”, of in onvoldoende mate de expressie van “het volk” zou zijn. Hoe - mutatis mutandis - de franciscaanse spiritualiteit in de “bovenstroom” te vrijwaren van politiek ( traditioneel-doctrinair ) misbruik? 

 

Tot welk misbruik de kerk-politiek in een heel recent verleden aanleiding heeft gegeven is genoegzaam bekend. Spiritualiteit lijkt bepaald geen ijl, boven de maatschappelijke werkelijkheid zwevend gedachtegoed. De “onderstroom” kan niet stromen zonder “bovenstroom”, tenzij de “onderstroom” esoterische vormen gaat aannemen en zich zo min mogelijk inlaat met welke  ( kerkelijke ) institutionalisering dan ook. In die zin kan ik mij een ”broederlijke eenheid over nationale grenzen heen” voorstellen, maar deze mogelijkheid van “onzichtbaar” overleven komt in het boek van Jacobs in het geheel niet ter sprake.  

Zou “onderduiken”, om in de metafoor van de stroom te blijven, een oplossing kunnen zijn?  De franciscaanse spiritualiteit zou er dan één worden uit vele en het gezelschap moeten delen met “new-agers”, “ietsisten”, “rozenkruisers”, “relishoppers” en andere vormen van onkerkelijke religie…Initiatieven als het franciscaanse milieuklooster, project Stoutenburg, het Zomerklooster van de Franciscaanse beweging en het seculiere “open klooster” van Jan Oegema zijn m.i. aantrekkelijke alternatieven. En doet de vraag of het hier wel “realistische” initiatieven betreft, hier eigenlijk wel terzake?

Jacobs laat in zijn boek Corriveau (Nederlandse kapucijnen-provincie) zeggen: “Als zodanig is het niet een kwestie of jullie zullen overleven, maar of anderen willen dat jullie overleven. Noord-west-Europa is van bijzonder belang voor de orde. Het Kapucijnenleven mag hier niet verdwijnen.” 

 

Dat klinkt niet vernieuwend, dat klinkt gewoon hard. Een spiritualiteit van “armoede” is in mijn ogen moeilijk verenigbaar met het streven om - tegen de “tekenen des tijds” in - een historisch gegroeide levensvorm per se te willen handhaven, om als orde koste wat kost te willen overleven. Elke geest, ook de franciscaanse, waait toch waar hij wil?  Vanaf het Pastoraal Concilie is de geest uit de institutionele fles. Internationalisering zou een oplossing betekend hebben vanuit een achterhaalde, romeins-institutionele ideologie, die primair uit is op bescherming en redding van het eigen religieus gedachtegoed en eventueel ook de institutionele vormgeving ervan. 

Wie zegt zich principieel te willen bewegen “in de marge”, of “in de periferie”, zoals paus Franciscus zegt ( zie Laudatio si ), daar waar de “minderen” zijn, hult zich m.i. niet in een pantser van waarheden en tradities. Typerend is de gedachte dat een getalsmatige aanvulling van de kapucijnen-gelederen uit het buitenland meteen ook daardoor een grotere overlevingskans zou betekenen. Het zou geen oplossing van de “crisis” hebben betekend, maar een symptoombestrijding ervan. Een sterk

overlevingsbelang verhindert bovendien een grondige analyse van maatschappelijk-culturele ontwikkelingen en achterliggende oorzaken. 

 

Ik lees toevallig het interview met essayist Pankaj Mishra. De laatste aan hem gestelde vraag luidt: Ziet u politici die de ban van angst en woede kunnen doorbreken? En hoe dan? Mishra antwoordt:

“ Ik denk dat we de woede die we voelen niet in politieke termen kunnen doorgronden. Politici, maar ook intellectuelen, journalisten, academici, hebben de laatste drie decennia de simplistische ideologie van de vrije markt als grote goedmaker omarmd, en nu we over meer dan welvaart moeten praten missen we de juiste woorden. Ik ben ervan overtuigd dat we een oud vocabulaire moeten terugvinden, en moeten spreken over dingen als de menselijke ziel. Niemand praat nog over spiritualiteit in het openbaar - dat doe je maar thuis, als niemand meeluistert - maar dat is een grote fout. Deze crisis die we nu meemaken toont ons dat de mens zich door veel meer laat leiden dan hyper-rationele argumenten over economische groei. De mens streeft naar waardigheid, de menselijke ziel voedt zich niet met financiële plaatjes. De enige publieke figuren die daar nu over durven te praten zijn de paus en de dalai lama. Pas als politici durven te spreken over vragen als “wat maakt ons tot mens” zullen ze in staat zijn onze woede te temperen.” 

 

Over internationalisering en franciscaanse waarden gesproken!

 

groet, Fons

 

'Dagboek 5'

romantiek

 

In veel eigentijdse muziek bestaat een koudwatervrees voor "emotie", gepaard gaande met een notoire afkeer van "romantiek" en al helemaal van "sentimentaliteit", of wat als zodanig wordt betiteld. Die aversie strekt zich uit over eeuwen muziekgeschiedenis en beneemt ook het zicht op veel eigentijds gecomponeerde muziek. Dit kan leiden niet alleen tot een lage inschatting van de muzikale ervaring van de gewone muziekliefhebber, maar betekent ook een ernstige verenging van het denken over de muzikale ervaring.

Om het bovenstaande te verduidelijken maak ik hieronder gebruik van enkele  kenmerkende citaten uit het boek van Albert van der Schoot en Erik Heyerman: "Welke taal spreekt de muziek?" (2005)

 

"Muziekfilosofen zien muziek als een cognitief verschijnsel; affectieve en lichamelijke reacties leveren geen wezenlijke bijdrage."

 

"Muziek is geen waarnemingsobject dat door het intellect wordt doorgrond maar iets dat zich realiseert in de mine-body, in het samenstel van van geest en lichaam.Niet alleen zijn cognitie, gevoel en somatische gewaarwordingen helemaal verweven in wat met een enigszins in diskrediet geraakt woord, een holistische ervaring kan worden genoemd".

 

"De suggestie is er nog steeds dat muziek als kant en klaar gegeven van buiten komt, dat het er al is en vervolgens in ons binnendringt. Maar het punt is juist dat muziek niet los gezien kan worden van de luisteraar tenzij als een abstractie. Concrete, levende muziek is pas gegeven met degene die de muziek beleeft".

 

"In de muziek staat de intersubjectieve kern ( niet de ervaring van de componist of die van de uitvoerend musicus) centraal, dwz de ervaring van het luisteren; "maatgevend" voor wat de componist op papier zet is de wijze waarop het door de luisteraar zal worden ervaren en ook de uitvoerend musicus stemt zijn uitvoering af op de luisteraar."

 

"Soms wordt door muziekfilosofen weliswaar de gewone luisteraar gerehabiliteerd maar de vraag naar de betekenis van de muzikale ervaring wordt niet altijd ingegaan. Muziek wordt dan nog steeds gezien als  iets externs, als een proces dat zich onafhankelijk van ons afspeelt en dat we van buiten af proberen te doorgronden. Men heeft dan geen oog voor het feit dat muziek vooral ook een innerlijke ervaring is. Het innerlijk gewaar worden, het "inne werden" geldt voor het luisteren veel sterker dan voor het zien; muziek levert geen informatie over de wereld om ons heen; het gaat in de muziek om de "innerlijke realiteit van de klank."

 

"Muziek en de respons erop zijn geen verschillende werkelijkheden; muziek is een ervaring die de tegenstelling tussen ik en de buitenwereld opheft. De muzikale ervaring in haar optimale vorm is een ervaring van Selbstvergessenheit en Weltvergessenheit tegelijk.Daarmee is muziek een bizar verschijnsel dat de ruimte-visuele categorieÎn trotseert waarmee wij de werkelijkheid plegen te begrijpen. De muziektheoreticus kan hier weinig mee. Om muziek hanteerbaar te maken wordt ze omgeduid in de voor ons vertrouwde categorieÎn. Ze wordt geobjectiveerd door middel van visuele metaforen. Van ongrijpbaar proces wordt muziek tot een quasi-ruimtelijke structuur. (splitsing "objectief" en "subjectief") Muzikale gegevens (thema's, motieven, hun opeenvolging en transformaties) dat is nu de eigenlijke objectieve muziek. De rest, de gevoelens, de somatische aspecten worden als subjectieve reacties irrelevant geacht voor wat muziek "echt" is."

 

 

"Dagboek 11'

TIJD VAN LEVEN

Het korte leven van onze voorouders (1)

 

Het korte leven van onze voorouders

Slechts weinigen haalden de dertig.

De ouderdom was het privilege van stenen en bomen.

Een kindertijd duurde even kort als een wolvenjeugd.

Men moest voortmaken, het leven leven

voor de zon zou ondergaan,

voor de eerste sneeuw zou vallen.

Dertienjarigen die kinderen baarden,

vierjarigen die vogelnesten in het riet opspeurden,

twintigjarigen die de jacht aanvoerden –

voor ze er goed en wel waren, waren ze al weg.

De eindjes van de oneindigheid groeiden snel aan elkaar.

Heksen maalden hun toverspreuken

met nog alle tanden van de jeugd.

Onder vaders oog werd een zoon man,

onder grootvaders oogkas werd de kleinzoon geboren.

Ze telden hun jaren overigens niet.

Ze telden hun netten, potten, hutten, bijlen.

De tijd, zo royaal voor elk sterretje aan de hemel,

stak naar hen een bijna lege hand uit

en trok deze snel terug, alsof hij er spijt van kreeg.

Nog een stap, nog twee,

langs de glinsterende rivier

die aanstroomde uit het duister en in het duister vervloog.

Er was geen ogenblik te verliezen, geen vraag

die uitstel duldde, niets wat zich later openbaarde,

als het niet tijdig werd ervaren.

De wijsheid kon niet wachten tot ze grijze haren kreeg.

Ze moest helderzien, voor ze helder kon zien,

en elke stem horen alvorens hij weerklonk.

