
'Moonlight again 2', voor vl, vla, cl en piano
wachtend
ik kijk uit het raam
roerloos wachtend
de bomen
de radio speelt
een lied van verdriet
en troost
wat moet ik doen
wat moet ik laten
ik adem en wacht
als in een fermate
timing is alles
ik kijk uit het raam
eau de vie
Magnificat en Hohe Messe
ijkpunt en merksteen
levenselixer en doodstherapie
musique de paradis en eau de vie
tonica
ik vond een replica
van de tonica
zij leefde al decennia
in de muzikale diaspora
hoewel niet authetiek
was haar fonetiek
mij erg sympathiek
de mazzel
hoe kan ik iets over je zeggen anders
dan met de woorden van anderen
toen je de klim waagde naar de opslagruimte
hoog bovenin je flat je laatste huis
dozen vol documenten voor nabestaanden
toen ik je allerlaatste knipoog verstond
als een goedaardige en opgeruimde mazzel
voordat je voor altijd van de aardbodem
met de appelboom achter het huis
waarin je de klim waagde naar de hoogste tak
voordat je voor altijd verdween
met een knipoog naar een goedaardig
en opgeruimd niemandsland
hoe kon ik iets over je zeggen anders
dan met de woorden van anderen
toorn gods
een vertoornde god kan behoorlijk uitvaren
als een houthakker als het moet zo
hielp hij een vreemde engel uit de droom
van een volmaakte beleidsmachine
de engel liep voorop maat der dingen
vlag in top het hoofd in de wolken
op de snelweg terug richting paradijs
en waande zich reeds halverwege
god zelf woont in een schuurtje
een bouwval lang geleden opgericht
tegen de ongerijmde slapstick en
gebrokenheid van de wereld
laat duizend en één bloemen bloeien
schreeuwde god naar de vreemde engel
doe normaal man riep de engel terug
doe zelf normaal riep god nog
maar de engel luisterde niet langer
glimmerik
een glimmerik op een dorre
cajoleerde efemeer
de epineuze gladakker met embonpoint
deze liet zich dodijnen door de prinsemarij
giegaagde edoch
met welk excrement en rapaille heb ik hier te maken
zich zodoende justificerend
terwijl hij even later van de gorre gleed
en voorgoed ter aarde zeeg.
nonsense
kwakzalvende eenden
ontleenden gemakshalve
na het geschater de kater
van het smerige water
aan het spottend gesnater
maar één dag later
hoorde je weer het geklater
that sounds like nonsense
but it is pure like plenzen
dieren kiezen partij (voor jong en ouD)
rat
leve onze trouwe viervoeter
Adriaan Quidam is zijn naam
uitgekookt zijn denkraam
het air van een gangster hij zei
ik ben een rat snuffelen en knagen
dat is mijn enige bijdrage
aan de wereld van morgen
ik doe niet aan kopzorgen
veel geleerd heb ik van de mensen
die mij het liefst doodwensen
de arrogantie van een dier dat met hartstocht en plezier
zijn eigen soort vermoordt
zich beroepend op gods woord
muis
half verscholen onder een herfstig eikenblad
zag ik vlak bij het voorhuis een dooie muis
hij lag op zijn rug
kopje opzij
staart in de krul
pootjes omhoog
pretoogjes open
of ik blij was met wat ik had gevonden
nee niet echt
eerder opgewonden
ik weet niet waarom
bang dat ik dom overkom
eekhoorn
ik zag een Siberische eekhoorn
in het grote Sterrenbos
hij kruiste toevallig mijn pad
en vroeg hoe gaat-ie schat
en vervolgde droogjes
jij geloofde toch in sprookjes
ik zei natuurlijk ik zei
de sterren boven mij
maken mij vrij
'improofs 4' voor disk-klavier

hond
overdag ben ik normaal en gezond
voor de buitenwacht een echte bofkont
maar 's nachts is er de hondse hond
zijn gehuil gaat door merg en been
mij bevangt compassie en speen
is het mogelijk dat mijn droom verklankt
de gebeten hond die steeds in mij jankt
of is er nog een ander interpretatieprincipe
lieve help
hij blijft maar janken en piepen

eend
wie naar muziek luistert
zoals een eend hoort
heeft de platte smaak
van eendimensionale kwaakspraak
alles gaat hopeloos verloren
zonder oren voor bijvoorbeeld
ik noem maar wat een hobo d'amore
slak
er woonde een slak op het dak
ze heette Rietje Retestrak
ze wilde graag naar beneden
maar ja
geen benen
beneden woonde eveneens een slak
hij heette Olaf Oppendraf
hij riep kom van dat dak af
zij riep ik durf niet
veel te diep
ach kom toch van dat dak af
riep weer Olaf Oppendraf
Rietje Retestrak keek hem lang aan
kon hem niet weerstaan
ze nam een sprong
je bent maar één keer jong
niet waar
maar ja
geen benen
Olaf Oppendraf begroef haar terstond
in zachte potgrond
zong een aria in slakkengang