Goed en kwaad -

Ze wisten er niet veel van, maar alles:

wanneer het kwaad triomfeert, blijft het goede verborgen;

openbaart het goede zich, dan ligt het kwaad op de loer.

Het een noch het ander is te overwinnen

of onherroepelijk op afstand te houden.

Daarom komt bij vreugde altijd een zweem van angst,

ontbreekt het bij vertwijfeling nooit aan stille hoop.

Ook al is het leven lang, het zal altijd kort zijn.

Te kort om er nog iets aan toe te voegen. 

“de tijd, zo royaal voor elk sterretje aan de hemel,

stak naar hen een bijna lege hand uit

en trok deze snel terug, alsof hij er spijt van kreeg,”

 

Die tijd, wat is dat voor vreemde tijd, bijna leeg, schrijft Szymborska.

Zou de tijd dan helemaal leeg zijn geweest zonder ons en onze voorvaderen? En bestaat er wel zoiets als een lege tijd, een tijd die onafhankelijk van ons en ons gedoe op aarde verstrijkt? En hoe kan een tijd, die leeg is, verstrijken? 

Onze voorvaderen beschouwden “tijd” als een manier om de veranderingen in hun dagelijks leven bij te houden en eventueel te tellen: de opeenvolging van de dagen en nachten, de seizoenen, de jaren, de stand van de maan enz. Maar de vraag is: als er niets verandert, bestaat de tijd dan nog steeds? 

Onze voorvaderen dachten van wel, maar als we de huidige stand van het natuurkundig wetenschappelijk onderzoek serieus nemen, dan is die gedachte niet langer houdbaar. Het idee van een continu voortglijdende tijd, in de loop waarvan de dingen gebeuren, het idee van “een grote kosmische klok die het leven van het heelal aftelt”, (2) is onjuist, even onjuist als bijvoorbeeld de geocentrische aanname van de aarde als het middelpunt van het zonnestelsel, waaromheen de zon en de andere planeten cirkelen. 

In fundamentele vergelijkingen van de quantumfysica is het met de tijd zo, dat er  - in de beeldspraak van Carlo Rovelli - voortdurend veranderingen plaatsvinden in de tijd, “zonder dat die geordend worden door Vadertje Tijd, zonder dat de ontelbare gebeurtenissen noodzakelijkerwijs netjes gerangschikt zijn langs de enkele tijdlijn van Newton of volgens de elegante meetkunde van Einstein. De gebeurtenissen zijn niet zoals de Britten: ze gaan niet keurig in de rij staan. Ze vormen een kluitje, zoals Italianen doen. (…) Als je heel gedetailleerd op dit niveau naar de wereld kijkt, dan zie je niet iets wat eenvormig kan stromen, maar iets wat discreet is en niet continu, wat in zekere zin als een kangoeroe van de ene waarde naar de andere springt. De goede God heeft de niet in continue lijnen neergezet: Hij heeft haar slechts gepointilleerd, à la Seurat.” 

In de manier waarop wij gewoonlijk - en dat gold zeker zeker onze voorvaderen - tegen de wereld aankeken, was de wereld iets dat in de tijd verandert. Maar zo’n tijd bestaat niet, evenmin als ruimte; tijd en ruimte “gebeuren” daarentegen in de wereld, ontstaan in de wereld uit het netwerk van relaties tussen quantum-gebeurtenissen. Dat gebeuren is niet geordend volgens één bepaalde tijdlijn. “De wereld lijkt nu eenmaal meer op Napels dan op Manhattan.” 

 

En toch.

 

Een van de grote raadsels in de natuur is het probleem van de tijdrichting. Op macroscopische schaal verlopen gebeurtenissen voortdurend in één tijdrichting. De daarmee gepaard gaande toename van entropie verloopt ook in één tijdrichting. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door de Tweede wet van de Thermodynamica. ” Als die wet niet bestond, als er geen warmte bestond, als er geen microscopisch gekrioel bestond, dan zou de de steen (die was gevallen fm) blijven stuiteren en nooit tot stilstand komen.”

Op (sub)atomair c.q. kwantummechanisch niveau zijn echter alle dynamische processen in de tijd omkeerbaar, en dat gebeurt dan ook voortdurend. Heden, verleden en toekomst op die schaal zien er grosso modo hetzelfde uit en is er geen sprake van één bepaalde tijdrichting. 

Dat verandert als je op wat grotere schaal gaat kijken: je ontdekt dan structuren en bepaalde ontwikkelingsfasen die zijn ontstaan uit onderlinge wisselwerking van variabelen. Heden, verleden en toekomst zijn dan wel te onderscheiden: de ontstane structuur heeft immers een ontstaansgeschiedenis en die wordt naarmate de structuur omvangrijker wordt steeds ingewikkelder. Er is nu wel sprake van een tijdrichting.

De wereld bestaat onophoudelijk uit gebeurtenissen, waarvan sommige “enige tijd tijd monotoon zijn, voordat ze tot stof wederkeren” (…) Het hele universum is als een berg die langzaam instort. Als een structuur die geleidelijk afbrokkelt.”

 

stof      

 

stof alles

alles sterrenstof

heelal van maat en getal 

van schorpioen, stier en vis 

van verval en sint juttemis

van stof 

tot stof

tiert onmatig

de sefirot 

en sof (3)

sterrenstof alles

            

Naarmate je grover naar een systeem kijkt (door dus de onderliggende microstructuur te veronachtzamen) wordt de entropie kleiner en ontdek je steeds meer macrostructuren. De (subjectieve) keuze die je maakt door meetbare eigenschappen te kiezen die je wilt gebruiken om een fysische toestand te beschrijven bepaalt dus in hoge mate de grofmazigheid en dus ook de entropie van het te beschouwen systeem. Carlo Rovelli maakte aannemelijk dat ons begrip van de tijdrichting wordt bepaald door het perspectief waarmee wij deze macrostructuren waarnemen.

 

heden het zandpad

 

de talloze voetsporen 

van hen die ons voorgingen

overal bomen die zingen

een oeroud lied van stilte en

levend verleden

herinneren aan jongstleden

verdwijnen in 't verouderd heden

 

Hoewel de tijd zoals wij die ervaren geen fundamentele categorie is van de wereld, zien we in ons eigen leven overal sporen van het verleden: fossiele resten van de vroegere aarde, sterrenstelsels uit een ver verleden, restanten van een voorbije beschaving, denk ook aan onze eigen conditie als sterfelijke wezens, we zijn fysische entiteiten met alle mogelijke tekenen van verval, maar denk vooral aan onze herinneringen, zegt Rovelli. Zonder onze herinneringen konden we niet anticiperen en waren we een speelbal van een “zwevend” nu, zonder toekomst en verleden. Herinneringen zijn sporen uit het verleden, geen sporen uit de toekomst. 

 

sporen

de helaasheid der dingen

het gekerm van de drie-potige hond

het gegroefde hoofd van de oude man 

de kleur van ziek en eindig

 

het gekerm van de drie-potige hond

ik keek in de spiegel

de kleur van ziek en eindig

tijd voor een knevelveldbeschouwing

 

ik keek in de spiegel

ik zag de plooien in mijn hals

tijd voor een knevelveldbeschouwing

ik moet mijn kamer nog opruimen

 ik zag de plooien in mijn hals

het is de hoogste tijd

ik moet mijn kamer nog opruimen

de helaasheid der dingen

 

Dat wij leven met het idee dat de tijd “verstrijkt” heeft zo te maken met het uitzonderlijke en “grofmazige” gezichtspunt waarop wij naar de wereld kijken. Het onderscheid tussen verleden, heden en toekomst is alleen bij ons zinvol, alleen vanuit óns beperkte perspectief van toepassing. Rovelli:” De tijd is dus de vorm waarmee wij mensen, wier hersenen voor het overgrote deel bestaan uit herinnering en voorspellingen, interacties aangaan met de wereld; de tijd is de bron van onze identiteit.(…) daar is het genesteld, binnen in ons, in de zo cruciale aanwezigheid van de sporen van het verleden in onze neuronen. (…) Dat leven op de grens tussen voorbije en toekomstige gebeurtenissen staat centraal in onze mentale structuur. Dat is voor ons het stromen van de tijd.”

 

mein junges leben hat ein End

 

mein junges Level hat ain End

dein junges Leben hat ein End

unser junges Leben hat ein End

 ein Mann ist in der Flugplattform

er sägt den Ast des Baumes

der Ast fällt zu Boden

ein anderen Mann hebt den Ast auf  

schiebt ihn in den Holzhacker

das Geräusch knistert fürchterlich

füchterlich knistert das Geräusch

dann noch ein Ast und noch ein Ast

und so die Äste aller Bäume auf dem langen Weg

mein junges leben hat ein End

ein End hat mein junges Leben

dein Leben, unser Leben

 

Zo is de tijd geen universele, “altijd” geldende realiteit buiten ons, maar iets dat ons ín de wereld verschijnt en “bestaat” op een manier, die speciaal is afgestemd op ons bestaan als mensen en onze relatie met die wereld. Tijd heeft dus alles te maken met de manier waarop wij naar de wereld kijken. Dit inzicht, dat stoelt op resultaten van natuurkundig onderzoek, is ook aan filosofen niet voorbij gegaan. “Bien étonnés de se trouver ensemble!”, zou je kunnen zeggen. Augustinus had al begrepen dat we ons altijd in het heden bevinden omdat het verleden voorbij is en er dus niet is, en de toekomst nog moet komen en er dus ook niet is. Hoe kunnen we dan zo’n sterk idee hebben van het verleden en de toekomst als we alleen maar leven in het heden?  Het is, zegt Augustinus, ons eigen bewustzijn, dat de tijd laat stromen.  Wij zijn wezens, die de tijd zelf (laten) genereren. 

In het weergaloze met de Libris Literatuurprijs en de Constantijn Huygensprijs bekroonde boek van Anjet Daanje: Het lied van ooievaar en dromedaris ( 2022 ) belichaamt de romanfiguur Heleen de kwantummechanische tijd en Ties de mechanische tijd. “Heleen legt Ties uit dat de tijd niet uniform is is, maar functioneert zoals een rommelige keuken met kastjes en een bestekbak. Je kunt er een bepaald orde in aanbrengen door bijvoorbeeld alle spullen op kleur te sorteren, maar nog steeds zou er in bepaalde zin chaos zijn, omdat ze niet op soort liggen. Maar als we de keuken inlopen door een lange gang, dan staat alle servies en bestek netjes in de kastjes, op kleur geordend.(…) De wanordelijke wereld van Heleen representeert de onkenbare kwantumrealiteit. De wereld die we vanaf de drempel ( van de keuken ) zien is volgens Rovelli het resultaat van een “netwerk van korrelige gebeurtenissen” die probabilistisch op elkaar inwerken, en niet lineair- mechanisch. De wereld bestaat niet uit stabiele dingen waar de tijd vervolgens als een golf doorheen gaat, maar de dingen zijn zelf manieren van de waarnemer om de “variabele flux” van informatie te organiseren. In Het Lied wordt de lezer uitgedaagd om het contact tussen Ties en Heleen te volgen: de correspondentie tussen een overzichtelijke, mechanische wereld van stabiele objecten en een kwantummechanische wereld van chaos, verstrengeling en onbepaaldheid” ( 4 )

Husserl, met zijn “innerlijk bewustzijn van tijd” in strikte tegenstelling met de fysische tijd, en ook Kant zoeken de basis van de tijdstructuur van de wereld in een “apriori” van ons denken. Dat aan deze filosofische opvattingen geen methodisch-natuurwetenschappelijk onderzoek vooraf is gegaan, wil niet zeggen dat ze irrelevant zijn voor het begrijpen van de tijd.

Allerzielen

 

Twee bladkorven staan bij de ingang van het kerkhof

beide zijn tot de rand toe gevuld, het is herfst

ook het kerkhof kent nauwelijks nog lege plekken 

om verse doden uit te checken

op gezette tijden ruimt men oude graven

voor ’t op peil houden van de aanvoerhaven

 maar dit keer was in de haast een graf geruimd

de grafmaker had zijn plicht verzuimd:

overal lagen  o, horror, nog restanten

van mijn bijdehante tante

 tot overmaat van ramp 

liep er een levende kip

ze tripte op een stukje mensenrib

smaakte wormen en maden

op een diepte van twee spaden

van alle lekkers pikte ze een graantje mee

evenals tante die tijdens haar leven hetzelfde dee

 

 

Augustinus voert de muziek als voorbeeld aan om zijn redenering kracht bij te zetten: hij vraagt zich af hoe we muziek kunnen horen als we ons alleen in het moment bevinden. Dat is alleen mogelijk als we aannemen dat ons bewust luisteren zowel herinnering als anticipatie impliceert. De muziek horen we als één geheel en dat is wat voor ons tijd is. 

Ook Husserl gebruikt het luisteren naar muziek om aan te tonen wat tijd voor ons betekent: op het moment dat we noot horen, wordt de voorafgaande noot vastgehouden in het bewustzijn (retentie), en vervolgens wordt de retentie ervan vastgehouden en zo verder, waardoor het heden hoe langer hoe onscherpere sporen van het verleden bevat. Ook al gaat Husserl ervan uit dat het hier geen fysisch fenomeen betreft, we mogen er vanuit gaan dat zijn observaties  inzake het bewustzijn hout snijden. 

 

Filosoof Donna Haraway ziet het verleden en de toekomst als een 'dik nu'

 

Zowel Husserl’s fenomenologie van het tijdsbewustzijn als de naturalistische filosofie naderen elkaar in de opvatting dat tijd niet gelegen is in een objectieve opeenvolging van fenomenen (de horizontale lijn), maar in het geheugen en tegelijkertijd in de anticipatie.( de verticale lijn) Bijzonder, omdat tot ver in de twintigste eeuw de wereld van de fysica en die van de meta-fysica, toch van oudsher de corebusiness van de filosofie, elkaar (principieel) niet wilden raken.

Wat nu als die “retentie”, het vasthouden in de herinnering van de (altijd) momentane tijdservaring, steeds minder wordt, als de herinneringstijd steeds korter wordt?

 

Dat het hier niet gaat om enkel een speculatieve vraag, moge blijken uit het volgende:(5)

Een uur kan, heel kort of juist heel lang duren; dat hangt af van de omstandigheden waarin we verkeren en hoe we ons in zulke omstandigheden gedragen. Empirisch onderzoek heeft uitgewezen, dat de beleefde tijd en herinnerde tijd als het ware omgekeerd evenredig aan elkaar zijn: een snel vervliegende, opwindende, aangename of stimulerende tijd zorgt voor een relatief lange herinneringstijd, terwijl een saaie dag die langzaam verstrijkt een relatief korte herinneringstijd oplevert. 

Tot nu toe is er nog niets bijzonders aan de hand, maar er zijn sterke aanwijzingen dat het gangbare kort-lang of lang-kortpatroon van de tijdsbeleving en de tijdsherinnering in onze tijd van de digitale media sterk aan het veranderen is. De tijd loopt tegenwoordig in onze beleving snel, maar krimpt in onze herinnering. Denk bijvoorbeeld aan de tijdservaring van het kijken naar televisie: hoe vaak hebben we niet het gevoel dat als we de TV uitzetten er weinig of niets van blijft hangen? Terwijl wat we hebben gezien toch heel spannend, aantrekkelijk of juist verontrustend was.Dit soort ervaringen laat weinig herinneringssporen achter in onze hersenen in tegenstelling tot lichamelijke totaalervaringen, waarbij al onze zintuigen worden aangesproken. Ook hebben ze in de regel weinig te maken wie of wat we zijn, met onze gevoelens of met de rest van ons leven. Dergelijke ervaringen noemt Hartmut Rosa “gedecontextualiseerd”.We hebben volgens hem steeds meer te maken met handelingen en contexten die volledig los staan van elkaar. Het betreft opzichzelfstaande activiteiten die op geen enkele betekenisvolle manier verband met elkaar houden. Daarom kunnen we ze ook vaak nauwelijks meer herinneren.

die morgen

die morgen stonden wij op

dronken koffie met peperkoek

en lazen de krant

de gewone dingen

politiek economie oorlog

niks aan de hand

email checken

naar de sportschool

boodschappen doen

’s middags maakten we ons op

en gingen op weg,

schijnbaar kalm en bedaard

naar het huis

waar ze lag opgebaard

daarna nog iets afhandelen

vóór het wandelen

en vanavond met vrienden

naar de film

 

Walter Benjamin maakte 100 jaar geleden al een onderscheid tussen belevenissen, die geen of weinig sporen nalaten in onze herinnering, en ervaringen, die met onze identiteit en geschiedenis te maken hebben. In onze tijd worden we steeds rijker aan belevenissen, maar steeds armer aan geleefde ervaringen. Het gevolg van van deze ontwikkeling is een tijdservaring waarin de tijd “aan beide uiteinden” zoals Rosa schrijft, als een razende lijkt te verlopen. Volgens hem leven we dan ook in een “versnellingsmaatschappij” (6) die uiteindelijk alleen maar kan leiden tot vervreemding van ons zelf.“Dat zou inderdaad weleens de wortel kunnen zijn van het hedendaagse gevoel dat de tijd maar voortraast.(7) En net als in het geval van onze handelingen en spullen, is het probleem ook hier te wijten aan een tekortschietende “toe-eigening van de tijd”: we slagen er niet in de beleefde tijd tot de “onze” te maken.” 

“Gedecontextualiseerde” ervaringen, karakteristiek voor de huidige “versnellingssamenleving” ( de maatschappelijke en persoonlijke behoefte om steeds meer te doen in minder tijd ) hebben in de regel weinig te maken met wie of wat we zijn, met onze gevoelens of met de rest van ons leven en moeten volgens Rosa wel leiden tot vervreemding van onszelf; we nemen of hebben immers geen tijd om ze ons eigen te maken. In onze beleving “raast de tijd maar door”, van de ene “episode” (8) naar de andere, maar volgens Rosa krimpt die in onze herinnering. (9)

Het bewust tegengaan of afremmen van die krimp zou de kans op vervreemding kunnen verkleinen. En dat zou kunnen bijvoorbeeld door de context van de tijdservaring a.h.w. uit te breiden naar het verleden; door in onze tijdervaring, het verleden duidelijk mee te laten klinken of, nog sterker, door minstens in onze verbeelding, heden en verleden zich in dezelfde tijdservaring te laten afspelen.  Gebeurtenissen uit het verleden worden in de herinnering teruggeroepen en meegenomen in ons actuele levensverhaal; hetzij op kunstmatige of kunstzinnige manier, in onze verbeelding, hetzij als flash backs in ons werkelijke leven. In het laatste geval wordt gelijktijdigheid meer door ons onderbewustzijn voortgebracht, maar In beide gevallen fungeert het verleden niet als een definitief voorbije, van ons onafhankelijke episode ( of reeks van episodes ), maar mede-bepalende en volwaardige vormgever van onze tijdservaring.

 

tijd van leven

 

uit de onlosmakelijkheden

van het verleden

verscheen

alles meegerekend

automatisch en vanzelfsprekend

een kind, puntgaaf en braaf

 

we zaten op school

in de pauze kochten we witbrood

en zaten aan de waterkant

locatie: een randstedelijke gracht

op een dag, in stralende lentepracht

deelden we het brood  

in een onbewaakt en bedwelmend ogenblik

wist ons dieper ik

de kosmische toegangscode:

alle leven is sein zum Tode

 

daarna riepen we “opstand, opstand!”

en verlangden een tweede vaderland

helaas,

in filosofie en wetenschap gedrenkte gloria’s

boden onvoldoende soelaas

 

opruiend geredekavel

regeerde rekkelijken en preciezen

rode vlekken ontsierden

de hagelwitte bruidsjurk

van de kakelverse waarheid

toen wij nog niet wisten 

dat iemand, van zo dichtbij

het vuur schikte

van ootmoed en ontferming

 

weer zaten we aan de waterkant 

met onze jeugd als onderpand

we stroomden vol avondlucht

onze gedachten namen een hoge vlucht

bij het aanbreken van de schemering

overviel ons een lichte huivering:

ons nuchtere brein 

was dronken van het zijn

 klinkende poëtica’s tenslotte

werden onze mascotte:

uit onlosmakelijkheden

van het verleden

verscheen een wonderlijk heden

 voortaan zong flonkerend water 

tot ver voorbij later

op zachte toon

van het goede leven 

de verleidelijke antifoon

 

(1) uit: Wislawa Szymborska, Einde en begin: verzamelde gedichten; uit het Pools vertaald door Gerard Rasch, Meulenhoff 2011. De overige  gedichten zijn van ondergetekende.