en rouwde levenslamg
om Rietje Retestrak
mol
hij heeft een overwegend schuw karakter
stil zeggen de luidruchtigen
angstig zeggen de angshazen
arrogant zeggen de predikanten
onzeker zeggen de zekeren
het liefst woont hij diep onder de grond
in een hol zonder protocol
zeggen de oppervlakkigen
schaap
er waren eens twee schapen
het ene schaap uit Emmerich
emmerde hoogst merkwaardig
het andere schaap uit Zevenaar
zeverde alsmaar bonsoir bonsoir
kappen nou riep schapenvrouw
van jullie word ik horendol
oké, zei een van de twee
bonsoir bonsoir en gedwee
kropen ze onder de wol
eindelijk rust dacht de vrouw
ellendig al dat gemauw
kever
'k liep over een viaduct
op een mooie dag
midden in oktober
'k stond even stil
links en rechts beneden mij
twee razende autostromen
maar dichterbij
het was als thuiskomen zag ik
twee prachtvolle graspollen
fleuren in smalle betonscheuren
een frivole kever had zich verscholen
bang voor een onverhoedse radarcontrole
'k liep over een viaduct
op een mooie dag
midden in oktober
de zwarthaarmelkzweefvliegwals
sierlijk zwevend met vleugels als juwelen
om de liefde van de dophommel vrij te spelen
steelt ze de show in en om fraaie struwelen
zijn bonkige sprieten raken eeltig maar teder
de tengere zwarthaarmelkzweefvlieg en samen
samen dansen ze de zwarthaarmelkzweefvliegwals
dat wil zeggen voor zwarthaarmelkzweefvliegen zo goed als
zweefvlieg
als ik zonder zweefvliegbrevetje
zoem naar mijn eerste boeketje
en ik volgens het insecten-draaiboek
mijn favoriete aaibloem bezoek
zie ik dat zij reeds is bestoven
jammer waarom nu nog uitsloven
dan maar zweven ad libitum
naar een doorsneebloem
daar zijn er meer dan genoeg van
echt veel meer dan ik aankan
als zweefvlieg kieskeurig zijn
is zorgen voor snel sacherijn
ik word bedreigd met uitsterven
mijn soort zal niets beërven
geen koninkrijk zelfs geen aarde
het enige dat overblijft van waarde
het enige dat van mij straks over is
ligt in een lade van Naturalis
eend
wie naar muziek luistert
zoals een eend hoort
heeft de platte smaak
van eendimensionale kwaakspraak
alles gaat hopeloos verloren
zonder oren voor bijvoorbeeld
ik noem maar wat een hobo d'amore
vlinder
een kameel
zonder twee bulten
op zijn rug achter en voor
heeft één heel groot nadeel
moet je er snel van door
blijf je moeilijk in het bgareel
zit je op een ezel
koppig en tegen de keer
berg je dan
zeg alleen maar
doedoeqi of au revoir
berijd je een oude knol
traag als een slome slak
houd dan de teugels maar strak
want als ie plotseling schrikt
oooh la la slaat ie op hol
niet meer in control
springt een brutale aap
op je rug watervlug
trekt ie aan je haar
is ie vast onbetrouwbaar
zeg aap noot mies
en weg is ie cum suis
vraagt een vlinder
vlieg je mee zeg je
da's vet okee
je vraagt
hoe heet je
zegt de vlinder
Goeree over Flakkee
jij zegt
nou Goeree da's toevallig
mijn opa heet ook over Flakkee, jee
zegt de vlinder
ik vlieg naar Zeeland
naar familie over Flakkee
jij zegt ik ga mee Goeree
mijn familie heet ook over Flakkee
woont ook in Zeeland
vlakbij het strand
kunnen we samen spelen jee
paard
ik ben van boerenafkomst
er staat een paard in de stal
moeders bewerken het land
varkens wroeten in de grond
er staat een paard in de stal
ik wacht lang op mijn beurt
dan mag ik op zijn rug
ik heb hoogtevrees en val
de oude boerderij valt
met paard stal en al
in de graaihanden
van de Vooruitgang
ooievaar
in Goirle was het
ik zag er vijftig ooievaars
de vleugels zwart
de snavels rood
ze foerageerden in een wei
langs de rivier de Lei
het ging om een onheilsbode
van toornige grensgoden
je kent de grillen van het klimaat
wees beducht op onraad
het is vlug te laat
'improofs', voor disk-klavier
gans
Een man paste op een hond. De hond heette Jelle. Jelle blafte bijna nooit, maar als Jelle blafte werd de man jaloers . Hij wilde thuis een keertje leren hondblaffen, maar om te kunnen hondblaffen, moest hij eerst leren koeloeien, maar koeloeien kun je pas als je ofwel kunt leeuwbrullen ofwel kunt katmiauwen. Nou goed, katmiauwen dan maar, maar katmiauwen lukt pas als je hebt leren muispiepen, paardhinniken , vosgrinniken. en keldervarken. Na veel muggezoemen kon hij eindelijk keldervarken, maar het varken van kelders viel lang niet mee! Hij besloot daarom maar te ooievaren naar Nieuwspraakstad, zijn bestemming.