(2) Zie Carlo Rovelli, Het mysterie van de tijd, Amsterdam 2018. De gebruikte citaten van Rovelli ontleen ik aan dit boek.                                                                                                                                                      3) De sefirot worden in de kabbala gezien als de 10 attributen / emanaties waarmee God de wereld heeft geschapen en waardoor hij zich manifesteert.   En sof verwijst in de Kabala naar het oneindige en onkenbare aspect van G

4) Aldo Houterman, Het horloge dat niet liep. Michiel Serres over de wetenschappelijke roman en Anjet Daanje, Lied van ooievaar en dromedaris, in Wijsgerig Perspectief, jrg 65/nummer 4/ 2025, p.38 - 39

(5) Ik volg hierbij het boek van Hartmut Rosa, Leven in tijden van versnelling, Boom 2016.  

(6) Dat het ook in letterlijke zin om versnellen gaat getuige een willekeurige reclame die ik onlangs tegenkwam: “5G internet is de vijfde generatie van het mobiele netwerk.5G internet is het snelste internet dat we kennen.Het is namelijk zo ontwikkeld dat het snelheden van maar liefst 20 Gbps (gigabytes per seconde) aan kan. Om gebruik te kunnen maken van het 5G netwerk, heeft u een 5G ready smartphone nodig. Bovendien moet 5G dekking beschikbaar zijn bij uw provider. Houd hier dus rekening mee bij het kiezen van een abonnement bij uw 5G ready smartphone.”                                                                                                     

(7)  “Het lijkt het erop dat onze biologische klok verwoest wordt doordat we steeds meer een andere klok zijn gaan volgen.Deze nieuwe klok klikt volgens de getijden van marktprijzen, inflatie en uitbuiting. Hij uit zich in ongelijkheid, consumptiedrang en fluctuerende burn-outs. Deze klok zorgt ervoor dat we werken, shoppen, sparen en vooral  niet stilstaan. Hij bepaalt wanneer we honger of lust mogen hebben, zorgt ervoor dat we bankrekeningen aanmaken, reguleert onze daginvulling en houdt onze dromen in check. De klok geeft het ritme aan van het leven zonder het leven als uitgangspunt. De klok beweegt niet in een cirkel, maar als een happende mond. Hij brengt ons allen in onbalans. Ze gromt: meer, meer, meer. “  Sara Eelen in de Groene Amsterdammer van 13 oktober 2022

(8) episode, opgevat als een zelfstandige gebeurtenis binnen een groter geheel, dat in “tijdsbrokken” uiteenvalt, naarmate de episodes elkaar sneller opvolgen.

(9) Zie bijvoorbeeld ook Marjan Donner, Wij leven bij de gratie van de dag en vergeten achterom te kijken, in De Groene Amsterdammer, 3 nov. 2022                                                                                                                        

 

 

'Dagboek 13', voor disk-klavier

Verder kijken dan wat je ziet

Bijschrift bij de podcast “Waai door mijn stoffige ziel” van Mommers4 over dichter en filosoof Andreas Dèr Mouw

 

 

Van de dichter-filosoof Dèr Mouw is het vooral de dichter die de tand des tijds heeft kunnen doorstaan. De filosoof Dèr Mouw is al lang bijgezet in de archieven van de filosofiegeschiedenis, hoewel zijn reputatie als criticus van de neo-hegeliaanse filosoof  Bolland destijds wel enige beroering heeft gewekt.

Toch is het juist de combinatie van dichter-filosoof of filosoof-dichter in één persoon, die ons 100 jaar later nog blijft fascineren. 

Menno ter Braak heeft in zijn magistrale essay “Dat ben jij” (1) als eerste gewezen op het belang hiervan: het is onmogelijk de eigen aard en superieure kwaliteit van zijn gedichten op zijn merites te beoordelen zonder Dèr Mouw als filosoof erbij te betrekken. “Zonder het zelfstandig dichterschap aan te randen, zonder de mystische tweeheidsoverwinning een ogenblik te vergeten, moet men bekennen: Dèr Mouw was reeds Adwaita en Adwaita bleef Dèr Mouw. Deze zeldzame eenheid van denker en dichter laat geen absolute scheiding der gebieden toe. In de wijsgerig-wetenschappelijke periode kondigt zich de schepper van Brahman aan, die ook als denker nooit naar abstractie streefde, maar steeds plastische illustratie zocht; in de zelfvergoddelijking der mystiek keren de geliefde symbolen van wetenschap en denken herhaaldelijk terug, in dienst van de dichter, die zonder hem echter niet zou kunnen dichten. Het hoogst persoonlijk proza der voor-poëtische geschriften bereidt de “familjare” kracht der sonnetten voor.” 

Voor Ter Braak is de verhouding van dichter en filosoof een kwestie van ”aanleg der toevallige persoonlijkheid” (1): een combinatie van eigenschappen die in dit individu zijn toevallige maar geniale vorm heeft gevonden.

Hij heeft buitengewoon waardering voor het feit dat Dèr Mouw zijn overtuiging, de “hoogste ernst der levensbeschouwing”(1), niet tracht te verbergen achter “hooghartige”(1) intellectuele constructies. Hij onderkent bij Dèr Mouw de authentieke behoefte aan een levensbeschouwelijke overtuiging, maar bekritiseert evenals Dèr Mouw de neiging om voor deze behoefte een onpersoonlijk intellectueel-speculatief scherm op te trekken, waardoor de subjectieve oorsprong ervan aan het oog onttrokken wordt. 

Beide auteurs laken de quasi-objectiviteit van een denken dat zich verschuilen wil achter filosofisch-wetenschappelijk vakjargon. Hun kritiek geldt niet het “metafysisch pogen” (1) als zodanig, integendeel, dat is een “noodzakelijkheid en een onafwijsbare behoefte”(1), maar een denken dat zich opblaast tot de schijnzekerheid van een geordend systeem, van een “stelsel” zoals Dèr Mouw dat noemt. 

In de bewondering van Ter Braak, die zijn essay publiceerde in zijn debuut Afscheid van Domineesland, is het strijdpunt van de latere Ter Braak al te herkennen, zij het nog tamelijk omfloerst en ingehouden. 

In het tijdschrift Forum barst de “vorm of vent” discussie pas goed los: de “vorm” die zich altijd toevallig en relatief verhoudt tot de “vent”, die met inzet van zijn hele persoonlijkheid aan literatuur doet en/of filosofeert.

Het is opmerkelijk dat Ter Braak, ondanks zijn scherpe analyse van de verhouding dichter/filosoof en zijn positieve waardering ervan, de brahman-conceptie van Dèr Mouw, een “voorwendsel” noemt, evenals de christelijk geïnspireerde “vorm” van de door Dèr Mouw geciteerde mysticus Angelus Silesius. Waarom bedient Ter Braak zich van een dergelijke sterk beladen term?

Ter Braak lijkt een onderscheid te maken tussen de individuele mystieke ervaring en de min of meer toevallige, dwz aan plaats en tijd gebonden, culturele, vorm waarin deze ervaring gestalte krijgt: gezien vanuit het standpunt van de “vent” zijn  de hindoeïstische en christelijke cultuur daarom voor Ter Braak in zekere zin inwisselbaar. Voor hem is élke religie apriori verdacht, zeker de geïnstitutionaliseerde vormen ervan; de christelijke cultuur en symboliek “met haar uitgesproken dualisme, met haar geschiedenis van herhaalde rationalisering” (1) zijn voor Ter Braak evenals voor Dèr Mouw een gepasseerd station, ook al zal Ter Braak later in Van Oude en Nieuwe Christenen uitvoerig stilstaan bij die “rationalisering”. In dit boek spreekt hij zijn bewondering uit voor de disciplinaire kracht van het Christendom en de enorme betekenis daarvan voor de westerse cultuur.

Waarom dan toch de bramhan-conceptie een voorwendsel noemen?  Maakt Ter Braak  zich er in zijn overigens lovende bespreking van Dèr Mouw niet te gemakkelijk van af?

Ik meen dat Ter Braak  Dèr Mouw in dit opzicht te kort doet. 

Dèr Mouw’s brahman is niet slechts, zoals Ter Braak wil, een voorwendsel, een alibi of een toevallige aanleiding.  Dèr Mouw draagt brahman zijn hele leven met zich mee; al in zijn studententijd volgde hij colleges sanskriet en verdiepte hij zich in een van de belangrijkste  oud-indische wijsheidsgeschriften, de Upanisjaden. Deze intense belangstelling begeleidde zijn gehele intellectuele carrière, ook al stonden zijn filosofisch-kritische principes het (nog) niet toe de “sprong” te wagen naar brahman; die belangstelling kwam voort uit een blijvende religieuze fascinatie, die naar eigen zeggen al in zijn jeugd is begonnen, en die ongetwijfeld meer is dan een voorwendsel: het is de spil waar zijn leven om draait, de meest authentieke bron waaruit hij als dichter én als filosoof putte en die behoort tot de “volgens mij onbetwijfelbare emotionele ondergrond van ons filosoferen(…) filosofen hebben de neiging om in stemming en gevoel nog maar een voorlopig, zielig begin te zien, maar ik vat die intuïties niet op als inlichtingen, hoe de wereld in elkaar zit, maar als vertalingen uit het mystisch gevoel in begrippen, zo dat we niet, vérder denkend, moeten trachten de invallen te gebruiken of misbruiken om er een wereldbeschouwing van te maken, maar terugdenkend of liever terugvoelend moeten trachten de stemming te bereiken, waaruit ze opkwamen.”(2)

Ook voor Ter Braak is de betrekkelijkheid van de verschillende uitingsvormen ten opzichte van de oorspronkelijke “stemming” een belangrijk oordeelscriterium; met name heeft hij grote moeite  met de “vakfilosofen”, wier corebusiness geen echte grensovergangen toelaat. Voor hem wordt het pas interessant als de filosofie, naar zijn eigen woorden “lekt” naar de kant van de literatuur (kunst) en omgekeerd, want “eenmaal door de aanwezigheid van het raadsel bezeten”(1), maakt de toevallige vorm waarin het raadsel gestalte krijgt, geen principieel verschil.

Toch wijkt de zienswijze van Dèr Mouw op een belangrijk punt af van die van die van Ter Braak: terwijl Ter Braak de relativiteit van de verschillende uitingsvormen uitsluitend verbindt met de toevallige voorkeuren van het individu, begrijpt Dèr Mouw deze als afkomstig van een “gevoelsnevel” (…) iets dat zijn waarde en betekenis in zich zelf heeft” (2), een mystieke ervaring die hij later in zijn poëtisch werk in alle toonaarden brahman zal noemen. 

I.t.t. de “nihilist” Ter Braak, die zich nooit zou bekennen tot de hindoeïstische religie, of beter nog, tot welke religie dan ook, biedt Dèr Mouw, eveneens bezeten door de aanwezigheid van het raadsel, wèl een oplossing: voor hem is brahman uiteindelijk het alternatief voor de crisis, waarin de westerse cultuur zich sinds de dood van god bevindt. Dèr Mouw neemt daarmee positief stelling in een overwegend christelijke cultuur, terwijl Ter Braak de “politicus zonder partij” blijft.  “Brahman” wil zeggen: “God is in alles en alles is in god. Het samenvallen met de wereld, de ongescheidenheid, de vrede die uiteindelijk ons deel zouden zijn als we maar ons “ik” zouden loslaten en opgaan zouden in God of het wereld-Zelf of Brahman, die ook opgaat in ons en ons is”, zo omschrijft Marjoleine de Vos het brahmanisme.(10)

Dèr Mouw is niet de eerste filosoof die de Upanisjaden in het westen introduceert. Schopenhauer heeft er in zijn Die Welt als Wille und Voorstellung al ruimschoots aandacht aan besteed. In Dèr Mouw’s ontwikkeling heeft niet alleen de filosofie van Schopenhauer een grote rol gespeeld  maar ook diens artistieke proza.  Inhoud en vorm zijn bij Schopenhauer moeilijk van elkaar te scheiden; dat geldt ook voor de oud-indische wijsheidsteksten. Juist dit gegeven maakte de teksten voor Dèr Mouw zo aantrekkelijk.

Uiteraard werd de belangstelling van Dèr Mouw voor de Upanisjaden gunstig beïnvloed door het geestelijk klimaat van het fin de siècle: kunstenaars van diverse pluimage lieten zich inspireren door het “verre Oosten”. “Toch”, schrijft Evelyne Schanier,“ is er niemand bekend in de Nederlandse letteren die zich zo heeft vereenzelvigd met het hindoeïsme als hij.”(3) 

“Dat ben jij”, tat tvan asi, heet het eerste motto in Brahman 1 van Dèr Mouw. In de Upanisjaden staat de regel: sa atman sa tyam tat tvan asi, dat is het Atman: dat is de waarheid, dat ben jij. Omdat zowel Menno ter Braak als Evelyne Schamier in de titel van hun analyse aan deze regel refereren, laat ik hier het korte verhaal volgen waarin de regel voorkomt:

“Een jongeman, Shvetaketu, wordt door zijn vader onderricht over het werkelijke in de dingen. Hoewel hem al het een en ander helder is, vraagt de zoon almaar door, als een kind dat steeds een nieuwe waarom-vraag opwerpt, waarom weet een mens niet wie hij is? Waarom vergeet hij zich zelf? Hoe kan de veelheid der dingen voortkomen uit iets wat één en ondeelbaar is?

Als Shvetaketu zijn vader vraagt naar de oorsprong van alles en waarom deze uit zicht blijft, draagt die hem op een vrucht te halen van de vijgenboom en deze open te breken. De zoon doet als gezegd en de vader vraagt hem wat hij ziet. “Pitten”, zegt de zoon. Vervolgens vraagt de vader zijn zoon een van de pitten open te breken en te vertellen wat hij ziet. De zoon doet opnieuw zoals gezegd, maar kan nu niets waarnemen. Dat wat zich aan het oog onttrekt, onderwijst zijn vader hem dan, is waaruit deze hele boom tevoorschijn kwam. “je ziet het niet, maar het is er wel degelijk. Dat, die subtiele essentie, is het Zelf van deze wereld. Dat is het werkelijke. Dat is het Zelf in jou, Shvetaketu. Dat ben jij.”(4)

 

Bij Schopenhauer mondt het “Dat ben jij” uit in “compassie” van mens tot mens; bij Dèr Mouw is het de vereenzelviging met de natuur, zoals die vooral in zijn poëzie tot uiting komt. 

Lezing van de Upanisjaden betekent tegelijkertijd navolging van de wijsheid die erin is vervat en dat wil vooral zeggen: inzien dat de hoogste staat van leven wordt bereikt  door diegenen, die zijn “ik-heid” verliest en opgaat in Dat. Al het andere is, hoewel waarneembaar, “maya” ( sluier/illusie)… Dat, waarover het in de Upanisjaden gaat, is los van iedere mogelijkheid tot vergelijken, los van ieder verschil. Het is het Verschilloze (Adwaita) (4) 

Doel is deelachtig te worden aan de eeuwige en éne essentie die boven alles staat en tegelijk alles is. ”Het gaat er om een onderscheidingsvermogen te ontwikkelen dat gebaseerd is op een innerlijk zicht dat als werkelijker wordt gevoeld dan verstandelijk begrijpen. Je zou dit zicht misschien “intuïtief” kunnen noemen bij gebrek aan een passender woord.”(5) 

Door te appelleren aan de wijsheid van de Upanisjaden, door in dichtregels brahman te bezweren, door het principe Adwaita, het tweeheidloze, te belijden en zelfs als pseudoniem te kiezen, door het misbruik van mystiek als filosoof aan de kaak te stellen, beoefent Dèr Mouw een vorm van impliciete cultuurkritiek: hij stelt zich niet frontaal op tegenover de westerse cultuur, maar ondergraaft enkele belangrijke paradigma’s van die tijd van binnenuit. 

Het belangrijkste paradigma geldt het denken zelf.

Dèr Mouws intuïtie die aan zijn kritiek ten grondslag ligt onttrekt zich aan de dualiteit van kennen en gekend worden, subject en object, onderzoeker en onderzoeksobject en ondergraaft daarmee het type rationaliteit dat zo kenmerkend is voor de westerse wetenschap en het systematisch-logische filosoferen. Je zou het nu, anno 2020,  een vorm van maatschappijkritiek kunnen noemen waarbij een “platte” en verschraalde rationaliteit ter discussie wordt gesteld, alleen: het door en door Europese en “theoretische” karakter van dit type kritiek komt nauwelijks overeen met het existentiële, in twijfel en zelfkritiek gedoopte “model”, waarmee Dèr Mouw naar zichzelf kijkt en naar andere filosofen. ”De oorspronkelijke wijsheidstraditie wordt gekenmerkt door een wijze van denken waarin spreken, handelen en leven een hechte eenheid vormen. Filosofie is een inperkende verbijzondering van deze wijsheid omdat de filosofie zich uitsluitend richt op het theoretische, contemplatieve denken(…) Want denken is meer dan strikt logisch redeneren. Denken is zelfs meer dan naast de logos in het spel brengen van het karakter, zin en waarden, en gemoed, affecten en emoties.”(7)

Graven naar de veronderstellingen van elk levensbeschouwelijk, religieus, filosofisch en artistiek paradigma, opgevat als de stelselmatige samenhang van gezichtspunten en theorieën, die de “vertalingen” zijn van de oorspronkelijke intuïtie, zou je het vertrekpunt van Dèr Mouws  kritische filosofie kunnen noemen en dat geldt in de eerste plaats voor Dèr Mouw zelf. Dit lijkt een eerste en belangrijke cultuurkritische winst.

Een tweede winst geldt zijn kritiek op het christendom. Ook in het christelijk paradigma is de spanning tussen oorspronkelijke bewogenheid en gecanoniseerde kerkelijke leerstelligheid verdwenen en verstard in een ideologische dualiteit: de god buiten ons oordeelt óver ons, het aardse leven is gescheiden van het hemelse, de schepper staat hoog boven zijn schepsels.

Dèr Mouw begrijpt “dat hij zijn overgeërfde christelijke rudimenten en aangeleerde platoonse inzichten, die cirkelden rond de kloof tussen het verwerpelijke diesseits en het verkieslijke jenseits, achter zich moest laten, wilde hij zich stabiliteit verwerven.” (6) 

Alleen via een mystieke ervaring is het mogelijk de ideologische verstarring te doorbreken om zo tot vernieuwing of “herbronning” te komen.

Maar juist deze directe persoonlijke verhouding tot god verdraagt zich slecht met het heersend christelijk discours. Het is karakteristiek voor Dèr Mouw om desalniettemin vijf distichons, tweeregelige verzen, van een uitgesproken christelijk mysticus als Angelus Silesius ( uit diens Cherubinischer Wandersmann)  als motto te gebruiken voor zijn bundel Brahman. De mystieke eenwording met het onveranderlijke principe van al het bestaande is volgens Dèr Mouw kennelijk ook mogelijk op christelijke grondslag.