Daar ging hij uitvoerig knorrepotten, feestbeesten en eindeloos uiltjesknappen. Toen hij daarmee was geklaarstoomd, ging hij weer terug naar huis. Na boeljarenvaren kwam hij weer te ooievaren, varkens te kelderen, te mugzoemen, te vosgrinniken of te paardhinniken. Nou te vosgrinniken dan maar! En nu op naar het muispiepen, het katmiauwen of het leeuwbrullen! Dit keer kwam nachtegaalzingen tussen beide en ook niet te vergeten het ezelbalken tot de allerhoogste, maar die gansklapwiekte niet zo hard meer als vroeger, dus dan toch maar weer naar het katmiauwen, dan het koeloeien en het mensenroezemoezen, want dat was de man vergeten en toen hij eindelijk, eindelijk wilde hondblaffen...weg hond! weg hond! weg hond! Hij kon zijn ogen niet geloven en mensvloekte en menstierde er op los. Hij kannibaalde en kannibaalde, maar nu Jelle weg was, hoefde hij niet langer jaloers te zijn.
uit: LES FLEuRS DU MAL van ChARLES BAUDELAIRE, De bloemen van het kwaad
LE CHAT
Viens, mon beau chat, sur mon coeur amoureux;
Retiens les griffes da ta patte,
Et laisse-moi plonger dans tes beaux yeux,
Mêlés de métal et d'agate
Lorsque mes doigts caressent à loisir
Ta tête et ton dos élastique,
Et que ma main suivre du plaisir
De palper ton corps électrique
Je vois ma femme en esprit. Son regard.
Comme le tien, aimable bête,
Profond et froid, coupe et fend comme un dard,
Et, des pieds jusques à la tête,
Un air subtil, un dangereux parfum
Nagent autour de son corps brun.
DE KAT
Kom aan mijn minziek hart, mijn mooie kat,
Hou thuis, die klauwen aan je poten,
'k Verzink in jouw mooie oog als in een bad,
Oog van agaat, metaal-doorschoten
Wanneer mijn vingers traag over je kop
En elastieken rug gaan kroelen,
Wanneer mijn stille vreugde stijgt ten top
Door jouw elektrisch lijf te voelen,
Zie ik mijn vrouw in mijn gedachten voor me.
Haar blik, lief dier, als die van jou,
Is diep en koud, gaat als een speer dwars door me.
Van hoofd tot voeten zweeft rond haar
Bruin lijf een ijle geur als een gevaar,
't Subtiel aroma van mijn vrouw
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
LE SERPENT QUI DANSE
Que j'aime voir, chère indolente,
De ton corps si beau,
Comme une étoffe vacillante,
Miroiter la peau!
Sur la chevelaure profonde
aux âcres parfums,
Mer odorante et vagabonde
Aus floss bleus et bruns,
Comme un navire qui s'éveille
Au vent du matin,
Mon âme rêveuse appareille
Pour un ciel lointain.
Tes yeux, où rien ne se révèle
De doux ni d'aimer,
Sont des bijoux froids où se mêle
L'or avec le fer.
À te voir marcher en cadence,
Belle d'abandon,
On dirait un serpent qui danse
Au bout d'un bâton.
Sous le fardeau de ta paresse
Ta tête d'enfant
Se balance avec la mellesse
D'un jeune éléphant.
Et ton corps se penche et s'allonge
Comme un fin vaisseau
Qui roule bord sur bord et plonge
Ses vergers dans l'eau.
Comme un flot grossi par la fonte
Des glaciers grondants,
Quand l'eau de ta bouche remonte
Au bord de tes dents.
Je crois boire un vin de Bohème,
Amer et vainqueur,
Un ciel liquide qui parsème
D'étoiles mon coeur!
DANSENDE SLANG
Ik zie graag op je mooie leden,
Lome lieveling,
Met de glans van changeant kleding,
De lichtspiegeling!
In het diepst van je donkere haren
Met hun scherpe geur
Van zilte en zwerfzieke baren,
Blauw en bruin van kleur,
Droomt mijn ziel zich reisklaar te maken
Voor een ver verschiet,
Als een scheepje, aan het ontaken
In de ochtendbries.
Door hun lief en leed te verhelen,
Staan je ogen koud,
Ze lijken op koude juwelen,
Half ijzer, half goud.
Beweeg jij je met die cadansen,
Schone die zich gaf,
Is het of ik een slang zie dansen
Bovenaan een staf.