Toch is zijn oordeel van de christelijke cultuur in het algemeen zeer afwijzend: de mystieke bronnen zijn nagenoeg opgedroogd, in verhulde vorm aanwezig, of in het belang van het verstandelijk redeneren, de systematische samenhang en het logisch denken “misbruikt”; het filosofisch en theologisch denken is losgekoppeld van de oorspronkelijke, mystieke eenheidservaring en de  wijsheidstradities waarin deze was ingebed. 

De mystieke eenheidservaring van brahman komt voort uit de Indische wijsheidstradities, zoals de Upanisjaden. Deze teksten getuigen van een eenheid van denken, leven en taal. 

Dèr Mouw, behalve taalfilosoof ook zelf begiftigd met een uitzonderlijke taalvirtuositeit, voelde zich steeds meer aangesproken door die taal en niet langer  door intellectuele logische constructies die meer verborgen dan ze onthulden. Hij liet zich aanspreken door de dialogen, de wonderlijke figuren, de personificaties, de metaforen, de beelden, de scenes uit het alledaagse leven, door een taal kortom met veel verschillende registers; misschien zou je zelfs kunnen spreken van verschillende taalspelen, die het raadsel van het bestaan telkens op een andere manier belichten zonder de raadselachtigheid ervan op te heffen. 

De veelkleurigheid  van Dèr Mouw’s proza, de persoonlijke en artistieke tinten die zijn filosofisch werk kenmerken, de “familjare” (1 )even goed als de “verheven” kant van zijn poëzie, het visionaire en het banale, het poëtische en het wetenschappelijke, het goede en het kwade, het mooie en het lelijke, het dichterlijke en het ondichterlijke, het filosofische en het onfilosofische, het verstandelijke en het emotionele, het kolossale en het nietige, zijn in de brahmaanse conceptie van Dèr Mouw geen tegenstellingen meer, maar de verschillende uitdrukkingsvormen van één kosmische samenhang, emanaties van het éne goddelijke brahman. 

Het “vrije” schakelen tussen de verschillende taalspelen, het op één lijn zetten van tegenstellingen die immers gelijkwaardig geworden zijn, het bedienen van verschillende instrumenten in één “taalorkest”, de mogelijke “cross-overs” die een dergelijk “out of the box” denken mogelijk maken, dit alles draagt bij aan een cultuurkritiek, die m.i. ook heden ten dage nog volop potentie bezit, óók zónder brahmaans geïnspireerd eenheidsbesef. Dit zou je de derde cultuurkritische winst kunnen noemen.

Willem Wilmink (8) bespreekt enkele voorbeelden van dit voortdurend schakelen in de poëzie van Dér Mouw. Één van de technische middelen die hij gebruikt is de “gelijkschakeling”, al of niet door conjunctie van verschillende tegengestelde werkelijkheden. 

In bijv. het gedicht “Herinnering” 

 

Hij at zijn bot’ram, kuste goedenacht,

en ging naar bed, vol gele wolkenpracht 

in “‘k Ben Brahman…” staat de combinatie 

“Zon, Bach en haar vereelte handen”  

 

of in het rijm “Hem, die zich ontvouwt - mijn bordje havermout” 

 

worden grenzen overschreden, ook grammaticale. De uitwerking, schrijft Wilmink, is alleen dan humoristisch te noemen, als we onder humor iets essentiëlers verstaan dan grappenmakerij.

 

Wat is de betekenis van Dèr Mouw’s cultuurkritiek tegen de achtergrond van het hindoeïsme in Nederland. ( Ik volg hier Evelyne Schamier (3)) Het hindoeïsme bestaat uit een groot aantal uiteenlopende stromingen en opvattingen die vaak niet in overeenstemming met elkaar te brengen zijn. Er kunnen 3 categorieën onderscheiden worden. In de eerste plaats zijn er de hindoes afkomstig uit India en Suriname die zich hier hebben gevestigd. De tweede categorie bestaat uit nieuwe religieuze bewegingen geleid door Indiase hindoes met hoofdzakelijk westerse volgelingen, die in meer of mindere mate de hindoeïstische leer en praxis volgen. De derde categorie omvat westerse esoterische genootschappen die hindoeïstische elementen overnemen, bijv. het principe van karma. Hiertoe behoren de theosofie en de antroposofie, bewegingen die aan het eind van de 19de eeuw zijn ontstaan. 

Volgens Schamier is Dèr Mouw in geen van deze categorieën te plaatsen. Zijn hindoeïsme “is te interpreteren als de keuze van een vrije geest - en voor iemand, “die aan mystiek doet”, is het helemaal passend om geen tussenpersoon te zoeken in de beleving van het hindoeïsme.” En inderdaad, ook naar eigen zeggen is hij zelf bepaald geen goeroe of in de woorden van Ter Braak : Dèr Mouw “kent geen modehartstocht voor het zonderlinge brahmanengedoe” (1)

Daar staat wel tegenover dat een “vrije” geest als Dèr Mouw zich op grond van zijn religieuze instelling ook heeft láten beïnvloeden niet alleen door zijn vroege interesse in het sanskriet en de Upanisjaden, maar hoogstwaarschijnlijk ook door de toenmalige tijdgeest die de ene na de andere, meer of minder esoterische beweging voortbracht. Dèr Mouw moet hier vanwege zijn bijzondere gevoeligheid, zeer ontvankelijk voor zijn geweest. M.i. past Dèr Mouw daarom zeker ook in de door Schamier genoemde derde categorie. Vermoedelijk is over het verband tussen de tijdgeest van het fin de siècle en het “hindoeïsme” van Dèr Mouw nog  niet het laatste woord gezegd. Dat geldt m.i.ook voor de persoonlijke mystieke ervaringen uit het leven van Dèr Mouw vóórdat deze in poëzie hun beslag kregen.

Schamier verbindt het hindoeïsme van Dèr Mouw met het posthumanisme, officieel een filosofisch discours, het woord zegt het al, waarin met de ideeën van het humanisme wordt gebroken. Posthumanisten zien de mens niet langer als middelpunt, maar als een complex en alomvattend systeem  dat zowel uit mensen, dieren en planten bestaat, maar ook uit materiële werelden zoals bijv fossiele brandstoffen, drinkwater en niet menselijk leven.

En inderdaad valt, zoals Schamier schrijft, bij Dèr Mouw het “ik” in essentie samen met al het andere en begrijpt het zich als onderdeel van een kosmische samenhang. 

Toch is het begrip posthumanisme in mijn ogen niet adequaat om er de cultuurkritische positie van Dèr Mouw mee aan te duiden: de bovenstaande neutrale en tamelijk onschuldig lijkende definitie heeft in de praktijk van 2020 betrekking op een veel minder neutraal en onschuldig gebeuren: de postmodernist hanteert een zeer bepaalde toekomstvisie waarin de biologische natuurlijke mens “verbeterd” moet worden met behulp van biotechnieken en cybernetica. 

De mens wordt verondersteld de omringende en zijn eigen natuur naar zijn hand te zetten met behulp van technologie; doel ervan is het bijsturen van de evolutie van de menselijke soort in de richting van een superintelligente cyborg of toekomstige machinemens. 

Weliswaar is de mens in deze ontwikkeling niet langer middelpunt, maar desalniettemin is het vrijelijk omgaan en kunnen beschikken over de natuur als gebruiksobject, het autonoom als “homo deus” ontwerpen van de toekomst, de gedachte dat de natuur, inclusief onze eigen natuur, ván en voor ons is, dat alles is moeilijk verenigbaar met het hindoeïsme en meer in het algemeen met de (religieuze) uitgangspunten van andere niet westerse culturen.

In de islamitische en joodse cultuur bijv. wordt de natuur beschouwd als expressie van god’s grootheid en heerlijkheid. Zo herkent de hindoeïstisch geïnspireerde Dèr Mouw in de kosmische samenhang de essentie van zijn eigen menselijke natuur. De grootsheid en overweldigende schoonheid van de natuur dragen in de ogen van Dèr Mouw de signatuur van brahman en spelen in zijn poëzie een essentiële rol; al vanaf zijn vroegste jeugd ontlokt de natuur de dichter zijn kosmische eenheidsbesef. Hiermee is dan, last but not least, de vierde paradimaverandering aangeduid. Ook hier valt er winst te behalen uit de brahman-conceptie van Dèr Mouw:

Natuur is geen gebruiksobject maar onontkoombaar (meestal religieus geduid ) fundament van menselijk welzijn en zelfs van het hoogst bereikbare welzijn, zegt de Wageningse natuurfilosoof Mattijs Schouten.(9) 

Ook binnen het christendom ( juist in het christendom, zeggen sommigen) is het mogelijk de relatie mens-natuur te herijken, nl. op basis van een zogenaamd rentmeesterschap: niet zozeer het beheersen als wel het beheren van de natuur staat in deze visie centraal.

De echte oorzaak van de huidige ecologische crisis is ons (westers) wereldbeeld. De enige manier waarop we een duurzame toekomst voor onszelf en alle andere bewoners van de aarde kunnen creëren, is door onze relatie met de natuur volledig te herzien. De huidige ecologische crisis is dan ook in essentie een crisis van de ziel, volgens deze filosoof.  

Wie denken wij (wel) dat wij zijn, vraagt hij zich af en dat is precies de vraag waar Dèr Mouw zijn leven lang mee bezig is geweest.

De term posthumanisme is aldus erg verhullend en verwarrend. Beter lijkt het mij de denker en dichter Dèr Mouw als een originele en kritische exponent te beschouwen van het “oude”  Europese humanisme, niet ondanks, maar eerder dankzij zijn hindoeïsme. In dit religieus gekleurd humanisme wordt de waarde van het menselijk leven in samenhang gezien met de natuur en al het andere leven op aarde. Bij Dèr Mouw is de tegenstelling van “religieus” en “humaan” immers opgeheven in brahman. 

Hoewel.

De dichter blééf de denker die hij altijd al was of, zoals Ter Braak schreef: Dèr Mouw was reeds Adwaita en Adwaita bleef Dèr Mouw.

Dit moge - tot slot -blijken uit het volgende sonnet uit Brahman II:

 

Soms vraag ik nuchter: Is ’t misschien een waan,

wanneer ik denk, ik ben Brahmans profeet-?

Herleeft in mij, zonder dat ‘k zelf weet,

een zon- en regentov’rende sjamaan?

 

Of doe ik aan mystiek, noem ‘k mij brahmaan,

omdat het literair staat en gekleed?

En spreek ik koketterend van mijn leed,

omdat het hoort bij ’t dichterlijk bestaan?

 

Dat ‘k zelf dit vraag, is dat al geen bewijs?

Ja, zeg ik daarom, dat ‘k oud ben en grijs,

opdat ’t zal schijnen: wat hij zegt, is waar?

 

Of knaagt de twijfel na mijn wetenschap

hongrig ’t geloof stuk in mijn dichterschap?-

Ik meende altijd, ik was geen huichelaar.

 

 

  1.  A. Menno ter Braak, verz. werk 1, A’dam 1950, 219-243
  2.  B. Dèr Mouw, verz.werken, Misbruik van mystiek, deel 6, p 82-83
  3.  C. Evelyne Schamier, “Ik ben dat”, oosterse filosofie als cultuurkritiek in het werk van Andreas Dèr Mouw en van Patricia de Martelaere, masterthesis 2016, universiteit Utrecht

4)   Wim van de Laar,  De Upanisjads, inleiding p.12-13, Tilburg 2014

5)   Philip Renard, De Upanisjads, voorwoord.

6)  Jaap Goedegebuure, Wit licht, Poëzie en mystiek in de Nederlandse literatuur 

    van 1890 tot nu, Nijmegen 2015, p. 58

7)  Emanuel Rutten, Wijsgerig Perspectief, jrg. 60, nr 2, p13)

8)  projectgroep Wilmink, Enkele aantekeningen bij Dèr Mouw, Spectator, jrg 

   1,1971-1972, p. 414-441

9)  uitspraken van Mattijs Schouten, gevonden op het internet

10) Marjoleine de Vos, J.A.Dèr Mouws poëzie: jeugdherinneringen en

     Brahmanisme, 2008, p.8

Vooruitgang in de muziek volgens Weber

 

Weber's visie op de rationalisering van de muziek benadrukt het grote belang van magie, cultus en rituelen voor het ontstaan van wat wij tegenwoordig muziek noemen. Het ontstaan van muziek kan niet los gezien worden van haar oorspronkelijke inbedding in een context met gecanoniseerde codes en formules. 

Priesters en magiërs zijn waarschijnlijk dan ook de eerste professionele musici.

Een magische cultuur veronderstelt een "evaluative'(Weber) of "traditional" (Weber) type van handelen, dwz een cultuur die zich gebonden weet aan bepaalde, vooraf gegeven en vaste doeleinden, middelen en stereotypen. Dat betekent volgens Weber dat rationalisering slechts tot op een bepaalde hoogte kan worden toegestaan; experimenteren wordt ontmoedigd. Er is kortom geen vrije ontwikkeling in de muziek. Anderzijds wordt wel een bepaald "stratum"(Weber) gecreëerd, dat de drager is van een uniforme muzikale ontwikkeling.

Er is volgens Weber een voortschrijdende ("progressive") ontwikkeling in intervalgebruik ten gunste van een grotere expressiviteit. Met deze ontwikkeling emancipeert de muziek zich uit een religieuze context .

Uit gegeven, religieus bepaalde, vaste muzikale vormen ontwikkelt zich een eerste stap in het muzikale rationaliseringsproces: het wordt mogelijk de magiër en priester/musicus enerzijds te onderscheiden van de musicus die zich "losmaakt" uit het vaste stramien anderzijds. 

Als nu deze vormen en formules loskomen van de oorspronkelijk magisch/religieuze context en als de professionele musicus vrij is om die formules en vormen in seculiere contexten te gebruiken, verandert het type handelen van "evaluative" en "traditional" in "rationeel" en "affectief". 

Zo ontstaat geleidelijk de expressieve musicus die zich "vrij" beweegt op een "harmonisch" grondstramien. De geleidelijke ontwikkeling in de onderlinge akkoordrelaties vindt volgens Weber niet enkel plaats op harmonische basis, maar is vooral melodisch van aard. 

Melodie en "rationele" akkoordontwikkeling bevatten volgens hem een "irreconciable contradictio”. Zelfs het meest zuivere contrapunt bevat melodieën die niet herleidbaar zijn tot akkoorden waaruit het is opgebouwd. Akkoordvreemde tonen vormen de meest effectieve middelen om muzikale ontwikkeling in gang te zetten. Zonder de spanning, afkomstig van de "irrationele" melodie, kan moderne muziek niet bestaan. De "rationaliteit" van de harmonie op basis van akkoorden staat voortdurend op gespannen voet met de melodische expressiviteit. De muzikaliteit "rationaliteit" bevat zo in zichzelf een "irrationaliteit", die volgens Weber te danken is aan de niet-symmetrische positie van de septiem (Vanwege de harmonische ambiguïteit van de mineur-toonladder moest de septiem verhoogd worden; anders zou het dominant-septiem akkoord van a-klein hetzelfde zijn als het septiem-akkoord van e-klein)

In de Griekse en Middeleeuwse muziek ging men volgens Weber niet uit van een harmonische verdeling in kwinten, maar van een verdeling in twee symmetrische kwarten (c-f, g-c) Voor het ontstaan van ons harmonisch systeem speelde de terts, die alleen kon ontstaan door een harmonische verdeling van de kwint ) geen rol als onderdeel (interval) van de drieklank.

Daarmee is niet gezegd dat "primitieve"( Weber ), d.w.z. niet tonale of weinig "gerationaliseerde" muziek, per definitie de halve toonstap niet zou hebben gebruikt. In de visie van Weber vertoont de pentatonische toonladder een "partiële" rationalisering van kwinten en kwarten, die weer het het octaaf veronderstellen en kan in werkelijkheid niet "primitief" zijn. De terts verschijnt er echter in een nog onzuivere vorm.

 

In alle culturen zijn allerlei factoren aanwezig om in aanleg een harmonisch type van muzikale rationaliteit te ontwikkelen, maar alleen in het Westen heeft de ontwikkeling zich ook feitelijk voorgedaan, omdat dit type handelen ook te zien valt in andere levensgebieden dan die van het Westen en een rationeel type handen tendeert er nu eenmaal naar volgens Weber om zich met meer succes door te zetten dan andere typen van handelen.

In de Arabische muziek van voor de tiende eeuw schijnt de toonladder tien tonen te hebben gekend. Een en ander zou te danken zijn aan de luit, vergelijkbaar met de Griekse kithara en de bamboefluit in China. Eerst had de luit vier, later vijf en tenslotte zeventien snaren. Voordat de terts de revolutionaire rol ging spelen in de westerse muziek, zijn de principes van melodische "irrationaliteit" en harmonische  “rationaliteit” nog nergens in conflict. In het algemeen was de universele betekenis van de grote seconde van groter belang dan de harmonische terts. De reden daarvoor ligt in het karakter van de oude muziek, waarbij de terts alleen ( nog! ) kon functioneren als doorgangstoon.

 

Is Weber's opvatting van de voortschrijdende rationaliteit in de muziek een “puur” wetenschappelijke reconstructie van de historische ontwikkeling? Gaat het daarbij om een ideaal-typische reconstructie, zoals bijvoorbeeld de "homo economicus" in de economische wetenschap, die dient om complexe verschijningsvormen niet alleen te verklaren maar ook te duiden, dwz te begrijpen vanuit een bepaalde normatieve oriëntatie? En welke oriëntatie ligt dan aan de rationaliseringsthese ten grondslag?

Het lijkt mij waarschijnlijk dat het "waarderende" uitgangspunt van de rationaliseringsthese, die a.h.w. onopgemerkt meelift, afkomstig is uit het Verlichtingsideaal, zoals met name door de filosoof Kant gedefinieerd als een toestand waarin de ware volwassene alle onvolwassen afhankelijkheid van zich af heeft geschud en “op eigen benen” staat. In dit geval zou dat betekenen dat muziek zich “rationeel” vanuit een afhankelijkheidsrelatie ontwikkelt naar een situatie waarin muziek  zich “autonoom” kan manifesteren: de motivatie die ten grondslag ligt aan het maken en uitvoeren van muziek is de muziek zelf. 

 

Weber onderscheidt vier soorten van rationeel handelen, waarbij de eerste soort sterk overeenkomt met wat wij meestal onder 'rationeel' verstaan, terwijl het tweede type op het eerste gezicht juist een irrationele indruk wekt. Het eerste type handelen, doel-rationeel handelen, is welbewust, doelgericht rationeel gedrag. Men heeft een doel voor ogen en stemt zijn middelen af op het bereiken van dat doel. (...) Waarde-rationeel handelen maakt helemaal niet zo'n rationele indruk. Het gaat hierbij om gedrag dat betrokken is op een bepaalde waarde, zoals bijvoorbeeld religie. Dat geldt niet voor het derde type: affectief handelen. Dit is gedrag dat wordt gemotiveerd door de emotionele toestand van de handelende persoon. Hier geen rustige afweging van kosten en baten, maar handelen in de opwelling van het moment, zonder enig overleg, onbeheerst....

 

Het laatste type is het zogenaamde traditionele handelen, waarbij men zich laat leiden door tradities, gewoonten, gebruiken. In dit geval voldoen mensen op een reflex-achtige manier aan sociale eisen die zo goed in hun gedragsrepertoire zijn geïnternaliseerd dat het automatismen zijn geworden. Ze zijn er vaak nauwelijks nog van bewust dat ze ook anders hadden kunnen handelen: 'Zo hoort het nu eenmaal'.