Iets looms en onledig bevangt je
Kinderhoofdje, die vracht
Wieg je als een jong olifantje,
Zo mollig en zacht.
En je lichaam rekt zich en buigt zich,
Een rank schip dat rijdt
Op de golven, terwijl het tuig zich
Naar het water vlijt.
Als een stroom die die door de dooi is gezwollen
Bij gletsjergegrom,
Loopt het water je dan in de mond en
Rond tanden en tong.
En als drink ik wijn van Bohemers,
Bitter triomfaal,
Vindt mijn hart een vloeibare hemel
Van sterren doorstraald!
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
LA BEAUTÉ
Je suis belle, ô mortels! comme un rêve de pierre,
Et mon sein, où chacun se meurtri tout à tour.
Est fait pour inspirer au poète un amour
Éternel et muet ainsi que la matière
Je trône dans l'azur comme un sphinx incompris;
J'unis un coeur de neige à la blancheur des cygnes;
Je hais le mouvement qui déplace les lignes,
Et jamais je ne pleure et jamais je ne ris.
Les poètes, devant mes grandes attitudes,
Que j'ai l'air d'emprunter aux plus fiers monuments,
Consumeront leurs jours en d'austères études;
Car j'ai, pour fasciner ces dociles amants,
De purs miroirs qui font toutes choses plus belle:
Mes yeux, mes larges yeux aux clartés éternelles!
DE SCHOONHEID
Mooi ben ik, als een droom van steen, o stervelingen!
Mijn borsten, waaraan elk van u zich heeft bezeerd,
Hebben zo menig dichter reeds geinspireerd
Tot stille liefde, eeuwig als de stof der dingen.
Als onbegrepen sfinx troon ik in hoger sferen,
Met sneeuwen hart dat bij mijn zwanenblankheid hoort;
Ik haat beroering die de gave lijn verstoort,
En nooit zal ik met lach of tranen reageren.
De dichters, naar mijn grootse pose toegekeerd
Die ik ontleen aan trotse beelden, naar men denkt.
Brengen hun dagen door met hun gestrenge taken;
Want ik heb wat zo'n volgzaam minnaar fascineert,
Zuivere spiegels die 't bestaande mooier maken:
Mijn wijde ogen waar een eeuwig licht in wenkt!
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
LA CHEVELURE
Ô toison, moutonnant jusque sur l'encolure!
Ô boucles! Ô parfum chargé de nonchaloir!
Extase! Pour peupler ce soir l'alcôve obscure
Des souvenirs dormant dans cette chevelure,
Je la veux agiter dans l'air comme un mouchoir!
La langoureuse Asie et la brûlante Afrique,
Tout un monde lointain, absent, presque défunt,
Vit dans tes profondeurs, forêt aromatique!
Comme d'autres esprits voguent sur la musique,
Le mien, ô mon amour! nage sur ton parfum.
J'irai là-bas où l'arbre et l'homme, pleins de sève,
Se pâment longuement sous l'ardeur des climats;
Fortes tresses, soyez la houle qui m'enlève!
Tu contiens, mer d'ébène, un éblouissant rêve
De voiles, de rameurs, de flammes et de mâts:
Un port retentissant où mon âme peut boire
À grands flots le parfum, le son et la couleur;
Où les vaisseaux, glissant dans l'or et dans la moire,
Ouvrent leurs vastes bras pour embrasser la gloire
D'un ciel pur où frémit l'éternelle chaleur.
Je plongerai ma tête amoureuse d'ivresse
Dans ce noir océan où l'autre est enfermé;
Et mon esprit subtil que le roulis caresse
Saura vous retrouver, ô féconde paresse,
Infinis bercements du loisir embaumé!
Cheveux bleus, pavillon de ténèbtrs tendues,
Vous me rendez l'azur du ciel immense et rond;
Sur les bords duvetés de vos mèches tordues
Je m'enivre ardemment des senteurs confondues
De l'huile de coco, du musc et du goudron.
Longtemps! toujours! ma main dans ta crinière lourde
Sèmera le rubis, la perle et le saphir.
Afin qu' à mon désir tu ne sois jamais sourde!
M'est-tu pas l'oasis où je rêve, et la gourde
Où je hume à longs traits le vin du souvenir!
DE LOKKENVRACHT
Vervoering van tot in de hals kroezende vacht!
O krullen! O parfum vervuld van nonchalance!
Moge mijn donker bed toch zijn bevolkt vannacht
Met heugenis die slaapt in deze lokkenvracht
Die ik als halsdoek in de wind wil laten dansen!
Een Azië dat smacht, een Afrika dat gloeit,
Heel een uitheemse wereld, bijna omgekomen.
Leeft in jouw diepten, woud dat zo welriekend bloeit!
Zoals een andere geest met de muziek vervloeit,
Zo drijft mijn geest, o liefste mijn, op jouw aromen.
Ik ga naar waar, vol sap en leefkracht, mens en boom
Onmachig worden van een zon die kan verzengen;
Lokken vol kracht, breng mij erheen op snelle stroom!
Jij bent, mijn ebben zee, een luisterrijke droom
Van zeilen, roeiers, wimpels, masten, ra's en stengen:
Een haven waar het davert, waar zich mijn gemoed
Aan klanken, kleur en geur te goed doet, ongehinderd,
Waar menig schip dat glijdt door goudsatijnen gloed,
Zijn wijde armen spreidt, de majesteit begroet
Van 't klare hemelruim dat steeds van hitte zindert.
Dan doop ik mijn gezicht, dronken van tederheid,
In deze zwarte zee waarin de ander spiegelt;
En mijn geslepen geest, door het gediend verleid,
Vindt jou daar zeker weer, vruchtbare ledigheid!
Omgeurde dadeloosheid die mij eeuwig wiegelt!
Nachtblauw haar, paviljoen van strakke duisternis,
Jij hebt mij het azuur van 't hemelruim ontsloten,
En in de stengen van jouw donzen nwildernis
Bedrink ik mij vol vuur aan geur die mengsel is
Van teer, van muskus en olie van kokosnoten.
Heel lang! Voor eens en al zal ik ik jouw zwart haar
Robijnen zaaien, parels en saffieren ringen,
Opdat je nooit voor mijn verlangen doof bent, maar
Steeds de oase waar ik droom, de wijnzak waar
Ik mij uit laaf aan nectar van herinneringen!
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
LA VIE ANTÉRIEURE
J'ai longtemps habité sous de vastes portiques
Que les soleils marins teignaient de mille feux.
Et que leurs grands piliers, droits et majestueux,
Tendaient pareils, le soir, aux grottes basaltiques.
Les houles, en roulant les images des cieux,
Mélaient d'une façon solennelle et mystique
Les tout-puissants accords de leur riche musique
Aux couleurs du couchant reflété par mes yeux
C'est là que j'ai vécu dans les volupté calmes,
Au milieu de l'azur, des vagues, des spendeurs
Et des esclaves nus, tout imprégnés d'odeurs.
Qui me rafraîchissaient le front avec des palmes,
Et dans l'unique soin était d' appofrondir
Le secret douloureux qui me faisait languir.
VORIG LEVEN
Mijn huis van toen heeft op arcaden uitgekeken
Met duizend tinten vuur, zonlicht mediterraan,
Wier vorstelijke zuilenstreng rechtstandig staan,
Waardoor ze 's avonds grotten van basalt geleken.
De golven rolden aan met beelden uit den hoge,
En ze vermengden even plechtig als mystiek
De machtige akkoordenreeks van hun muziek
Met de zonsondergang weerspiegeld in mijn ogen.
Daar heb ik lang geleefd in een serene zwoelte,
Omringd door het azuur, de branding, de grandeur,
En naakte slaven door en door gedrenkt in geur;
Met palmbladwaaiers wuivend boden ze mij koelte,
En deden verder niets dan mijn geheime leed
Verdiepen dat mij met zo'n wellust smachten deed.
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
LES PROMESSES D'UN VISAGE
J'aime, ô pâle beauté, tes sourcils surbaissés.
D'où semblent couler des tenèbres;
Tes yeux, quoique très noirs, m'inspirent des pensers
Qui ne sont pas du tout funèbres.
Tes yeux, qui sont d'accord avec tes noirs cheveux,
Avec ta crinière élastique,
Tes yeux, languissamment, me disent: "Si tu veux,
Amant de la muse plastique.
Suivre l'espoir qu'en toi nous avons exité,
Et tous les goûts que tu professes,
Tu purras constater notre véracité
Depuis le nombril jusqu'aux fesses;
Tu trouveras au bout de deux beaux seins bien lourds,
Deux larges médailles de bronze,
Et sous un ventre uni, doux comme du velours,
Bistré comme la peau d'un bonze.
Une riche toison qui, vraiment, est la soeur
De cette énorme chevelure,
Souple et frisée, et qui t'égale en épaisseur,
Nuit sans étoiles, Nuit obscure!
DE BELOFTEN VAN EEN GEZICHT
Mijn bleke lief, 'k bemin je lage wenkbrauwbogen,
Net als je oog vol duisternis;
Ze geven mij ideeën die ik nooit verloochen,
Waaraan nu juist niets duisters is.
Je ogen harmoniëren met je zwarte haren,
Lokken vol elasticiteit;
Je ogen zeggen flemend:"Zocht je te bedaren,
Jij minnaar van plasticiteit,
Het smachten dat wij in jou wisten op te wekken,
De lusten die je stillen wilt,
Dan kun je nu de echtheid van ons lijf ontdekken,
Vanaf de navel tot de bil.