Mij lijkt dat het type “rationaliteit” dat Weber voor ogen heeft als het gaat over muziek ver af staat van het eerste type: het doelrationele handelen; er is geen sprake van een calculerende instelling, van afweging van de middelen die tot het gewenste doel voeren, van vooruitdenken of van systematisering van werkwijzen en emotionele neutraliteit. Eerder gaat het Weber om een ( geleidelijke ) ontwikkeling van muziek “uit”  het traditionele handelen “naar ‘ een waarde-georiënteerd handelen, waarbij die ontwikkeling door Weber, in het kielzog van de Verlichting, “positief” lijkt te worden opgevat.

' Dagboek  16 '

Bach en de romantiek

 

De filosoof Isaiah Berlin analyseerde in zijn “The roots of Romanticisme” oorsprong, betekenis en belang van de romantische beweging. Hij zegt onder meer: “The world has never been the same since, and our politics and morals have been deeply transformed by them. Certainly this has been the most radical, and indeed dramatic, not to say terrifying, change in men’s outlook in modern times.” 

In zijn analyse passeren allerlei achttiende negentiende eeuwse kunstenaars en filosofen de revue, zoals Kant, Herder, Rousseau, Diderot, Schiller, Schlegel, Fichte, Novalis, Goethe, Blake, Byron, en, bien étonnés de se trouver ensemble, Beethoven. Maar ook J.S.Bach wordt door Berlin, zij het met voorbehoud, in deze reeks geplaatst. Grunberg schrijft in de Groene Amsterdammer van 1 juli 2021:

“In een terzijde in een van deze lezingen stelde Berlin dat Bach weliswaar een belangrijk componist was, maar ook iets provinciaals had. Naar aanleiding van een reactie van een kritische toehoorder, vermoedelijkeen groot bewonderaar van Bach, antwoordt Berlin - de redacteur heeft daar een voetnoot van gemaakt - dat hij “in print” zo’n statement natuurlijk nooit zou hebben gemaakt.”

“Een van de kenmerken van alle romantische bewegingen”, schrijft hij verder, “is de afkeer van het universalisme”. Berlin verbindt de Romantiek expliciet met het Duitsland van de achttiende eeuw en hij verklaart het ontstaan ervan vanuit een diep Duits minderwaardigheidscomplex. Duitsland was nog geen natiestaat, had de verwoestingen van de Dertigjarige Oorlog achter de rug, en volgens Berlin had Duitsland in de achttiende eeuw weinig om trots op te zijn. Zoals gezegd moet hij daarom ook de prestaties van Bach licht in twijfel trekken. Voor Berlin is het ontstaan van de Romantiek verbonden met het piëtisme, en daarmee met Luther. Het piëtisme maakte korte metten met alle pogingen wetenschap en religie met elkaar te verbinden; het gaat om “de unieke individuele beleving van het individu in relatie tot God, waarbij kennis verdacht is of gewoon een ondergeschikte rol speelt.”

Bach een Lutheraan noemen is een understatement, maar Bach plaatsen in het historisch kader van een gefrustreerd Duitsland, lijkt nogal kort door de bocht. Zeker, ook Gardiner plaatst in zijn boek over Bach’s muziek tegen de achtergrond van de Dertigjarige Oorlog, niet om het “provinciale” karakter ervan aan te geven, maar - integendeel - om Bach’s muziek te begrijpen als een geniale poging in Lutheraanse  vroomheid een muzikale dam op te werpen tegen de verwoestingen van de oorlog ( en meer in het algemeen tegen het menselijk tekort ). 

Het is erg verleidelijk om de mystieke kern van het piëtisme in verband te brengen met de romantische hang naar alles wat het menselijk leven te boven gaat of hetgeen buiten onze macht ligt, maar het is nog maar de vraag in hoeverre een dergelijk “irrationalisme” op Bach van toepassing is. Eerder zou je de muziek van Bach “functioneel” of "rationeel" kunnen noemen:
“Die rechte Musik soll allein zu Gottes Ehre und Recreation des Gemüths dienen.”... of: “soli deo gloria”, zoals hij vaak boven zijn muziek schreef. Muziek als dienst aan god, muziek als functionele liturgie, componeren als een spiritueel gebeuren, aangedreven door  een sterke persoonlijk gevoelde Lutheraanse geloofsdrift... 

Bovendien kon Bach niet anders dan componeren in de taal van die tijd, de tijd van het rationalisme, van Spinoza, van Descartes, van Leibniz. Muziek is volgens de laatste een “uitbeelding van de universele harmonie die god in de wereld heeft gebracht”. Een uitspraak die met een beetje goede wil van Bach had kunnen zijn. De kosmos is in het wereldbeeld van die dagen een geordend, in laatste instantie een goddelijk systeem...de werkelijkheid heeft een rationele en in principe kenbare structuur, de kosmos is één groot uurwerk, dat werkt volgens goddelijke wetten.. Op de achtergrond van Bach’s muziek speelt het oeroude idee van de “harmonia mundi”, de bijna mathematische vormen-structuur en strakke muzikaal-logische patronen in zijn muziek. 

Het romantisch dwepen met de natuur bijvoorbeeld staat wel erg ver af van de wereld van Bach en zeker  de "romantische" cultus van het individualisme ( of althans van de individualistische kunstenaar ) dat tot en met ( maar misschien juist in ) onze dagen hoogtij viert. Denk bijvoorbeeld aan het ongeremde “jezelf zijn”, of het zoeken naar je meest “authentieke” zelf, met als voorloper de romantische verering van de onbegrepen, alleenstaande kunstenaar als bohemien of outcast; kenmerken die ver van Bach af staan, als ze al niet geheel onverenigbaar zijn met deze barok-componist.

 

'Claqueur de baroque', voor disk-klavier

spreek- en datataal

Taal is een communicatiemiddel. Een open deur op het eerste gezicht. Maar niets is minder waar.

In de traditionele filosofie ging het bij taal meestal om een middel voor representatie, om de relatie tussen mens ( individu ) en de werkelijkheid, hetgeen neerkomt op de aloude filosofische tegenstelling van subject en object. De filosoof die erop blijft hameren dat mensen vooral met elkáár over de wereld praten, dat het gaat om levende interactie, is Jürgen Habermas. De taal is niet de spiegel van de wereld, maar de toegang ertoe.

Het is daarom nodig om in het gesprek met elkaar bedacht te zijn op hoe ik zelf naar de wereld kijk, op mijn vooronderstellingen, op mijn emotionele parti-pris enz., en dat kan alleen maar als ik het weerwoord van mijn gesprekspartner serieus neem, als ik mij door hem/haar iets laat gezeggen. Dan kan er zoiets ontstaan als een identiteit. Het ontdekken van je eigen identiteit is geen solitaire aangelegenheid, maar komt tot stand in een gedeelde talige wereld. De taal is er altijd al. “Alleen zij die spreken kunnen, kunnen zwijgen. Alleen omdat we van huis uit met anderen verbonden zijn, kunnen we ons afzonderen.” ( Habermas )

Een dergelijke opvatting van taal staat nogal haaks op de gebruikelijke opvatting, waarbij  taal  al te vaak wordt gereduceerd tot middel om simpele informatie over te brengen, geschikt voor het communiceren van ondubbelzinnige, meetbare  en technische operaties.. Het is de taal  van de "operationele efficiëncy en de enkelvoudige visie...

Alsof de taal het privébezit van logici, technici en wetenschapsmensen geworden was, en dus alle communicatie gevormd diende te worden naar de scherp omlijnde nauwkeurigheden van laboratorium-research - zonder zelfs maar enige rekening te houden met de bijdrage die intuïtie, ingevingen, woordenspel, metaforen en vuistregels leveren aan alle onderzoek dat de moeite waard is." (Theodore Roszak )

Het is de taal die alles afwijst wat niet herleid kan worden tot een vorm van empirisch-meetbare feitelijkheid.  De meest gangbare uitkomst van deze denkwijze is daarom de tegenwoordige "taal" van computer-gegenereerde data, die geheel vrij zou zijn van "subjectieve" ruis en idealiter zelfstandig zou kunnen  opereren.  Het eindpunt van deze ontwikkeling zou dan bereikt worden met Artificial General (AGI), waarbij AI slimmer zal zijn dan de mens en in staat is zichzelf te ontwikkelen en te verbeteren.; een soort superintelligentie die evenals de  God  van vroeger alle menselijke problemen zal kunnen oplossen, ons onsterfelijk kan maken en waarmee wij uiteindelijk kunnen samensmelten. Volgens dit transhumanistisch ideaal  zou de mensheid  kunnen worden getransformeerd tot een nieuwe godgelijke  soort.

Het geeft te denken dat de taal die voor dit hele transformatieproces wordt gebruikt quasi-religieuze trekken vertoont: de transcendente  god ( AGI ) ligt in een eindtijd, waarna alles "nieuw" zal zijn. De basis voor dit geloof wordt gevormd door een superintelligente technologie, die net als de  "oude" christelijke god, de mensheid uiteindelijk zal verlossen van alle  problemen. 

In plaats van met elkáár te spreken, wordt de taal van de "oude" dogmatische religiositeit ingeruild voor het geloof in een uiteindelijke "singulariteit" (de transhumanistische term voor het bereiken van AGI), die op zijn beurt weer de vorm aanneemt van een oud christelijk dogma?

Onaantastbare dogma's stoten , zo laat de geschiedenis zien, vroeg of laat op hun onhoudbaarheid.

Maar wat als de loop van de geschiedenis niet langer in handen ligt van vrije met elkaar sprekende mensen, maar wordt bepaald door een almachtige, alwetende en alziende technologie?  Wat als menselijke  interactie gaandeweg verdwijnt, "overbodig" blijkt tegen de achtergrond van een "superintelligente" autoriteit?  Wat als het ontwikkelen van een eigen  identiteit steeds meer als een achterhaalde illusie wordt beschouwd? Wat als de suggestie wordt gewekt dat politiek net zo goed kan worden afgeschaft?

Kortom, wat winnen we als  we onze menselijkheid verliezen?

'Warming up 1', voor disklavier ( midi-versie )