Als kroon op mooie, zware borsten kun je spelen
met grote penningen van brons;
Onder een gladde buik, zachtglanzend en fluwelig,
Daar groeit, oosters roetzwart, ons dons,
Een rijke vacht die je beschouwen moogt als ware
Zij zuster onzer zware vracht
Hoofdhaar, soepel gekruld, jouw dichtheid evenarend,
Sterloze Nacht, donkere Nacht!
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
RECUEILLEMENT
Sois sage, ô ma Douleur, et tiens-toi plus tranquille.
Tu réclamais le Soir; il descend; le voici:
Une atmosphère obscure enveloppe la ville,
Aux uns portant la paix, aux autres le souci.
Pendant que des mortels la multitude vile,
Sous le fouet du Plaisir, ce bourreau sans merci,
Va cueillir des remords dans la fête servile,
Ma Douleur, donne-moi la main; viens par ici.
Loin d'eux. Vois se pencher les défenses Années,
Sur le balcons du ciel, en robes surannées;
Surgir du fond des eaux le Regret souriant;
Le Soleil moribond s' endormir sous une arche,
Et, comme un long linceul traînant à l'Orient,
Entends, ma chère, entends la douce Nuit qui marche.
zELFINKEER
Bedaar, O mijn Verdriet, en roer je niet zo fel.
Je riep de Avond; zie, hij komt al aangekleden:
Donkere lucht daalt neer, verhult de stad al snel,Sommigen brengt hij vrede, anderen onvrede.
Terwijl de mensheid, heel dat weerzinwekkend stel
Dat zich door het Genot laat geselen, die wrede
Scherprechter, wroeging vindt in haar serviele spel:
Reik mij de hand, Verdriet, kom op mij toegetreden.
Ver van hen. Zie hoe elk verstorven Jaar zich hoog
Over 's hemels balkon, in ouderwets gewaad, en
Zie hoe de Spijt glimlachend oprijst uit het water,
Hoe levenloos de Zon inslaapt onder een boog,
En hoor, dierbaar Verdriet, hoe hij zijn lange wade
Naar 't Oosten sleept, de zoete Nacht: hoor hoe hij nadert.
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
SÉPULTURE
Si par une nuit lourde et sombre
Un bon chrétiens, par charité,
Derrière quelque vieux décombre
Enterre votre corps vanté,
À l'heure où les chastes étoiles
Ferment leurs yeux appesantis,
L'araignée y fera ses toiles,
Et la vipère ses petits;
Vous entendrez toute l'année
Sur votre tête condamnée
Les cris lamentables des loups
Et des sorcières faméliques,
Les ébats des vieillards lubriques
Et les complots des noirs filous.
GRAFLEGGING
Als in een nacht, benauwd en triest,
Een man, wiens christenplicht dat vergde,
Een plaats, verhuld door puin, uitkiest
Om jouw roemruchte lijf te bergen,
Op 't uur waarop de kuise sterren
Hun ogen sluiten, loom en zwaar,
De spinnen hebben er hun webben,
De adder baart haar jongen daar;
Dan hoor je elke dag van 't jaar de
Huilende roep van een pak wolven
Boven je hoofd, en 't lamenteren
Van uitgeteerde toverkollen;
Ook zwijnerijen van bejaarden
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
DE MEID MET HAAR GROOT HART
De meid met haar groot hart, waar u jaloers op was,
Die nu mag rusten onder 't nederige gras,
Wij moeten haar weer eens met bloemen gaan verblijden.
De arme doden hebben veel van ons te lijden, als de oktoberwind melancholiek het werk
Van snoeiers doet en gierend blaast over hun zerk,
moeten zij ons die leven wel ondankbaar vinden,
Terwijl zij, door de zwartste dromen aangeklaagd,
Zonder ooit een gesprek, door eenzaamheid geplaagd,
Als oude, kille en wormstekige skeletten,
Van de gesmolten sneeuw de druppels horen spetten,
Of hoe de sneeuw verglijdt zonder dat maag of vriend
Het voddig lint vervangt dat hun tot grafgift dient.
Als 't avond was en als het houtvuur zong en siste,
Als ik haar rustig in haar luie stoel zag zitten,
Of toen ik haar, 't was koud, op een decembernacht,
In 't hoekje van mijn kamer weggedoken zag;
Moederlijk had ze zich van eigen bed verwijderd
Om 't kind te koesteren dat door zorg gedijde:
Wat had ik kunnen zeggen tot die vrome ziel
Toen ik de traan zag die haar uit de ogen viel?
LA SERVANTE AU GRAND COEUR
La servante au grand coeur dont vous étiez jalouse,
Et qui dort son sommeil sous une humble pelouse,
Nous devrions pourtant lui porter quelques fleurs.
Les morts, les pauvres morts, ont de grandes douleurs,
Et quand Octobre souffle, émondeur des vieux arbres,
Son vent mélancolique à l'entour de leurs marbres,
Certe, ils doivent trouver les vivants bien ingrats,
À dormir, comme ils font, chaudement dans lers draps,
Tandis que, dévorés de noires songeries,
Sans compagnon de lit, sans bonnes causeries,
Vieux squelettes gelés travaillés par le ver,
Ils sentent s'égoutter les neiges de l'hiver
Et le siècle couler, sana qu'amis ni famille
Remplacent les lambeaux qui pendent à leur grille.
Lorsque la bûche siffle et chante, si le soir,
Calme, dans le fauteuil je la voyais s'asseoir,
Si, par une nuit bleue et froide de décembre,
Je la trouvais tapie en un coin de ma chambre,
Grave, et venant du fond de son oeil maternel,
Que pourrai-je répondre à cette âme pieuse,
Voyant tomber des pleurs de sa paupière creuse?
stem: Jacques Roland
vert: Peter Verstegen
muziek: Fons Mommers
DOUCE LA LUMIÈRE
Signum magnum apparuit in terra,
cantate domino
canticum novum
quia mirabilia fecit:
En face de la petite
communauté fermée
du camping
“Aux sources
de Lescheret”
est la petite communauté murée
de la mort
“Aux sources
de la Vie Éternelle”.
“Le livre de la vie
s’effeuille
à chacun instant
puis un jour se finit,
refermé par les ans”
Les vaches se bousculaient
autour du cimetière solitaire
ils étaient là, immobiles,
douce la lumière.
Tout à coup,
ils ont commencé
à chanter,
la gorge enrouée,
memento mori,
puis ils se tournaient,
lentement,
et ils sont dispersés
sur le pré.
“On n’oublie jamais
ceux qu’en aime”
C’est ce qu’on
pouvait lire aussi
à la cimetière
de Lescheret
“Nous laisserons
pas gagner la haine”
C’est ce qu’on pouvait lire
à la ville de Neufchâteau,
18 août deux mille et seize.
Il faut distinguer entre les choses
'la douce lumière', voor sopraan en orgel
HERINNERING
als kind wist ik niet beter
zij was mijn moeder
zij was zonder begin en zonder einde
en leeftijd had ze helemaal niet
later toen ik volwassen werd
begon ze langzaam, heel langzaam leeftijd te krijgen
maar nog steeds was leeftijd iets dat niet terzake deed
pas toen ze 60 werd veranderde dat
op haar verjaardag sprak ze daarover haar verbazing uit, 60!
die was totaal niet geveinsd
en maakte een bijna gênante indruk
zo oud en dan niet weten waar de tijd gebleven is !
ouder worden was kennelijk iets onbegrijpelijks
het kon je zomaar ontglippen
verdwijnen als zand tussen je vingers
dit was zo concludeerde ik het getob van oudere mensen
dat zou ik wel anders aanpakken
dacht ik
ík liet mij niet betrappen als een dief in de nacht
ík zou mij niet laten verrassen als ik ouder werd
ik wilde alles gedaan hebben wat ik wilde doen
want nog altijd vond ik dat ouder worden
hetzelfde was als steeds minder tijd krijgen
de tijd was een koekje dat nergens naar smaakte
een leegte die je moest vullen
oud zijn betekende: tot een afronding komen
en tevreden terugkijken
iets tot stand brengen binnen de jou toegemeten tijd
de wereld iets laten zien daar ging het om!
zo dacht ik ongeveer toen ze 60 werd
nu ben ik zelf oud
ik heb geen grootse dingen verricht
in niets ben ik tot een afronding gekomen
en de dingen van vroeger?
ach, vroeger…
'Dagboek 20'
wij stuitten
wij stuitten op een obelisk
op een kruispunt midden in het bos
een versteende zonnestraal
ter ere van de zonnegod Ra ( het grote oog )
op een kruispunt midden in het bos
reisden wij naar de oudheid en terug
ter ere van de zonnegod Ra
een pseudo-granieten gedenknaald
reisden wij naar de oudheid en terug
hiÎrogliefen die op fossielen leken
een pseudo-granieten gedenknaald
licht van kleur en piramidevormig
hiÎrogliefen die op fossielen leken ingegraveerd een sleutel met de letters
F A T E
licht van kleur en piramidevormig
wij stuitten op een obelisk
geluk
het was een hobbelige klinkerweg
wij fietsten langs geurend gras
3 kunstkoeien sierden de wei
het bijenhotel leek verlaten
wij fietsten langs geurend gras
de boer groette ons vriendelijk
het bijenhotel leek verlaten
het bakhuisje een ruïne
de boer groette ons vriendelijk
leunde op zijn schop
het bakhuisje een ruïne
wij vergaten een foto te nemen
de boer groette ons vriendelijk
hij keek op en verschoof zijn pet
we vergaten een foto te nemen
het was een hobbelige klinkerweg
het leven
het leven is wat je overkomt
terwijl je andere plannen maakt
de brandnetels en de bramen strekken hun klauwen uit over het zandpad
het leven is wat je overkomt
een horzel steekt in mijn arm
rugpijn bederft mijn wandeling
terwijl je andere plannen maakt
is het leven wat je overkomt
'Dagboek 32'
'Fringe 1'
spiegel
de helaasheid der dingen
het gekerm van de drie-potige hond
het gebogen hoofd van de oude man
de kleur van oud en ziek
het gekerm van de drie-potige hond
ik keek in de spiegel
de kleur van oud en ziek
tijd voor een knevelveldbeschouwing
ik keek in de spiegel
ik zag de plooien in mijn hals
tijd voor een knevelveldbeschouwing
ik moet mijn huis nog opruimen
ik zag de plooien in mijn hals
het is de hoogste tijd
ik moet mijn huis nog opruimen
de helaasheid der dingen
'Fringe 2'
fijne dag
fijne dag zegt de kassière
wilt u nog een bonnetje
er is overal oorlog weet je
daar ben ik helemaal klaar mee
nee ik hoef geen bonnetje
verkoop je ook oorlog vroeg ik
twee tegen de prijs van één zeg je
één oorlog is genoeg zeg ik
fijne dag nog zegt de kassière
vergeet je oorlog niet
daar ben ik helemaal klaar mee
'Dagboek 4'
instagrammable
ik breng ons kind naar school
ik houd haar hand vast
ik klets wat tegen andere ouders
instagrammable small talk
ik houd haar hand vast
ze zegt iets tegen een vriendin
instagrammable small talk
ze keek niet meer om
ze zegt iets tegen een vriendin
ik loop in gedachten naar huis
ze keek niet meer om
het regent
ik loop in gedachten naar huis
de lange nagels van mijn vader’s hand
het regent
ik breng ons kind naar school
'Dagboek 8'
ANVERS
la paix d'Anvers
les parents et l'enfant se retrouvent
dans la pénombre du café
la paix d’Anvers
la colère et la tristesse
disparaissent
comme du caca de mouche
les parents et l'enfant se retrouvent
la paix d'Anvers
'Souvenir', voor piano solo
LES PAROLES CHANTENT (anoniem)
les paroles du psalmiste chantent dans mon coeur
tu es vraiment tendresse et miséricorde
accorde-nous de devenir des messagers de la miséricorde
laisser venir les petits enfants,
ne les empêchez pas de venir à moi
tu es vraiment tendresse et miséricorde
ma vie se lasse de ses vaines idoles,
laisser venir les petits enfants,
ne les empêchez pas de venir à moi
l’odeur de mes souillures m’est insupportable
ma vie se lasse de ses vaines idoles
nous te présentons le monde,
sa barbarie et ses atrocités
l’odeur de mes souillures m’est insupportable
fais de moi un artisan de paix et de réconciliation
nous te présentons le monde,
sa barbarie et ses atrocités
le combat que nous avons à lutter contre nous-mêmes,
notre moi, notre orgueil
fais de moi un artisan de paix et de réconciliation
les paroles du psalmiste chantent dans mon coeur
'Stad', voor beiaardautomaat
toren Heikese kerk Tilburg
Het verdriet van Tilburg (voor opa)
im tiefen Keller sitz ich hier bei einem Fass voll Reben
bin frohen Muts und lass mir vom allerbesten geben
een leven weven alsmaar weven alles geven
im tiefen Keller sitz ich hier bei einem Fass voll Reben
ik blaas de klarinet uit weerzin tegen het alledaagse
ik zing het lied van tot-slaaf-gemaakten
ontwaard door het mechaniek van de dagen
van uur tot uur van zes tot zes aaneengeregen
bin frohen Muts und lass mir vom allerbesten geben
im tiefen Keller sitz ich hier bei einem Fass voll Reben
'Intermezzo 1', voor klarinet solo
de rest is geschiedenis
hij gebruikte zijn leven lang
stierf jong
als een hond
op een dag als alle andere
werd hij dood aangetroffen
onder een viaduct
waarschijnlijk een overdosis
nu is hij voorgoed verdwenen
nooit meer een haan die kraait
op de mesthoop
van zijn geschiedenis
zijn ouders waren gered
zij getuigden van jehova
heer der heerscharen!
híjzelf hield het bij drugs
hij gebruikte zijn leven lang
stierf jong
als een hond
vrede
het kind is dood
het graf is vers
het huis kapot
de wereld de oorlog
het graf is vers
het kind is dood
Madonna verscheen
geheel in het zwart
haar vuisten gebald
piercings in haar neus
O zwarte Madonna
verhoor ons
geef ons vrede
loin de toute misère!
Embarquement de Cythère
vive la musique de Poulenc
c’est la fête aujourd’hui
lâchez les grappes!
embarquement de Cythère
loin de toute misère!
'Attaca', voor beiaard 't Heike Tilburg